Index

HET OPEN MACHZOR

(Een verhaal)

Het was de avond van Jom Kippoer. Een ademloze stilte viel over de gemeente, terwijl alle ogen gericht waren op de figuur van hun geëerde Ba’al Sjeem Tov”. Daar stond hij, gekleed in zijn witte Kittel” en omhuld in zijn Talliet, dat zijn gebogen hoofd bedekte. Terwijl iedereen wachtte totdat de Ba’al Sjeem Tov zichzelf had voorbereid op het heilige gebed van Kol Nidrei,” zagen degenen die dichtbij hem stonden dat er een schaduw over zijn gezicht viel, maar niemand durfde vragen wat er aan de hand was.

Het was aan allen die aanwezig waren duidelijk dat een groot verdriet op zijn gezicht was af te lezen, toen zij het ontroerende Kol Nidrei-gebed zeiden. Gedurende een korte pauze tussen Kol Nidrei en Ma’ariv raakte de Ba’al Sjeem Tov opnieuw verloren in gedachte. Plotseling werd zijn gezicht opgelicht door een glimlach, en, daar hij had gevraagd om met Ma’ariv te beginnen, voelde alle aanwezigen zich opgelucht, hoewel zij niet begrepen waarom. Zij kenden de reden niet van het eerdere verdriet van hun geliefde Rabbijn, noch begrepen zij waarom hij nu glimlachtte. Alles wat zij wisten, was dat wat het ook was dat hun vereerde leider getroffen had, ook ieder van hen diep trof.

Aan het eind van Jom Kippoer vertelde de Ba’al Sjeem Tov zijn volgelingen het volgende verhaal:

Mijn vrienden, zo begon hij, ik ga jullie vertellen wat mij zo diep getroffen heeft gisteravond tijdens het dawwenen. Het verhaal gaat over een Joods herbergier in een niet veraf gelegen dorp. De herbergier was een fijn, eerlijk mens en een orthodoxe Jood, die de landheer, een Poolse edelman, zeer vereerde en die hem behandelde als een persoonlijk vriend. Plotseling, zonder enige waarschuwing van een ziekte, overleed de herbergier, een jonge weduwe met een baby-jongetje achterlatend. De arme weduwe werd zo zeer getroffen door het verlies, dat ook zij, niet lang daarna overleed.

De Poolse edelman was zeer onderste boven van hetgeen er met zijn vriend de herbergier gebeurd was en toen ook de weduwe overleed, voelde hij het als zijn plicht om de baby in huis te nemen en te zorgen voor deze hulpeloze wees. Hij was een zeer vriendelijke man en hij gaf de baby zijn beste zorg; hij voedde hem op alsof het zijn eigen zoon was.

Jaren gingen voorbij en het kind wist niet dat hij in werklijkheid niet de echte zoon van de Christelijke edelman was. Op een dag echter had de edelman vrienden uitgenodigd op zijn landhuis en terwijl de kinderen gezamelijk in de tuin speelden, noemde één van de kinderen van de gasten in de loop van een ruzie de zoon” van de edelman een Jood. De jongen rende onmiddellijk huilend naar binnen naar zijn vader” en vroeg hem of het echt waar was, dat hij een Jood was?

Mijn lieve jongen” antwoordde hij vriendelijk, je weet hoeveel ik van je houd en dat ik je altijd behandeld heb alsof je mijn eigen zoon bent. Wanneer ik overlijdt, zul jij mijn erfgenaam zijn; jou laat ik alles achter, mijn landhuis, mijn boomgaarden en mijn bossen. Wat kan ik nog meer voor je doen?”

Dus ik ben niet uw echte zoon! Dus ik ben een Jood en u heeft mij dat nooit verteld,” barste de jongen huilend uit. Wie waren mijn ouders? Ik moet het weten, asltublieft!”

De edelman sloeg zijn armen om de schouders van de jongen en trachtte hem te troosten. Mijn jongen, je kunt trots zijn op je ouders. Het waren echt fijne mensen, goede G-dvrezende Joden. Je vader was mijn vriend. Het was om hem dat ik het mijn plicht voelde om jou bij mij in huis te nemen en je op te voeden alsof je mijn eigen zoon was. Maar zoals je weet heb ik zelf geen kinderen en ik houd vreselijk veel van je.”

Beetje bij beetje kreeg de jongen het hele verhaal over zijn eigen Joodse ouders tehoren. De edelman vertelde hem dat zijn ouders niets hadden om voor hem achter te laten, behalve een klein pakje, dat hij altijd op een veilige plaats had bewaard, in afwachting tot het juiste moment waarop hij het hem zou geven. Dat moment was nu aangebroken, dus ging hij het pakje halen en gaf het aan de jongen. Met trillende handen en een kloppend hart maakte de jongen het pakje open. Er zat een oud, zwart zakje in met vreemde gouden letters erop. Hij maakte het zakje open en haalde er een witte wollen sjaal uit; verder zat er iets in dat leek op twee kleine zwarte doosjes, waaromheen zwart-leren riemen gewikkeld zaten, en een boek. De jongen wist natuurlijk niet dat het Talliet en de tefillien waren, die in het zakje zaten, noch kon hij begrijpen wat er geschreven stond in het dikke boek”, dat een Machzor was. Maar omdat deze kostbare dingen eens aan zijn ouders hadden toebehoord, die hij nooit gekend had, zou hij ze als een schat bewaren, zijn hele leven!

Door een toeval moest de edelman op zakenreis, en dat gaf de jongen gelegenheid om in alle rust en vrede na te denken. Hij maakte lange wandelingen in de bossen bracht vele uren door met nadenken. Hij realiseerde zich dat hij veel van de edelman hield en hij was hem erg dankbaar, maar toch – een vreemd gevoel overviel hem, dat hem dwong iets nader te weten te komen over zijn Joodse broeders. Hij wist dat sommigen van hen leefden op het landgoed van zijn vader”. Hij zou naar hen toegaan en met hen praten. Misschien dat sommigen van hen zich zelfs zijn ouders zouden herinneren!

Die nacht droomde hij dat zijn ouders hem tegemoet kwamen, eerst zijn vader, daarna zijn moeder. Zij vertelden hem dat hij nu geen kind meer was. Hij moest nu weten dat hij een Jood was en dat hij moest teruggaan naar zijn Joodse volk waar hij thuishoorde.

De volgende dag, heel vroeg, sloop hij uit het huis, zodat geen van de bedienden hem zouden opmerken en tegenhouden of vragen wat hij ging doen. Hij liep, totdat hij in het volgende dorp kwam, waar hij een aantal Joden zag die bundels samen pakten en op een kar laadden.

Een goede dag voor jullie allen,” groette hij hen. Gaan jullie naar een markt?”

Nee, deze keer niet,” antwoordden zij, het zal spoedig Jom Kippoer zijn, onze heilige feestdag, dus gaan wij met onze familie naar de dichtst bijzijnde grote stad, zodat wij tenminste op deze heilige dag in de synagoge kunnen bidden, samen met andere Joden.”

De jongen keerde terug naar huis, verloren in gedachten. Waarom had hij het geschenk van zijn ouders niet meegenomen om dat aan die Joden te laten zien? Zij hadden hem kunnen vertellen waarvoor zij waren. De gedachte liet hem niet met rust. En ook, wat was Jom Kippoer?

Een paar dagen gingen voorbij en de edelman was nog niet teruggekeerd. De jongen besloot dat hij oud genoeg was om zijn eigen plannen te maken over de dingen die zijn toekomst zouden bepalen. Hij was een Jood en hij zou teruggaan naar zijn volk! Dus pakte hij een paar kleren in, nam wat voedsel mee, liet een briefje achter voor zijn vader”, waarin hij hem vertelde waar hij heen ging, en hij ging op weg naar de stad waar die Joden uit het dorp zeiden waar zij naartoe gingen.

Na verscheidene afmattende dagen van reizen, af en toe met een lift”, maar meestal lopend, bereikte hij tenslotte zijn plaats van bestemming. Hij zocht de Sjoel en kwam precies op tijd om de klagende indringende klanken van de Kol Nidrei dienst te horen toen die gezongen werden. Snel slipte de jongen naar binnen en naam plaats bij de deur. Wat hij zag, vervulde hem met ontzag. Hij keek in het rond, en zie, allemaal Joden van alle leeftijden, die daar stonden te bidden met heel hun hart, sommigen met tranen in hun ogen. Hij voelde een brok in zijn keel komen en stilletjes nam hij zijn eigen witte sjaal en drappeerde die om zijn schouders. Hij nam het boek uit de zak en trachtte het net zo vast te houden als hij zag hoe anderen dat deden. Maar toen hij het opende, kon hij het noch lezen noch de woorden begrijpen, en zijn jonge lichaam schudde van het snikken.

Met tranen stromend over zijn wangen riep de jongen luid uit: O, G-d! U weet dat ik niet kan lezen, noch weet ik wat ik moet zweggen of hoe ik moet bidden. Ik ben maar een verloren Joodse jongen! Hier is het hele gebedenboek! Alstublieft, G-d, haal er de juiste woorden uit en zodat zij voor mij gebeden worden.!”

De wanhoop van deze Joodse jongen bereikte het Hemelse Hoger Gerechtshof en de poorten zwaaiden wijd open voor zijn gebeden. En samen met zijn simpele gebed werden ook onze gebeden geaccepteerd.

*    *    *

Toen de Ba’al Sjeem Tov dit roerende verhaal geëindigd had, stonden er tranen in de ogen van alle toehoorders. En vaak, wanneer zij dawwenden, moesten zij aan dit vreemde verhaal denken van die Joodse jongen die zo lang verloren was geweest. En dan dachten zij bij zichzelf dat ook zij zovaak als verloren zielen waren geweest, die eigenlijk niet wisten hoe zij moesten dawwenen zoals het hoort. En allen hoopten eerlijk, zoals de jongen, dat de goede en genadige G-d in de Hoogte hun gebeden zou accepteren en ieder een werkelijk gelukkig nieuw jaar zou gunnen, want het belangrijkste van het gebed is ten slotte, de ernst en toewijding tot G-d, die uit het hart komt.