Index

Jom Kippoer: een continu omhooggaan

Door Rabbi Ahron Soloveichik

Hoewel het ne’ila [afsluitend] gebed [op Jom Kippoer] slechts één onderdeel is van de Sjoelchan Aroech (Orech Chaim 623), leert het een fundamenteel begrip van Jodendom. De Tora, in Dewariem (4:5-6) vermeldt de instructies die Mosjé aan de Bnei Jisraël gaf: Zie, ik heb jullie wetten en rechtsvoorschriften geleerd, zoals Hasjem mij geboden heeft… Neem hen in acht en houdt jullie daaraan, want dat is jullie wijsheid en inzicht in de ogen van de volken…” Dit houdt in dat in iedere halacha er een unieke boodschap ligt voor alle mensen, Joods of niet-Joods. Laat ons nu trachten het unieke begrip te ontdekken dat inherent is aan het ne’ila gebed.

Ne’ila, volgens Rav (Jeroesjalmi, Ta’aniet 4:1) is een tefilla [gebed]  dat gezegd wordt, onmiddellijk nadat een Jood verzoening verkregen heeft, op het tijdstip dat de poorten van de Hemel gesloten worden.” Na zich de gehele maand Eloel en de Tien dagen van inkeer” te hebben voorbereid, wordt de climax van onze aspiraties bereikt bij zonsondergang op Jom Kippoer – Grote Verzoendag. Het schijnt dat na dat moment wij een gevoel van bevrediging zouden moeten hebben, dat wij ons doel hebben bereikt om terug te keren tot G-d. Echter, volgens de halacha moeten wij zelfs tijdens de tefilla van ne’ila onze zonden opbiechten en ons druk bezig houden met te streven naar het doel om terug te keren tot G-d. Waarom?

Vrijheid van keuze bij al onze handelingen is contrair aan de zuivere Tora ideologie, net zoals het contrair is aan de principes van oorzakelijkheid. Onze geleerden leren ons: Vervulling van een mitswa [gebod] leidt tot vervulling van een volgende mitswa, en een avera [overtreding] leidt tot een volgende avera” (Pirkei Avot 4:2]. Wie op weg is gegaan op een pad van slechtheid, heeft tot op zekere hoogte geen keuze. Wie verslaaft is geraakt aan drugs en aan morele obsceniteit kan niet van de ene dag op de andere veranderen; zo iemand heeft geen vrije keuze om dat te doen. Vrijheid van keuze heeft alleen iemand die op een kruispunt van het leven staat.

Er is een pad van zonde zowel als een pad van berouw en inkeer. Men moet de richting inslaan van het pad van tsjoewa, en men moet altijd proberen dat pad te blijven volgen. Het feit dat met ook na dat verzoening bereikt is, zijn zonden moet beleiden, toont de houding van Tora aan ten opzichte van het bereiken van de doelen. Volgens Tora ein hamatara mekadesjet et ha’èmtsaïem – het doel heiligt niet de middelen.”

Ongelukkigerwijs zijn vele ideologieën het niet eens met het begrip dat het doel de middelen niet heiligt. Het is hierdoor dat vele geciviliseerde volken zich tijdens een oorlog misdragen. De Tora zegt: Gerechtigheid, gerechtigheid zul je nastreven” [Dewariem 16:20]. Jonatan ben Uziël verklaart dat de bedoeling van de herhaling het woord ‘gerechtigheid’ door Tora is om te zeggen dat gerechtigheid alleen moet  worden nagestreeft met rechtvaardige middelen.

Er zijn vele halachot die gebaseerd zijn op dit begrip; laten wij er daarom één nader onderzoeken die verband houdt met Jom Kippoer. In Wajjikra 16:12-13 staat: En hij [de Hoge Priester] zal een vuurpan vol brandende kolen van het altaar van vóór G-d nemen, en zijn beide handen vol fijn reukwerk van specerijen en het binnen het parochet  – voorhangsel – brengen. En hij zal het reukwerk op het vuur leggen vóór Hasjem en de wolk van het reukwerk zal de deksel bedekken, die op het getuigenis ligt, zodat hij niet zal ster­ven.” De Tora sjèba’al pee – de mondelinge leer – leert ons dat het actuele plaatsen van het reukwerk op het vuur gedaan moet worden achter het parochet, binnen in het Allerheiligste. Niet alleen moest de bedekkende wolk in het Allerheiligste zijn, maar ook de ‘avoda – de dienst – moest daar plaatsvinden.De bedekking van de wolk was de hoogste culminatie van de ‘avoda in het Beit Hamikdasj [Tempel]. Chazal – onze geleerden, hun aandenken zij ons tot zegen – vertellen ons dat hieruit blijkt dat de middelen die tot het doel leiden, de ‘avoda, eveneens moet plaatsvinden in het Allerheiligste.

De Misjna in Joma (1:5) vertelt ons dat wanneer de Kohen Ĝadol – de Hoge Priester – de ‘avoda voor Jom Kippoer voorbereid, hij een eed moet afleggen dat hij deze ‘avoda naar behoren zal uitvoeren. Waarom, van alle verplichtingen en handelingen van de Kohen Ĝadol moest hij juist over dit onderdeel van de ‘avoda alleen een eed afleggen? Omdat aan de halacha van deze ‘avoda zulk een bijzonder maar ook controversiëel begrip ten grondslag ligt.

De Saduceeërs, die de Mondelinge Leer niet accepteerden, waren van mening dat alleen de bedekkende wolk in het Allerheiligste aanwezig hoefde te zijn; de ‘avoda zelf echter, kon ook buiten het parochet plaatsvinden. Hoewel de Saduceeërs gewoonlijk vertrouwd werden zonder eed, werden zij dat in dit geval niet. De redenering van de Saduceeërs was namelijk dat alleen het doel van belang was en niet de middelen. Het was om deze reden dat Chazal vereisten dat de Kohen Ĝadol moest zweren; over zulk een belangrijke aangelegenheid kon een Kohen Ĝadol die misschien een Saduceeërs was, niet vertrouwd worden. Aan het eind van Parasjat Acharei Mot verbiedt Tora de Joden de afschuwelijke gewoonten van de heidenen over te nemen. De Tora schrijft: En jullie moeten Mijn verordeningen in acht nemen en niet de gruwelijke instellingen uit oefenen die vóór jullie gedaan werden, opdat jullie jezelf daarmee niet verontreinigen; Ik ben Hasjem, jullie G-d” (Wajjikra 18:30). Wanneer men zich verre houdt van deze wandaden, is men nog niet noodzakelijk een ethisch persoon. Maar in het volgende vers beveelt G-d aan Mosjé om Bnei Jisraël te instrueren: Kedoejiem tihejoe – heilig zullen jullie zijn.” Heiligheid, zoals de Gemara zegt (‘Avoda Zara 20b) is het hoogste niveau wat iemand kan bereiken:

Rebbe Pinchas ben Jaïr heeft gezegd: Tora leidt tot zorgvuldigheid; zorgvuldigheid leidt tot enthousiasme; enthousiasme leidt tot reinheid; reinheid leidt tot afzondering; afzondering leidt tot zuiverheid; zuiverheid leidt tot vroomheid; vroomheid leidt tot nederigheid; nederigheid leidt tot vrees voor zonde; vrees voor zonde leidt tot heiligheid; heiligheid leidt tot G-ddelijke geest; de G-ddelijke geest leidt tot heropstanding van de dood.”

G-ddelijke geest, zoals de Rambam opmerkt, is slechts een hogere graad  van heiligheid. Maar toch schijnt er een enorm gat te overbruggen tussen het zich ver houden van wrede gruweldaden en het bereiken van het niveau van heiligheid.  Waarom stelde Tora de een dan onmiddellijk na de ander? Het eerste stadium, zorgvuldigheid, houdt in dat men niet een van de 613 mitswot overtreedt. Het schijnt dat tussen het verbod van gruweldaden en het gebod om heiligheid te bereiken, vele mitswot genoemd zouden moeten worden!

Het antwoord op deze vraag ligt in de verklaring van ‘Kedosjiem tihejoe.’ Jodendom stelt dat een Jood nimmer volledig kedoesja – heiligheid kan bereiken. Een Jood kan alleen maar naar kedoesja streven. Wanneer men niet in de morele afgrond van corruptie en ontaarding wil vallen, moet men zichzelf doordrenken met het idee om altijd te streven naar kedoesja. Er is geen plateau, er is geen eind; men moet altijd naar een hoger niveau streven. Men moet nimmer denken dat men zijn potentiëel bereikt heeft.

De Gemara in Nidda [30b] vertelt dat voordat een baby geboren wordt, zijn ziel twee eden moet afleggen. Ten eerste moet hij zweren dat hij de mitswot zal houden, en ten tweede, dat hij moet beloven dat hij zichzelf als een rasja – een booswicht, een slecht mens – zal beschouwen en niet als een tsaddiek – een rechtvaardige, zelfs niet als anderen hem als een tsaddiek beschouwen. Rabbijn Schneur Zalman van Liadi schrijft in zijn Tanja dat dit in strijd lijkt te zijn met de Misjna in Pirkei Avot (2:18) die zegt dat men zichzelf niet als slecht moet beschouwen. Het antwoord dat gegeven wordt, is dat er van twee soorten van tsaddiek en rasja sprake is. De Gemara in Nidda zegt niet dat men zichzelf werkelijk als slecht moet beschouwen. Maar men moet zichzelf zien als niet zijn eigen potentiëel te hebben vervuld; met moet er altijd naar streven  om een hoger niveau van grootheid te bereiken.

Kedoesjiem tihejoe” betekent precies dat –  een continu streven naar kedoesja,” zonder rust. Net zoals er een wet is dat de natuur een hekel heeft aan een vacuüm, zo is het waar dat men in de spirituele wereld niet kan leven in een vacuüm. Joseefs broers gooiden hem in een put, die zoals de Tora zegt, ‘leeg was, zonder water’ [Bereisjiet 37:24]. Chazal zeggen dat er geen water in de put was, maar er waren wel slangen en schorpioenen is [Sjabbat 22a). Hoe wisten Chazal dat? Omdat de natuur een afkeer heeft van een vacuüm. De menselijke geest moet ergens mee gevuld zijn. Indien het niet gevuld is met water, dan wordt het gevuld met spirituele slangen en schorpioenen.Men staat altijd onder de invloed van zijn omgeving en alleen iemand die voortdurend streeft naar kedoesja kan aan die invloed ontsnappen.

In werkelijkheid is het doel van een Jood zich te realiseren dat er geen bovengrens is maar een constant streven, verlangen om hoger te reiken. Volgens Tora heiligt het doel niet de middelen, want er is in feite geen einddoel. Daarom moeten al onze handelingen een zekere mate van kedoesja bevatten.

Nu kunnen wij het onderliggende begrip van ne’ila begrijpen. Ne’ila leert ons dat zelfs als wij de climax, de verzoening bereikt hebben, dan nog kunnen wij niet zeggen dat wij ons doel bereikt hebben Er is geen grens. Wij moeten doorgaan onze zonden te bekennen en streven naar hogere niveau’s van spiritualiteit.