Index

 

Het ABC van Pesach

www.aish.com/holidays/passover/articles/the_abcs_of_passover.asp

Door Rabbijn Shraga Simmons

Het Joodse Paasfeest (Pesach in het Hebreeuws) is ook bekend als „het feest van de vrijheid” omdat het de Joodse Exodus uit Egypte gedenkt, na 210 jaar van slavernij. Pesach wordt beschouwd als de officiële „geboortedag” van het Joodse volk en de lessen van de strijd om identiteit vormen nog steeds, 3.300 jaar sedert die gebeurtenis, de basis van het Joodse bewustzijn.

De Exodus vertelt in essentie over  hoe Mosjé (Mozes) Par’o (Farao) aanspoorde tot: „laat mijn volk gaan zodat wij de Almachtige kunnen dienen.” Er was veel overtuigingskracht voor nodig – Tien Plagen – maar uiteindelijk wandelden de Joden Egypte uit in het volle daglicht. Zeven dagen later splitste de Rietzee zich voor hen, waar het Egyptische leger, dat hen achterna ging, in ver­dronk. Vijftig dagen na de Uittocht stond het hele volk Israël aan de voet van de Berg Sinai en onderging daar de unieke ervaring van de G-ddelijke openbaring en de verkrijging van de Tora.

Pesach is een feest dat acht dagen gevierd wordt (in Israël zeven dagen). Het wordt gekenmerkt door het eten van matsa, ongerezen en ongegist brood en met de viering van een uitgebreide Seder op de twee eerste avonden (in Israël alleen op de eerste avond).

De Seder is bedoeld om iedere Jood de ervaring mee te geven van de overgang „van slavernij naar vrijheid.” Op de Seder wordt verteld over de Uittocht, zoals die in de Haĝĝadah beschreven staat, worden „symbolen van de slavernij” gegeten, zoals Marror (bitterkruid), wordt verteld over de Tien Plagen en drinkt ieder vier bekers wijn – die corresponderen met de vier stadia van verlossing zoals die in het Bijbelboek Exodus vermeld staan. Het hoogtepunt van de Seder is het eten van de matsa, als deel van de feestmaaltijd.

De naam „Pasen” of „Pesach” is afgeleid van het feit dat tijdens de laatste plaag G-d door het land ging en alle eerstgeboren Egyptenaren doodde, maar over de Joodse huizen heen „passeerde”.

OVER MATSA

Gedurende de hele Pesachweek is het de Joden verboden om iets dat chameets  (gegist graan) bevat te eten, te drinken of in bezit te hebben. Om deze reden wordt al ons brood, koekjes, pasta, bier, enz., wat over is weggegooid of verkocht. Voor Pesach worden alleen die producten ingekocht waarop staat dat zij kosjer voor Pesach zijn. Om ieder probleem van restjes chameets te vermijden gebruiken de Joden ook speciale borden, pannen en eetgerei op Pesach.

Matsa is het hoofdvoedsel in de Pesachweek. De Bijbel geeft daar twee redenen voor. De meest bekende is dat op de ochtend van de Uittocht, de Joden zo’n haast hadden om Egypte uit te komen, dat het deeg geen tijd had om te rijzen – en dus aten zij het maar ongerezen.

Maar daarnaast vertelt de Bijbel (Exodus 12:8) dat de Joden ook matsa aten op de avond vóór de Uittocht – op die eerste Pesach Sederavond. Dat is omdat chameets opgeblazen is en het symbool is van de arrogantie; matza is eenvoudig en nederig. Om dichter tot de Almachtige te naderen, hetgeen het uiteindelijke doel in het leven is, moet men zijn eigen persoonlijke arrogantie van zich afzetten. Daarom verwijderen wij het chameets uit ons huis en werken tegelijkertijd aan de karak­tereigenschap van nederigheid.

Op de avond vóór Pesach wordt het huis zorgvuldig doorzocht op chameets. Dat wordt gedaan bij het licht van een kaars en het is een gedenkwaardige ervaring voor de hele familie. Al het reste­rende chameets dat gevonden wordt, wordt hetzij de volgende ochtend verbrand (in een ceremonie die Srefat chameets genoemd wordt), of verkocht aan een niet-Jood. De verkoop moet serieus en oprecht gebeuren, met een wettelijk bindend verkoop-contract en moet daarom alleen gebeuren met de hulp van een bevoegde rabbijn. Na Pesach wordt het voedsel weer terug ge­kocht (indien de niet-Jood bereid is het terug te verkopen, zo niet dan moet hij ervoor betalen). Al het voedsel dat verkocht is en nog niet afgeleverd is moet worden opgeborgen en opgesloten in een aparte kamer of kast.