Pesach-Index

 

Kaddesj oeRechats: heilig je en was je”

 De Seider is opgebouwd uit 15 stadia, die alleen door trefwoorden worden gekarakteriseerd. De eerste stadia heten ‘kaddeesj oerechts’. In die 15 stadia van de Seider is een duidelijke lijn van stijgende religiositeit herkenbaar. Het is interessant om Kaddeesj oeRechats eens nader onder de loep te nemen, omdat hier sprake is van een duidelijke afwijking van het normale patroon. Normaal moet men zich eerst geestelijk reinigen, voordat men kan spreken van spirituele stijging, het doel van het Jodendom. Zo staat er ook in de Psalmen Wendt u eerst af van het kwade en doe dan het goede” (4:15). Wij mogen niet verwachten, dat wij kedoesja (heiligheid) kunnen bereiken voordat we ons minder fraaie gedrag hebben laten varen. Het heeft weinig zin om te proberen je schoon te wassen, terwijl je nog in de modder wentelt. Men kan pas mooie kleren aantrekken wanneer alle viezigheid weggewassen is.

 Exodus is een uitzondering

De Exodus was een uitzondering op deze regel. In Egypte was het Joodse volk zijn spiritualiteit en vrijheid kwijtgeraakt. Zij hadden de Egyptische afgoderij uit hun omgeving overgenomen. Met het slachten van het Pesachlam verwierpen zij het Egyptische polytheïsme. Maar nog voordat ze de decadentie van hun meesters waren ontstegen, ontvingen ze een G’ddelijke openbaring, die zo groot was dat onze Geleerden zeggen: Bij de splitsing van de Rode Zee ervoer zelfs de geringste burger meer profetische openbaring dan de profeet Jechezkeel” (Mecchilta).

Wonderlijk! Bij de Exodus was het dus mogelijk de grootste G’ddelijke openbaringen te ervaren nog voordat men zich gereinigd had in spiritueel opzicht. Dit is een belangrijke les. Veel mensen stellen dat het weinig zin heeft om nu mijn levensstijl te gaan veranderen, omdat ik te ver verwijderd ben van het Jodendom. Wanneer ik nu iets uit de Tora in acht ga nemen, zou dat hypocriet zijn.” Onjuist! Het één sluit het ander niet uit. Met oprechte Tesjoewa kan men veel veranderen. De Talmoed vertelt van een grote zondaar, die na één serieuze poging om tot inkeer te komen, toegelaten werd tot Gan Eden (het Paradijs).

Waarom was G’d zo gewillig voor het Joodse volk? Omdat onze voorouders bereid waren Egypte te verlaten in het kielzog van Mosje Rabbenoe naar een verlaten woestijn waar geen voedsel noch water was. De profeet Jeremia (2:2) verwoordt dit zo treffend: “Ik herinner mij de liefde van jullie jeugd, toen jullie mij volgden in de woestijn, een ongezaaid land”. Het herinneren van de uittocht uit Egypte is dus een dagelijkse spirituele ervaring van vernieuwing en hoop.

Dajenoe

 Sommige verklaarders willen deze 15 stadia van de Seider verbinden met het bekende lied ‘Dajenoe’, waarin we op 15 manieren G’d danken voor alles wat Hij voor ons bij de uittocht uit Egypte heeft gedaan.

 1. Kaddeesj

Kaddeesj wordt in verband gebracht met de uittocht uit Egypte (het eerste waarvoor we G’d in Dajenoe danken), omdat de opdracht “Heilig Mij elke Bechor” (Sjemot 13), vlak voor de vers “Herinner je deze dag dat je uitgetrokken bent uit Egypte” staat.

 2. OeRechats

OeRechats (Was je handen voor het radijsje of de peterselie”) wordt in verband gebracht met de grote gerichten die G’d heeft gebracht over Egypte omdat in Sjemot, hoofdstuk 7 staat dat G’d ons zal uitvoeren met grote gerichten, waarna meteen vermeld wordt dat Mosje Rabbenoe naar Fara’o moest gaan die op het punt stond een bad te nemen in de Nijl. De eerste plaag waarbij het water van de Nijl in bloed veranderde wordt dus in verband gebracht met de grote gerichten.

3. Karpas

Karpas (het eten van radijs, peterselie) wordt in verband gebracht met de straffen die de Egyptische goden ondergingen. De getallenwaarde van ‘G’d strafte hun goden’ komt precies overeen met ‘Doop Karpas in zout water’.

4. Jachats

Jachats (het doormidden breken van de middelste Matze) wordt in verband gebracht met de plaag van de eerstgeborene, die midden in de nacht plaatsvond. (Jachachts is hetzelfde woord als chatsie ‘middenin’).

5. Magied

Magied (het vertelgedeelte van de Seider) staat in verband met de rijkdom waarmee de Joden uittrokken uit Egypte omdat de eerste keer dat Mosje Rabbenoe het Joodse volk op een ietwat bevelende wijze aanspreekt, de opdracht voor de Bnee Jisraeel was om zilveren en gouden voorwerpen te lenen bij hun Egyptische buren.

6. Rachtsa

Rachtsa (het handen wassen vòòr de Matsot) wordt in verband gebracht met het splijten van de Rode Zee omdat de Schelfzee over de Egyptenaren uitstroomde als het water over onze handen.

7. Motsie

Motsie (de zegenspreuk over alles wat de aarde voortbrengt, inclusief de Matsa) houdt verband met het feit dat G’d ons door de Schelfzee heeft laten trekken op het droge. Ook daar hadden de Joden ‘hun natje en hun droogje’, omdat ze voedsel vonden in de zee.

8. Matsa

Matsa (het eten van de Matsa) staat in verband met het feit dat de Egyptenaren verdronken zijn, want net zoals het water ‘verdrinkt’ in het meel waaruit de Matse wordt gemaakt en daar nooit meer uit terugkomt, konden de Egyptenaren zich niet meer redden uit de zee.

9. Maror

Maror (bitterkruid) heeft te maken met het feit dat G’d de Joden in de woestijn van alles heeft voorzien. De Maror is niet alleen een uiting van bitterheid maar ook een klein beetje een  symbool voor vrijheid omdat een gezegde van onze Chaggamiem stelt dat rijkdom zich uit in het feit dat ‘altijd radijs en romeinse sla (dat vaak gebruikt wordt voor Maror)’ aanwezig is op tafel. De Matsa en Maror zijn zo niet alleen symbolen van slavernij maar ook symbolen van vrijheid.

 10. Korech

Korech (sandwich), het samen eten van Matsa en Maror doet ons denken aan het feit dat G’d ons in de woestijn de Manna heeft gegeven omdat het Manna bedekt was van boven en van onder met een laagje dauw.

11. Sjoelchan Oreech

Sjoelchan Oreech heeft te maken met het feit dat G’d ons de Tora heeft gegeven omdat alles wat wij mogen eten voorgeschreven wordt door de Tora.

12. Tsafoen

Tsafoen (verborgen, het eten van de Afikoman) staat in verband met de Sjabbat omdat de Sjabbat een geheim en zeer geliefkoosd kleinood was van G’d voordat Hij het gaf aan het Joodse volk.

13. Bareech

Bareech (het Bensjen) staat in verband met het feit dat HaSjeem ons tot de berg Sinai heeft laten naderen. Daar hebben we geleerd dat wij Berachot moeten zeggen voordat wij gaan leren en voordat wij gaan eten.

14. Halleel

Halleel (lofzang) staat in verband met het aspect dat G’d ons binnengevoerd heeft in het Heilige Land omdat alleen daar werkelijke vreugde te vieren is en alleen daar werkelijk een lofzang tot in de diepste diepten van de ziel gevoeld wordt.

 15. Nirtsa

Nirtsa (letterlijk: in welgevallen aangenomen, de na-Seider) heeft te maken met het feit dat G’d voor ons de Tempel heeft gebouwd omdat daar de offers gebracht kunnen worden waardoor  wij in welgevallen kunnen worden aangenomen.

 Op deze wijze wordt een duidelijk verband gelegd tussen het begin en het einde van de voor-Seider. De 15 stadia geven allerlei aspecten en facetten weer van de beleving van de uittocht uit Egypte die, wanneer we dat allemaal goed hebben begrepen en hebben gevoeld, uiteindelijk tot een spontane liefdeszang van Dajenoe uitgroeit.