Index

HET MYSTERIE VAN DE KARPAS

Door Rabbijn Nathan Lopes Cardozo

Terwijl de Hagada ons vertelt over de wonderlijke wijze waarop de Israëlieten na 210 jaar uit hun slavernij verlost werden, is er totale stilte betreffende de vraag hoe onze voorvaderen in die slavenij terecht waren gekomen. Het is waar dat dit verhaal in alle bijzonderheden in Tora zelf verteld wordt en het Pesach-feest vieren wij vanwege de nieuw verworven vrijheid en niet om onze historische problemen te herinneren. Maar toch is het vreemd aan de Joodse traditie om dat in zijn geheel te negeren, als de Exodus in de Haggada besproken wordt.

Eén van de meest raadselachtige rituelen op de Sederavond is het eten van de karpas, een soort groente die in zout water gedoopt wordt aan het begin van de avond. Dit ritueel, zo wordt ons verteld, heeft tot bedoeling om de kinderen (en onszelf) te verleiden tot het stellen van vragen. Na de Kiddoesj zouden wij ongetwijfeld een behoorlijke maaltijd mogen verwachten, zoals iedere vrijdagavond of feestavond. In plaats daarvan krijgen we een klein stukje groente, gedoopt in zout water en worden wij hongerig gelaten voor een groot gedeelte van de avond. Dit roept ongetwijfeld vragen op!

Zonder het belang van het bovenstaande te willen ontkennen, moeten wij nog steeds begrijpen waarom onze geleerden besloten om de vragen op te wekken doormiddel van het indopen en eten van een karpas en niet met behulp van een ander ritueel. Wat schuilt er in het ritueel van de karpas, wat anders verloren zou zijn gegaan? En waarom moest het juist dit ritueel zijn dat ons aan het vragen zet?

Rabbi Shlomo Kluger (1785-1869) in zijn Jeriot Sjlomo op de Hagada (Siddoer Rabbijn Ja’akov Emben) geeft een aanwijzing. Het woord „karpas” is ethymologisch moeilijk te plaatsen. Het heeft twee betekenis­sen. Eén is verbonden met een groente. In dat geval is de vertaling ervan selederij of peterselie en dat schijnt de betekenis te zijn van de Hagada, want ons wordt gezegd een stuk groente te nemen. De andere betekenis is echter dat het een stuk katoen of fijn linnen is.

Dit laatste doet ons denken aan een commentaar van Rasji op het verhaal over de haat van de broers voor Joseef (Bereisjiet 37:3). Zoals wij weten werd deze haat (mede) veroorzaakt doordat Ja’akov een ketonet passiem – een veelkleurig kledingstuk – aan zijn zoon Joseef had gegeven.

Rasji zegt ter plaatse dat het woord „passiem” (veelkleurig) een uitdrukking is voor „karpas en techelet,” het­geen „groene en lichtblauwe wol of linnen” betekent.

Nadat Joseef dit kledingstuk van zijn vader had gekregen, verkochten zijn broers hem aan de Egyptenaren. Dat was het begin van de ballingschap en de slavernij. Wat de diepere betekenis van deze haat ook geweest mag zijn, hij was ongerechtvaardigd en veroorzaakte een heleboel pijn. Als Ja’akov dit kledingstuk niet aan Joseef gegeven had, zou misschien de ballingschap en de dienstbaarheid in Egypte nimmer hebben plaats­gevonden.

Dus dit kledingstuk, gemaakt van „karpas en techelet” was schijnbaar de primaire aanleiding tot de Egyp­tische slavernij.

Toen de geleerden de blauwdruk voor de Hagada-tekst samenstelden, zochten zij naar een manier waarop zij de aandacht konden vestigen op het feit dat het broederhaat was, die de Joden in Egypte deden belanden. Toen zij zich realiseerden dat dit notoire kledingstuk gemaakt was van „karpas”, besloten zij een ritueel in te voeren, waarbij het woord karpas te pas zou komen en zij kwamen de conclusie dat dit het beste kon gebeu­ren met een groente met de zelfde naam. Op een dieper niveau beseffen wij dat het het dopen van dit „karpas kledingstuk” in het bloed van een dier was, dat inspireerde tot het voorschrift om indopen van de karpas in zout water, hetgeen dit ritueel nog meer identificeerd met de haat van de broers. Ten slotte waren het de broers die het kleidngstuk in het bloed van het dier doopten, voordat zij hun vader benaderden met het verschrikkelijke nieuws dat Joseef gedood was.

Toch kan men zich afvragen waarom bovenstaande verklaring niet expliciet in de Hagada vermeld staat. Waarom wordt hierop alleen maar geduid door middel van een mysterieus ritueel? Waarom nemen we niet een gekleurd kledingstuk en brengen dat naar de Sedertafel? En waarom moeten de lezers van de Hagada zo onbewust hiervan op de hoogte worden gebracht, in plaats van het openlijk aan de oppervlakte te brengen? Dit wijst erop dat de auteur van de Hagada deze informatie wilde verbergen, maar tegelijkertijd hoopte dat de lezer de hint toch zou begrijpen. Wanneer het veelkleurige kledingstuk inderdaad de voornaamste oorzaak was van de Egyptische ballingschap, waarom dat dan niet openlijk vermeld, zodat het zeker is dat niemand deze belangrijke boodschap misverstaat?

Wij geloven dat dit raakt aan de kern van de Joodse interpretatie van de Exodus. Het belangrijkste punt daarvan is de nadruk op de G-ddelijke voorzienigheid, d.w.z. G-ds wonderbaarlijk inmenging in het leven van miljoenen Joden, die in Egypte gestrand en tot slaaf gemaakt zijn. Dit verhaal is tot een klassiek model geworden voor de hele Joodse geschiedenis en in feite voor de wereldgeschiedenis. Wat ooit gebeurt ligt uiteindelijk in G-ds handen. Dit is het categorische doel van het Pesach-verhaal. Het is deze keer niet de menselijke rol in de geschiedenis, of in hoever de mens de hand had in alles wat er gebeurd is. Natuurlijk, de Joodse traditie drukt er voortdurend de nadruk op dat de mens verantwoordelijk is voor de consequenties van zijn daden, maar het Pesach-verhaal opereert op een ander niveau. Het is de triomf van G-d als de Heerser van de Geschiedenis die gevierd wordt.

In feite is de wisselwerking tussen G-ddelijke interventie en menselijk handelen een van de grote filosofische problemen, waar alle religieuze denkers mee geworsteld hebben. Tot in hoeverre is de mens verantwoorde­lijk en in hoeverre G-d? Deze vraag blijft fundamenteel onbeantwoord en behoort tot de mysteries van de menselijke geschiedenis.

Dit raakt ook nog een ander, even onoplosbaar probleem. Hoe zouden wij ooit kunnen weten wat de oorzaak is van een specifiek effect? En wanneer is iets de oorzaak en niet het resultaat van een eerder antecedent? Wan­neer wij het hebben over de Egyptische slavernij, kunnen wij dan werkelijk met zekerheid zeggen dat het juist de haat van de broers voor Joseef was, die de slavernij van de Joden veroorzaakte? Is het mogelijk om te be­weren dat als de broers Joseef niet verkocht hadden aan Egypte, dat de Israëlieten nooit in Egypte beland waren? Was het niet aan Awraham beloofd dat zijn kinderen slaven zouden zijn in een land dat het hunne niet was (Bereisjiet 15:13)? Was de Egyptische ervaring niet een nooddzakelijke voorwaarde om de Joden voor te bereiden op de ontvangst van de Tora? Was het niet een noodzakelijke component om van de Joden een spiritueel volk te maken en een „licht onder de volken”? Dus in hoeverre waren de broers wer­kelijk ver­antwoordelijk voor deze ballingschap en in hoeverre hadden zij vrijheid van handelen, toen zij besloten hun broer te verkopen?

Het is om deze reden dat de auteurs van de Hagada niet bereid waren om openlijk te wijzen naar de broers. Zij konden niets anders doen dan te zinspelen op dit feit, door ons te vertellen dat ergens, op de weg naar Egypte het dopen van een „karpas kledingstuk” in bloed een rol gespeeld heeft. Hoe groot die rol was, zullen wij nooit weten. Dat de karpas aan het begin van de Hagada gegeten wordt, is veelzeggend. Het maakt ons rechtstreeks gewaar dat achtergrond van wat werkelijk de oorzaak was van de Egyptische ballingschap altijd een geheim zal blijven voor ons. Dat is de alles-omvattende boodschap die dit ritueel ons wil overbrengen, vlak voor het begin van het verhaal. Het zal inderdaad vele vragen doen opwaaien, maar hoe briljant de antwoorden ook zullen zijn, wij blijven achter met de wetenschap dat op een hoger niveau, en ver voorbij menselijk begrip, het de hand van G-d is die de antwoorden heeft.

Op moreel niveau echter, is het verhaal duidelijk. Het was de haat van de broers die ons in ballingschap stuurde. Hoe onthullend dat het de liefde tussen twee broers, Mosjé en Aharon was, die in volkomen harmonie met elkaar leefden, die ons de verlossing bracht.