Index

GEBODEN  OF  VRIJHEID?

Door Rabbijn Shimon Apisdorf

De cyclus van de Joodse feestdagen toont aan dat zeven dagen nadat de Joden bevrijd waren uit de slavernij van Egypte, het Volk Israël aan de voet van de Berg Sinai stond.

Toen Mosjé voor Par’o van Egypte stond, zei hij: „G‑d heeft mij naar u toe gezonden om u te zeggen: ‘Laat Mijn volk gaan, zodat zij Mij kunnen dienen in de woestijn.’” En jawel, nauwelijks twee maanden nadat zij Egypte verlaten hadden kregen zij in de woestijn niet 10 maar 613 ge- en verboden, om precies te zijn: 248 geboden en 365 verboden – elk met honderden details over hoe, wanneer en waar ieder gebod uitgevoerd moest worden.

Dat was hun nieuw verworven vrijheid!

DE VORMING VAN GROOTHEID

Een jong muziekwonder treedt de heilige muziek­hallen binnen. Zij wordt onderworpen aan een gruwelijk regime van instructies en oefening, ge­volgd door meer instructies en meer oefening. Geleid door de erudite visie en vaste hand van de Maestro wordt de student zorgvuldig verder geleid in een proces dat door de meesters werd samen­gesteld. Het maakt alles deel uit van de zorgvuldige ontwikkeling van muzikaal talent en techniek. De discipline is uitputtend, de eisen zijn ontzag­wek­kend en aan de regels moet strikt te hand worden gehouden. En het doel van dit alles? „Vrijheid” – de gekoesterde vrijheid van de spontane expressie van het genie.

Het ongetrainde oog ziet alleen de inspanningsloze zijdegladde spontaniteit. Bij de voetbal-ster lijkt het allemaal zo makkelijk, dat kinderen denken dat zij alleen nog maar een paar voetbalschoenen nodig hebben en dan kunnen zij ook zo’n ballet met de bal opvoeren.

Genialiteit is een gave. Maar aan grootheid moet gewerkt worden. Al de door G-d gegeven talenten zullen nooit uit de wereld van het potentiëel te voorschijn komen wanneer zij niet in een harnas gestouwd worden, gemodelleerd, ont­wik­keld en geleid. Dat is precies de reden waarom meesters, docenten en voetbalcoaches onmisbare instrumenten van vrijheid zijn, hoewel het erop lijkt dat zij de ene eis aan de andere knopen. Zij ontsluiten potentiëel, bevrijden telenten en creëren de dynamiek die nodig is voor de expressie van een schijnbaar inspanningsloze spontaniteit, virtuositeit en creativiteit.

SPIRITUALITEIT EN SPONTANITEIT

In de ogen van Tora is iedere Jood een spiritueel wonderkind. Voor de Sjabbat-maaltijd op vrijdag­avond zegenen Joodse ouders hun zonen dat zij zullen zijn „als Efraïm en Menasje,” en zij zegenen hun dochters om te zijn „als Sara, Rivka, Rachel en Lea.”

Wanneer wij onze dochters zegenen om te zijn als Sara, bedoelen wij niet dat zij een tweede Sara zul­len worden, want er kan nimmer een andere Sara zijn. Maar wij bidden dat net als Sara’s leven een opmerkelijke uitdrukking was van het potentiëel van een vrouw, zo hopen wij dat de bestemming van al onze kinderen net zo zal zijn. Dat zij al hun inspan­ning zullen aanwenden om onder alle speciale om­standigheden van hun bestaan een verheven gedrag te tonen om daarmee het onvoorstelbare mogelijk te maken.

Wanneer een Jood op weg gaat om een confrontatie met het leven aan te gaan, dan is G-d zijn coach en de mitswot zijn discipline. Dit systeem van sprituele richtlijnen heeft het effect dat het tegelijkertijd be­perkt­ en de spontaniteit van de menselijke geest in de dans van het leven bevrijdt. Hoe gedetailleerd en verrijkend de mitswot ook zijn, wanneer zij worden afgezet tegen de matrix van het leven dan worden zij omgegoten in onmisbare seinposten die onze intuïti­tie scherpen als zij de richting aangeven waarin wij moeten gaan en groeien.

RECHT EN GOED

De Tora zegt: „Wees zorgvuldig bij het naleven van de mitswot van Hasjem en Zijn verordeningen en wetten, zoals Hij je die geboden heeft. Doe wat recht en goed is in de ogen van G-d.”

Er zit een verbazingwekkende kant aan deze aansporing om de geboden van Tora zorgvuldig na tekomen. Hoe is het mogelijk dat nadat ons verteld wordt om „zorgvuldig te zijn bij het naleven van de mitswot,” er nog ruimte over is om te zeggen: „Doe wat recht en goed is?” Zijn de kwaliteiten van rechtvaardigheid en goedheid niet essentiëel voor de naleving van mitswot? Is een mitswa nog steeds te identificeren als een mitswa wanneer hij vals en corrupt is?

Tora zinspeelt op het feit dat zelfs al heeft men de naleving van de 613 mitswot op zich genomen, er nog een heleboel in het leven overblijft, waaraan nog geen aandacht besteed is. In al die gevallen – of zij nu betrekking hebben op de persoonlijke, beroeps­matige, godsdienstige of andere relaties tussen men­sen onderling – zegt de Tora dat de verantwoordelijkheid om een leven te leiden dat gevormd wordt door gerech­tigheid en goedheid duidelijk aan ons is opgedragen.

George Bernard Shaw zei eens: „Alleen op papier heeft de mensheid glorie, schoonehid, waarachtig­heid, kennis, rechtschapenheid en duurzame liefde be­reikt.” De mitswot zijn voor het karakter wat etudes van Chopin voor piano zijn: zij bewerk­stelligen dat verfijnde technische scholing zich ver­mengt met muzikale harmonie; de mitswot werken als een levend medium waardoor onze latent aanwe­zige capaciteiten voor de groei worden omge­zet van papieren potentiëel in de harde werkelijk­heid van het dagelijkse leven.

De acceptatie van Tora door het Joodse volk op de Berg Sinai was geen omvergooiing van de vrijheid die met de Exodus bereikt was. Dit waren geen slaven die het ene hopeloze juk vervingen door het andere. Dit was een volk dat heel goed begreep dat on­ge­remd potentiëel een verspild potentiëel is… dat een ongeleid leven een achteloos vergokt leven is… en dat een verwerping van uitgedachte regels en disciplines een open uitnodiging vormen, niet tot menselijke vrijheid, maar tot een wilde anarchie.

Zoals Johannes Brahms zei: „Zonder vakmanschap is inspiratie niets anders dan een riet dat wuift in de wind.”

(Uit de „Passover Survival Kit Haggadah” www.leviathanpress.com.

Vertaald van: http://www.aish.com/holidays/passover/articles)