Poeriem-index

Duisternis voor de Dageraad

Door Dina Coopersmith

Poeriem leert ons hoe in G-d te vertrouwen wanneer wij overspoeld worden door duisternis en twijfel

In het Poeriemverhaal, wanneer de gebeurtenissen hun uiteindelijke hoogtepunt lijken te krijgen, als Ester Koning Achasjverosj benadert om hem te smeken haar volk te sparen, gebeurt er iets vreemds. Ester nodigt de koning en Haman uit voor een party en op die party nodigt zij hen uit voor nog een party. Pas op het tweede feestje wijst zij Haman aan als de schurk die op het punt staat haar volk te vernietigen, waarmee zij een ommekeer in de gebeurtenissen bewerkstelligt.

Waarom spuit Ester haar aanklacht niet bij de eerste gelegenheid? Dan is alles voorbij! Waarom moest zij hen nog eens uitnodigen voor een partijtje en de kwellende onzekerheid van de toekomst van haar volk nog verlengen?

Ester was een slimme dame. Ze moet een strategie in gedachte hebben gehad.

Waar vinden we een aanwijzing voor Ester in de Tora? En Ik zal op die dag Mijn aangezicht zeker verbergen (haster astier)” (Deut. 31:18)

(Talmoed Choelien 139b)

De naam Ester komt van de stam hester – verborgenheid. De Rol van Ester staat bekend wegens de volkomen verborgenheid van G-ds aanwezigheid: Zijn Naam wordt nergens in het verhaal genoemd.

Wanneer men het verhaal leest, is het voor de hand liggend dat, hoewel oppervlakkig bezien de gebeur­tenissen tamelijk toevallig lijken, Mordechai en Ester al die tijd wisten dat er een wonder moest gebeuren en dat G-d de hele tijd achter de schermen aanwezig was en de gebeurtenissen tot een schitterende symfonie van oorzaak en gevolg componeerde.

Maar bij een nadere studie komt een andere indruk boven. Zelfs Ester en Mordechai konden G-ds aanwezigheid niet zien, verborgen in de duisternis van de gebeurtenissen. Zij werden overstroomd door een afschuwelijk gevoel van angst en verwarring gedurende het hele verhaal, waarbij zij een afstand voelden tot G‑d, die hen nimmer volledig verliet.

En iedere dag liep Mordechai heen en weer voor de binnenplaats van het vrouwenhuis (Ester 2:11).

Mordechai was een van de vier rechtvaardige mensen aan wie een aanwijzing was gegeven voor de dingen die zouden komen: Hij zei: „Kan het zijn dat deze rechtvaardige vrouw zou trouwen met een onbesneden man? Het moet zo zijn dat Israël door een grote catastrofe zal worden getroffen maar dat het door haar wordt gered.”

(Tora Temima, Ester 2:11)

De enige aanwijzing die Mordechai had was de wetenschap dat als zijn rechtschapen, zuivere nicht de veront-reinigende ervaring moest meemaken om een jaar in een harem te leven, om uiteindelijk te trouwen met een hedonistische, slechte Perzische koning, dat zoiets vreselijks als dit een betekenis moest hebben. Dit versluierde gevoel van een betekenis is de enige aanwijzing die hij krijgt. Geen profetie, alleen maar een hint.

Ester had zelfs het voordeel van die hint niet.

Wanhoop en twijfel

Wanneer Mordechai Ester vraagt om Achasjverosj te benaderen en hem te smeken  om het afschuwelijke decreet van Haman te herroepen, is zij in het geheel niet overtuigd van de goede afloop van het plan. Ester voelt G-ds steun niet. Zij voelt zeker G-ds directe voorzienigheid gedurende deze gebeurtenissen niet. Norma­liter wordt iemand, die de koning onge­vraagd benadert, gedood. Hoe kan ze in vredesnaam onge­vraagd bij hem binnen­komen?

En ik ben de afgelopen dertig dagen niet bij de koning geroepen. (Ester 4:11)

Volgens de Zohar (3:109) wordt iedere keer, als in de Megilla de koning” genoemd wordt, zonder de naam Achasjverosj, daarmee de Koning der koningen bedoeld, i.e. G-d.

Dus Ester was al dertig dagen niet door G-d geroepen – ondanks dat zij een profetes was, had zij gedurende vele dagen niet de ervaring gehad van de nabijheid van de Sjechina [de G-ddelijke aanwezigheid]. Zij voelde de steun van G-d in dit plan niet, ze voelde de juistheid ervan niet. Dat is de oorzaak van haar aarzeling.

Mordechai was echter positief dat G-d Zijn volk niet in de steek zou laten. Terwijl Ester overspoeld werd door duisternis en twijfel, was Mordechai er zeker van dat zijn benadering de enige juiste was:

Wanneer je stil blijft, zal er geen redding en velossing voor het Joodse volk zijn op een andere manier en dan zullen jij en de familie van je vader verloren zijn… (Ester 4:14).

G-d zal Zijn kinderen redden, wat er ook gebeurt. Zelfs al hebben ze dat niet verdiend. In het aangezicht van deze wanhoop, is alles wat we kunnen doen vertrouwen hebben in G-d en dan Zal Hij het Zijne doen, als een direct gevolg van ons vertrouwen in Hem. Mordechai leerde Ester een nieuwe manier van denken – een manier van denken voor tijden van duisternis. Net zoals toen het Joodse Volk, dat zojuist Egypte verlaten had, op weg was naar de zee met de Egyptenaren pal achter hen, en G-d tegen Mosjé zei: Zeg hen dat zij voort gaan! Wat jammer je tegen Mij?” G-d leerde hen deze lessen voor alle eeuwigheid. Wanneer je gecon­fronteerd wordt met een schijnbaar onoverkoombare crisis – jammer of bidt dan niet, maar doe wat – verwacht van Mij dat Ik reageer, loop de zee in met volkomen vertrouwen in Mij – en wanneer Ik deze soort vertrouwen zie, dan zal Ik overeenkomstig handelen en dan zal Ik je redden.

Ester was een schrandere leerling. Zij voelde zich nog steeds erg ver van Hasjem verwijderd:

Toen Ester naar Achasjverosj ging, voelde zij een accuut verlies van de Sjechina. Ze zei: Mijn G-d, mijn G-d, waarom heeft u mij verlaten?” (Talmoed, Megilla 15b)

Maar op intellectueel niveau had zij wel een aanwijzing gekregen: handel alsof je zeker bent van redding. Ga en verwacht een wonder – risceer je leven voor het Joodse Volk. Vertrouwen is de sleutel.

Ester ging verder dan Mordechai in haar begrip van de ijzingwekkende situatie waarin zij zich bevonden en van hoever het Joodse Volk verwijderd was van een herstel van het verkeerde wat zij gedaan hadden. Ze realiseerde zich dat zij een plan moest maken dat het vertrouwen van het hele Joodse Volk zou versterken. Het zou niet genoeg zijn wanneer zij naar Achasjverosj zou gaan, terwijl het volk zou verwachten dat het alleen dankzij haar verdiensten gered werd.

Esters plan

Ga alle Joden verzamelen en vast voor mij: eet en drink niet gedurende drie dagen en nachten … en dan zal ik naar de koning gaan; en als ik verloren ben, dan ben ik verloren. (Ester 4:16)

Het Joodse Volk vastte en bad tot G-d drie dagen, maar Ester wist dat diep van binnen zij nog steeds het nodige vertrouwen in G-d misten:

Wat was Esters reden, dat zij Haman uitnodigde (voor het feestmaal)? Rabbi Jehoedas zei: ze nodigde Haman uit, opdat de Joden niet zouden zeggen:: We hebben een zuster in het paleis die voor ons zal spreken,” en daardoor zouden zij het nalaten om tot G-d te bidden en om genade te vragen. (Talmoed Megilla 15b).

Ester besloot haar Joodse broeders de indruk te geven en de schok daarvan, dat zij samenspande met de vijand!

Stel je de vernietigende teleurstelling voor, wanneer na drie dagen vasten en bidden voor hun zuster in het paleis”, opdat die het decreet zo kunnen laten intrekken, zou blijken dat zij Haman op haar feestje had uitgenodig, samen met de koning, en dat daar niets anders bereikt was dan dat er een ander feest gepland werd. Koningin Ester had het op een akkoord gegooid met hun aartsvijand!

Het resultaat van de daaruit ontstane paniek zou een verlies aan vertrouwen zijn in hun laatste afgezant en redder en zou hen doen realiseren dat er niets anders voor hen overbleef, dan volledig en zonder gebreken op G-d te vertrouwen.

Dit was het ingenieuze plan van Ester. Op het eerste feest was de tijd nog niet rijp voor de verlossing, het volk verdiende nog niet de ommekeer. Zij moesten eerst in een staat van paniek geraken en dan effectief bidden. Alleen die nacht, toen Achasjverosj heen en weer draaide in zijn bed en Haman opgewekt Mordechai’s ondergang voorbereidde, bereikte het gejammer van het Joodse volk een hoogtepunt en drong het door tot in de Hemel. Het getij begon eindelijk te keren.

De volgende ochtend, na te hebben gehoord van Mordechai’s verheffing in status en zijn rit door de stad, geleid door Haman, voelde Ester zich vertrouwd dat ze gedaan hadden wat ze konden en dat de schalen van de spirituele balans waren omgeslagen in haar voordeel en dat nu haar missie zou kunnen slagen.

Ester in duisternis tot het einde

Voor Ester was er een duidelijk gevoel dat G-d niet aanwezig was. Haar persoonlijke tragedie komt niet volledig tot een happy end. Haar offer is evident en is duidelijk ten behoeve van het Joodse Volk gemaakt:

En wanneer ik verloren ben, dan ben ik verloren – voor deze wereld en de Komende Wereld (Rasji).

De Talmoed (Megilla 15a) vertelt ons dat door vrijwillig naar Achasjverosj te gaan en de smeken voor haar volk, Ester een vrijwillige keuze maakte om gemeenschap met hem te hebben en als gevolg daarvan zou zij, volgens de Joodse wet, zich fysiek en spiritueel aan een niet-Joodse, slechte man overgeven. Er was voor haar daarna geen hoop meer om ooit nog terug te keren naar een normaal Joods leven, een geheiligd huwelijk (want volgens de Mondelinge Traditie was Ester getrouwd met Mordechai). Want na zich vrijwillig aan een ander man te hebben gegeven, mag een vrouw niet meer terugkeren naar haar vroegere echtgenoot.

Voor een jood is het gevoel om te zijn verworpen door G-d, het moeilijkste om te verdragen, zelfs als men intellectueel weet dat Hij er is en dat de enige keuze is om zo te handelen. En toch, risceerde Ester doelbewust haar leven, en legde ze haar vertrouwen in de Almachtige en bracht tegelijkertijd het berouw en inkeer en ten gevolge daarvan de redding van heel haar volk.

En bij de Joden was licht en vreugde en blijdschap en eer. (Ester 8:16)

De les die Ester ons leerde weerklinkt door tot in eeuwigheid:

Alle boeken van de Profeten en de heilige geschriften zullen ophouden (te worden gelezen) in de Messiaanse tijd, met uitzondering van het Boek Ester. Het zal blijven bestaan, net zoals de Vijf Boeken van de Tora en de Mondelinge Leer, die nooit zullen ophouden te bestaan.” (Rambam, Hil. Megilla 2:18)

Wat is de les in dit boek, welke nimmer zijn relevantie zal verliezen, zelfs als alle ellende van het Joodse volk in de herinnering zal vervagen?

Rabbi Jitschak Hutner verklaart dit in zijn boek Pachad Jitschak met een schitterende metafoor: Er zijn twee manieren waarop men zijn vriend in het donker kan herkennen. Eén manier is om een zaklantaarn te gebrui­ken. De andere is om de vriend goed te leren kennen, door andere zintuigen te gebruiken, waarmee hij te her­kennen is. Wanneer de zon opkomt, zal men de zaklantaarn niet meer nodig hebben en die weggooien. Maar degene die zich getraind heeft om zijn zintuigen te gebruiken om zijn vriend te leren kennen, die verkrijgt een dieper inzicht en begrip van zijn vriend en de relatie zal ten gevolge daarvan onvermijdelijk zelfs bij daglicht verbeterd worden.

Zo hebben ook wij – het Joodse Volk duizende jaren gespendeerd in een poging om G-d te herkennen. De Uittocht uit Egypte was een zaklantaarn – de Tien Plagen en de wonderlijke gebeurtenissen die daarop volgden leerden het Joodse Volk onschatbare lessen over hun Koning. En toch, wanneer de zon opkomt en de Masjiach komt, zal de openbaring en de helderheid zo sterk zijn, dat alle feestdagen en geschriften die deze gebeurtenissen gedenken, in vergelijking daarmee vervagen.

Poeriem daarentegen was een verhaal waarin geen licht werd ontstoken. De helden van dat uur en het volk als geheel moesten rondtasten en struikelen in de eindenloze duisternis en ze moesten zichzelf intussen langzaam en aarzelend trainen in een nieuwe benadering van hun relatie tot G-d.

Vertrouwen hebben in G-d als liefhebbende vader, tegen alle verwachtingen en afschuwelijke decreten in en ondanks een volk dat dit niet verdient en ondanks een schijnbare volkomen afwezigheid van iedere G‑ddelijke aanwezigheid, dat vereist training van zulk een grote afmeting dat dit voor altijd in het bewustzijn van ons volk blijft rusten. En het zal ons ten dienste staan, zelfs tegen de tijd dat de dageraad aanbreekt en historie zijn uiteindelijke schijnende bestemming krijgt.

Alle feestdagen zullen ophouden, behalve Poeriem, zoals er geschreven staat: En het aandenken eraan zal niet stoppen bij hun nakomelingen” (Ester 9:28) (Midrasj Jalkoet Sjim’oni, Misjlei 9).

Dit artikel is ook te vinden (in het Engels) op: http://www.aish.com/purimthemes/purimthemesdefault/Darkness_Before_the_Dawn.asp