Haman, erfgenaam van Amalek

Door Rabbi Shraga Simmons, Jesjiwa Aish HaTorah

Amalek, het volk dat het kwaad personificeerde, beweerde dat G-d niet aanwezig is in deze wereld en dat alles slechts bij toeval gebeurt

„Denk eraan wat Amalek je heeft aangedaan toen je op weg was bij je vertrek uit Egypte. Hoe hij je getroffen heeft en de zwakken in je achterhoede aanviel, terwijl jij afgemat en vermoeid was en G‑d niet vreesde” (Dewariem 25:17-18).

Hasjem zei tegen Mosjé: „Schrijf dit ter herinnering in een boek…, dat Ik de naam van ‘Amalek onder de hemel volkomen zal uitroeien.”

Jaäkov en Esav

Geen enkele keer per jaar is de Synagoge zo wild als bij het lezen van Megillat Esther: iedere keer wanneer de naam van Haman gelezen wordt, barst de gemeente uit in een oorverdovend lawaai van ratels, klapper­pistooltjes en sirenes. Sommigen schrijven Hamans naam op de zolen van hun schoenen en vegen dat uit,  anderen schrijven zijn naam in was en smelten dat!

Wie was Haman en vanwaar die obsessie om zijn naam uit te wissen?

Om dat te begrijpen moeten wij teruggaan naar de tijd van Jaäkov onze voorvader. Jaäkov had een twee­lingbroer Esav, die een levenslange rivaal was – zo erg, dat Esav zijn hele leven getracht heeft om Jaäkov te doden (zie Bereisjiet 27:41).

De Midrasj zegt dat toen Esav oud was geworden, hij zijn kleinzoon Amalek bij zich riep en zei: „Ik ben er niet in geslaagd om Jaäkov te doden. Nu vertrouw ik aan jouw en je nakomelingen de belangrijke opdracht toe om Jaäkovs nakomelingen, het Joodse volk te doden. Voer deze opdracht voor mij uit. Wees medogen­loos en toon geen genade.”

Trouw aan zijn missie heeft Amalek de hele geschiedenis door getracht de Joden te vernietigen. Bijvoorbeeld in Sjemot 17:6 viel Amalek de Joden aan uit pure haat – Amalek leefde in een veraf gelegen land en werd niet door de Joden bedreigd.

Maar wat heeft Amalek te maken met Poeriem? De Rol van Esther (3:1) identificeert Haman als een afstam­meling van Agag, de koning van Amalek, die door koning Sjaoel in leven werd gelaten. Hamans behoefte om het Joodse volk uit te roeien was een uitdrukking van een lang bestaande nationale traditie.

Toeval tegenover plan

Het conflict ligt echter veel dieper dan alleen maar een „broedertwist.” Filosofisch gezien staan Amalek en het Joodse volk diametraal tegenover elkaar aan weerskanten van het spectrum.

De Talmoed vraagt: Wat is de betekenis van „hoe hij [Amalek] je getroffen (karcha) heeft…” (Dew. 25:18)? Het Hebreeuwse woord karcha betekent letterlijk ‘toeval’. De hele filosofie van Amalek is dat er geen G‑dde­lijk plan of voorzienigheid bestaat in de wereld. Alles gebeurt bij toeval, gedicteerd door kans, geluk en lot. Daarom eindigt het vers met „… en G‑d niet vreesde” Amalek erkende G-d niet.

Aan de andere kant, Jaäkov en zijn nakomelingen de Joden vertegenwoordigen geweten en moraal. De wereld heeft een doel en betekenis en ieder individu is geschapen naar het evenbeeld van G-d. Vanuit deze basis hebben de Joden in de wereld het begrip monotheïsme geïntroduceerd, gelijkheid voor alle mensen en universele opvoeding. Dit is de essentie van wat de profeet beschrijft  als „een licht te zijn voor de volken” (Jesjajahoe 42:6).

Terwijl Jaäkov gelooft dat de wereld geleid en bestuurd wordt door G-d en dat er een absolute standaard van moraal is, gelooft Esav dat het leven een kansspel is en dat moraal daarom subjectief is. Esav’s haat voor de bood­­schap van moraal vormt in feite de basis van het antisemitisme. Net zoals de Joden staan voor het principe van zorg voor de kwetsbaren en zwakken, zo is Amalek het tegenovergestelde – „…hoe hij de zwakken in je achterhoede aanviel, terwijl jij afgemat en vermoeid was…” (ibid).

Het effect van de vijand

De Talmoed vertelt nog een andere benadering van het woord karcha in bovengenoemd vers. Het Hebreeuw­se woord karcha is ook verwand met het word kar, dat ‘koud’ betekent. Dat wil zeggen: Amalek koelde de Joden af. Toen de Joden uit Egypte kwamen, na de tien plagen en de spitsing van de Rietzee, waren alle volken dodelijk bevreesd voor de G-d van de Joden en niemand durfde hen aan te vallen. Maar de Amalekieten kwamen, voerden strijd en, hoewel zij militair werden verslagen, plaveiden zij niettemin de weg voor anderen.

Ter vergelijking: alsof het Joodse volk een kokend bad was, waar niemand in durfte. Dan komt er een vreemdeling langs en die springt erin. Hoewel hij zich lelijk verbrandt, koelt hij het bad af (kar) voor anderen om hem in het bad te volgen.

Waarom dan moeten wij Haman ‘wegratelen’ en ‘wegknallen’? Omdat wij onze vijanden moeten herkennen en tegen hen blijven vechten. Niet omdat wij zo van oorlog houden, maar omdat het onder andere tot de taak van een „goed mens” behoort om het kwaad te bestrijden.

Er zijn kwaadaardige mensen die actief bezig zijn om G-d bewust uit deze wereld te verwijderen. Ken je vijand en vecht ertegen. „Wis de herinnering aan Amalek uit vanonder de hemel” (Sjemot17:14).

Rabbi Shimon Apisdorf schrijft:

De ratel in de hand van een kind op Poeriem herinnert ons eraan hoe wij op het kwaad moeten reageren. Het moet, net als Amalek, worden uitgewist. Niet door er een etiket „ziek” op te plakken en het psycho­analitisch naar de vergetelheid te verbannen, maar door het te noemen wat het is – slecht – en het even medogenloos te behandelen als het ons zou behandelen.

Amalek vandaag

In onze tijd kunnen wij de draagwijdte van Amaleks eroderende invloed afmeten aan ons eigen niveau van ons geloof in G-d. Amaleks filosofie van toeval is zover gekomen dat vele Joden twijfels hebben gekregen over het bestaan van G-d. Zijn filosofie is een deel van ons geworden. Eén van Amaleks strijd-taktieken is twijfel te zaaien over G-ds aanwezigheid, in een poging om het Joodse volk te verwarren en uiteindelijk te vernietigen. De numerieke waarde van het woord Amalek in het Hebreeuws is 240, dezelfde als die van het Hebreeuwse woord voor ‘twijfel’ – safek.

Maar wat is er eigenlijk zo verraderlijk aan een wereld zonder G-d?

Dat is eenvoudig, zegt de Talmoed: wanneer Tora, de bron van de universele waarheid, zou worden uitge­wist, dan zou de wereld terugkeren tot de leegte van de Schepping. Want de mensheid kan eenvoudig niet overleven zonder duidelijke morele richtlijnen. De moraal houdt de beschaving overeind; de afwezigheid daarvan leidt tot chaos.

Jodendom ontkent niet het bestaan van individuen met de meest extreme afwijkingen, maar het is ervan overtuigd dat men niet „ziek” hoeft te zijn om de meest brutale en afgrijselijke misdaden te begaan. Adolf Hitler, Adolf Eichman en de duizende artsen, professoren, boeren, onderwijzers, kappers, receptionisten, handelaren, technici, ondernemers en secretaressen die zeep, lampekappen en stoffering voor jassen maakten, waren niet ziek! Zij waren alleen maar gewoon slecht. Door moraal naast zich neer te leggen werden zij in staat om genocide als „edel en goed” te rationaliseren. Het is daarom niet te verbazen dat de Talmoed (Megilla 6b) een volk dat het „Germania” noemt, als de afstammelingen van Amalek identificeerd!

De wortels van het antisemitisme

De Tora zegt: „Amalek bestreed Israël in [een plaats genaamd] Refidiem” (Sjemot 17:8). De Midrasj ver­klaart dat de naam ‘Refidiem’ een samentrekking is van Hebreeuwse woorden die betekenen: ‘zij hebben hun greep op Tora verloren.’ Zolang de Joden zich vlijtig bezighielden met Tora-studie, had Amalek geen vat op hen. Maar zodra de Joden laks werden in hun Joodse studies, werd Amalek een gevaar.

Bij de beschrijving van de strijd met Amalek, zegt Tora: „Als Mosjé zijn handen ophief, was Israël sterker. En als Mosjé zijn handen liet zakken, dan was Amalek sterker” (Sjemot 17:11). Het opheffen van Mosjé’s han­den symboliseert het opheffen van de ogen van Israël hemelwaarts, zich verplichtend tot G-d en Tora. „Als Mosjé zijn handen liet zakken…” dat wil zeggen, wanneer het Joodse volk een seculiere levenshouding aanneemt, dan verliezen wij. Zich afwenden van G-d betekent automatisch dat Amalek omhoog komt, en omgekeerd.

De enige manier om Amaleks invloed tegen te gaan is eenvoudig: versterken van Tora. We kunnen niet nonchalant worden. Want zoals het vers zegt: „De strijd tegen Amalek is in iedere generatie” (Sjemot 17:16). G-ds aanwezigheid zal niet compleet zijn in deze wereld totdat de naam van Amalek volledig is uitgewist.

Dus dit jaar met Poeriem, wanner je de naam van Haman hoort, laat je ratel horen, huil als een wolf – en verplicht jezelf om Tora te leren, als een manier om de afschuwelijke Amalekieten therorie te bestrijden.

Met toestemming overgenomen van www.aish.com