Index Rosj Hasjana

WIJ STAAN VERENIGD

Met de nadering van Rosj Hasjana worden wij geconfronteerd met een schijnbare paradox. Aan de ene kant zijn dit de Ontzagwekkende Dagen, de dagen van de Rechtspraak, waarop de Boeken van Leven en Dood liggen opengeslagen, en het lot van alle schepselen wordt beslist. Daarom, zegt de Gemara (Rosj Hasjana 32b), zeggen wij geen Hallel op Rosj Hasjana. Daarentegen citeert de Toer (O.Ch. 581) een Midrasj die zegt dat het Joodse volk zijn haar laat knippen, zich in het wit kleedt, eet en drinkt en blij is op Rosj Hasjana, „omdat zij weten dat G-d dan een wonder zal verrichten voor hen!”

Waarom zeggen we dan geen Hallel?

Ons antwoord is dat er een verschil bestaat tussen ieder individu en het Joodse Volk als een geheel. Hoewel de uitkomst van de rechtspraak voor ieder individu in de lucht blijft hangen, is de uitkomst voor het Joodse Volk als een geheel zeker. Zelfs in de donkerste perioden van de Joodse geschiedenis was Israël verzekerd dat het zou overleven en blijven bestaan. Zij kunnen de dag vol vertrouwen tegemoet zien, dat als een geheel, Israël zal gere­habiliteerd worden bij de rechtspraak en zal worden ingeschre­ven voor het leven. Bovendien, de Midrasj Tanchoe­ma (Sjoftiem 18) leert dat wanneer Israël zich verenigt tot één groep, zelfs al is er afgoderij onder hen, de eigenschap van de strikte rechtspraak hen niet zal beroeren.

Dit onderscheid draagt belangrijke gevolgen met zich mee voor onze voorbereiding tot Rosj Hasjana en in zijn tefillot. Hoe meer wij ons verenigen, delen en ons associëren met de klal – het geheel van Israël – des te meer worden wij afgeschermd van de volle kracht van de rechtspraak.

Nog pas afgelopen Sjabbat lazen wij hoe wij verenigd stonden voor Hasjem: „Vandaag staan jullie, jullie allemaal, voor Hasjem jullie G-d… (Dewariem 29:9).

Jullie staan – daar Israël overging van de ene leider naar de volgende, van Mosjé naar Jehosjoea, liet hij hen een matseiwa maken [een staande vergadering] ten einde hen enthousiast te maken. Dat deed Jehosjoea en dat deed ook Sjmoeël, zoals het vers zegt: En nu, sta stil… (I Sjmoeël 12:7).

Wat is de functie van deze matseiwa? Laat ons eens kijken naar een andere raadselachtige Chazal: „G-d vergeleek Jisraël met engelen. Over de engelen staat er geschreven (Jesjajahoe 6:2): Serafiem stonden boven Hem…, en over Israël staat er: Jullie staan vandaag… (Sjemot Rabba 15:6).

Wat is de betekenis van deze vergelijking? Wat kan de Midrasj hiermee bedoelen?

Erets Jisraël is het land dat G-d aan de klal Jisraël gegeven heeft. Het is het stevig gewortelde domein en recht van het volk, niet van een individuele Jood. Chazal zeggen ons dan ook: „De verovering [van een stukje land voor Israël] door een enkeling heeft niet de status van een verovering” (Gittin 47a).

We zouden kunnen veronderstellen dat de reden hiervan is dat de eenheid van Erets Jisraël de kracht is die het volk verenigt. De wetten van wederkerige verantwoordelijkheid, die een verenigd volk verei­sen, konden alleen operatief worden nadat zij de Jor­daan waren overgestoken en het land waren binnen­getrokken. Dus opdat het zijn speciale werking zou hebben moest de verovering van het land door de klal geschieden, die op hun beurt bij die verovering verenigd waren tot één volk.

Dit verklaart ook de gebeurtenissen bij Ai. Wegens de zonde van Achan, die zichzelf hielp aan verboden oorlogsbuit, werden de Israëlieten verjaagd en leden zij een gevoelige nederlaag. Nadat Achan zijn zonde had opgebiecht en bekend had: „Ik heb gezondigd tegen Hasjem, de G-d van Israël, zo en zo heb ik gedaan” (Jehosjoea 8:1).

Rasji: Zo en zo: hij nam ook van verboden oorlogsbuit in de tijd van Mosjé.

Waarom werd Achan, en ja eigenlijk niet heel Israël, gestraft voor deze eerste zonde?

Het antwoord is eenvoudig: zoals wij hierboven al opmerkten, bestond er geen wederzijdse verant­woor­­de­lijk­heid in klal Jisraël voordat zij de Jordaan overstaken, en dus was alleen Achan zelf verant­woordelijk voor zijn misdaad. Maar in de tijd van Jehosjoea, nadat zij de Jordaan waren overgestoken en gezamelijk het land veroverden, droeg het hele volk verantwoordelijkheid voor elkaar en dus ook voor de misdaad van Achan en daarom faalde het hele volk bij zijn missie tegen Ai door de overtre­ding van die ene man.

Kennelijk is het succes van Israël bij hun oorlogen tegen hun vijanden afhankelijk van hun onderlinge eenheid als een volk. Dit speciale succes houdt ver­band met de mate waarin zij de Tselem Elokiem [het evenbeeld van G-d] personificeren. Dit kan alleen rusten op een compleet volk, dat zich in alle opzich­ten geperfectioneerd heeft, want G-d Zelf is perfect en op Hem lijken betekent dus ook perfectionering. Dit wordt bereikt door de inachtneming van alle 613 ge- en verboden. Dat kan één enkel mens niet volbrengen, want sommige geboden zijn bijvoor­beeld alleen voor kohaniem en andere uitsluitend voor de koning. Sommige zijn alleen relevant als er een Beit Hamikdasj is en andere zijn van bepaalde omstandigheden afhankelijk. Dus de enige manier waarop de Tselem Elokiem op de Klal Jisraël kan rusten, is wanneer het volk één geheel is, één enkele entiteit, als één individu. In de loop van vele gene­raties zullen alle mitswot opgevolgd worden, waar­mee de spirituele zijde van Klal Jisraël compleet wordt. En dan zullen zij hun vijanden overwinnen.

Dit helpt ons ook het verbond te begrijpen dat Mosjé sloot in Sidra Nitsaviem:

Jullie staan hier vandaag, jullie allen, voor Hasjem jullie G-d: de hoofden van jullie stammen, jullie ouder­lingen en jullie officieren, iedere man van Israël. Jullie kinderen, jullie vrouwen en de vreemdeling in je kampement, van de houthakker tot de water­dra­ger. Opdat jullie zullen toetreden tot de brit [het ver­bond] met de Eeuwige, jullie G-d en tot Zijn eed, dat Hasjem jullie G-d heden met jou sluit (Dew. 29:9-11).

Deze brit was de vestiging van de eenheid tussen alle sectoren van de Joodse samenleving – mannen en vrouwen, aanzienlijken en eenvoudigen. Door dit verbond waren zij in staat Erets Jisraël te veroveren en te erven tot op de huidige dag.

En matseiwa is een enkele steen, terwijl een misbeach gemaakt is van verschillende stenen bij elkaar. Het altaar symboliseert de gezamelijke dienst aan Hasjem van de Klal Jisraël, zoals de verzameling stenen de verbondenheid van alle stammen vertegenwoordig­de; Klal Jisraël is een eenheid, opgebouwd uit on­der­delen. Een matseiwa daarentegen vertegenwoor­digt de dienst van de individu die voelt dat zijn dienst alleen acceptabel is zonder zich te verenigen met de andere leden van de natie. Daarom verbiedt G-d de constructie van een matseiwa [1], omdat het een volledig onjuist idee van Tora weergeeft en van gemeenschapsleven.

Hierboven noemden wij de vergelijking tussen de engelen en Klal Jisraël. Rasji merkt op dat de enge­len boven G-d stonden om Hem te dienen. Zij staan voortdurend klaar om hun sjlichoet [missie] te volbrengen. Dat is de hele reden van hun bestaan.

In dat licht kunnen wij de vergelijking van de Midrasj tussen engelen en Klal Jisraël begrijpen. Alleen wanneer zij verenigd stonden, zich uitsluitend wijdend aan het gehoorzamen van de G‑ddelijke opdrachten, konden zij beschreven wor­den als een klal en waren dan vergelijkbaar met engelen die gereedstonden om hun opdracht in ontvangst te nemen. Zij stonden, net als de engelen op die grote dag voor G-d, verenigd en gereed om Zijn geboden in ontvangst te nemen en te doen wat Hij gebood.

Voor een verenigd volk is een groot aantal fijne, veredelde individuen nodig. Die worden verenigd door een toegewijd leider. Mosjé sprak bovenstaan­de woorden tot het volk, toen hij zijn leiderschap overgaf aan Jehosjoea. De leider is de verenigende kracht voor het volk en het volk moet bereid zijn een eenheid te vormen om dit te bereiken. Maar de eenwording van individuen moet worden voorafge­gaan door een ontwikkeling van die individuen. Deze vereniging werkt, zoals wij reeds hebben op­gemerkt, alleen als wij gezamelijk staan als engelen, gretig de woorden en geboden van Hasjem afwach­tend, om die uit te voeren. Daarom liet Mosjé en volgende leiders hen staan, een matseiwa vormen.

Over een paar dagen is het Rosj Hasjana. Laten wij zoeken naar extra mogelijkheden om de klal te dienen, om de banden met elkaar te versterken en de eenheid en harmonie van het Joodse volk te be­vorderen. Alleen dan kunnen wij onze vijanden over­winnen, alleen dan heeft de brit – het eeuwen­oude verbond – betekenis.

Maar bovendien moeten wij onze gebeden niet op onze persoonlijke behoeften richten, maar ons con­cen­treren op de behoeften en noden van het Joodse volk als geheel. De Talmoed ridiculeert mensen die dawwenen op Rosj Hasjana en vragen voor hun eigen behoeften: die vragen om leven, om kinderen, om onderhoud. Echter, wij moeten bidden voor het welzijn van de Klal Jisraël. Zo ook schrijft de Gaon van Wilna in Sjenot Eliahoe (Misjna Berachot 5:1) dat we moeten bidden dat heel Israël perfectie zal bereiken.

Laten wij ons verenigen in gedachten en hande­lingen en dat wij, als deel van Klal Jisraël, mogen worden ingeschreven in het Boek van het Leven.

(Geïnspireerd door een derasja van Sjeem Misjmoeël en Rabbi Meïr Orlian, van Jesjivat Kerem BeJavneh)


 

[1] Zie Dewariem 16:22.