Index

Rationeel Geloof

Door Marshall Roth

Moet acceptatie van Tora meer gebaseerd zijn op bewijs of meer op geloof? Het antwoord: Het hangt er vanaf.

Jodendom heeft twee schijnbaar tegenstrijdige bronnen die een antwoord geven op een fundamentele vraag met betrekking tot Sjawoeot. Moet onze acceptatie van Tora gebaseerd zijn op blind vertrouwen of op een rationele intellectuele basis?

Bron nr. 1 – „Chovot Halevavot,” door Rabbeinoe Bacheja (Bechaje)[1]:

Moet men de joodse idealen accepteren op basis van de autoriteit  van de Tora-geleerden en uitsluitend vertrouwen op hun tradities?

In tegendeel! De Tora gebiedt je expliciet je intellect te gebruiken en na te denken over zulke onderwer­pen. Nadat je kennis verworven hebt door de methode van traditie, die al de wettelijke voorschriften omvat, moet je met je verstand onderzoeken, begrijpen en oordelen totdat de waarheid duidelijk voor je is en valse ideeën uitgewist zijn uit je gedachten, zoals er geschrevens staat: „Ken deze dag en neem het ter harte dat Hasjem G-d is” (Dewariem 4:39). Dit is een aansporing tot het gebruik van iedere rationele methode van onderzoek.

Bron nr. 2Midrasj Sifri, Dewariem 33:

Toen G-d de Tora aan de mensheid wilde geven, ging Hij eerst naar alle volken van de wereld en bood het hen aan. De een na de ander van de volken vroeg:Wat staat erin geschreven?

Tenslotte bood G-d de Tora aan het Joodse volk aan. Zij accepteerden het onmiddellijk, zonder vragen, zoals er staat geschreven in de Tora (Sjemot 24:7): Alles wat Hasjem heeft gezegd zullen wij doen en wij zullen het begrijpen.

Deze twee bronnen doen twee vragen opkomen:

1ste vraag: „Wij zullen het doen en wij zullen het begrijpen” klinkt niet erg logisch. Welk intelligent mens zal zich verplichten aan een systeem dat hij of zij niet kent of begrijpt? Hadden de Joden niet moeten zeggen: „Wij zullen het begrijpen en pas dan zullen wij het doen”?

2de vraag: Hoe kan de eerste bron zo duidelijk zeggen dat de acceptatie van Jodendom afhankelijk is van een intellectueel proces? Is dat niet in directe strijd met het bovengenoemde Tora-vers dat wij eerst zullen begrijpen en pas daarna zullen doen?

De absolute richtlijnen

Het antwoord is dat beide bronnen waar zijn maar dat zij het hebben over twee verschillende situaties.

Wanneer iemand naar een vertrouwde huisarts gaat, zal hij niet vragen wat de voorgeschreven behandeling betekent. Zo ook in de tijd, dat het Joodse volk voor de Berg Sinai stond, toen hadden zij reeds een vertrouwens­relatie met G-d opgebouwd. Zij waren persoonlijk getuige geweest van de Tien Plagen in Egypte, van de splitsing van de Rietzee en van het wonderbaarlijke Manna dat dagelijks uit de hemel kwam. Zij wisten heel duidelijk dat G-d de wereld bestuurt en dat Hij alleen het goede met ons voor heeft. Daarom, toen Hij de Joden een gids voor heel het leven aanbood, was er geen twijfel of zij dat zouden willen aannemen – wat er ook in zou staan.

In feite is de volgorde van „wij zullen het doen en zij zullen het begrijpen” de enige logische manier waarop het Joodse volk de Tora had kunnen aannemen. Wanneer zij gezegd zouden hebben: „Laten we het eerst eens lezen en zien wat erin staat, en daarna zullen wij wel beslissen of wij het willen accepteren of niet”, dan zouden zij net zoals de andere volken gereageerd hebben en de Tora in essentie verworpen hebben. Zij zouden daarmee gezegd hebben: „Wij willen alleen maar een systeem van morele richtlijnen accepteren dat comfortabel voor ons is.”

De betekenis van de rationle acceptatie

Gegeven deze uitleg, hoe moeten wij dan de nadruk begrijpen die Rabbeinoe Bacheja legt op de rationele acceptatie?

Hiertoe moeten wij begrijpen over welke periode wij het hebben. Voor de generatie van Mosjé, die een intieme persoonlijke relatie met G-d had en rechtstreeks G-ds kracht en Zijn liefde voor het Joodse volk had waargenomen, was het voor de hand liggend dat zij Tora op  het eerste gezicht zouden accepteren.

Chovot Halevavot” echter spreekt tegen toekomstige generaties. Hoe zouden wij, die deze fundamentele formatieve ervaringen van de originele generatie missen, verwacht worden ons tot Tora te verhouden?

Het antwoord is: met ons verstand. Wij moeten nadenken, onderzoeken en verklaren om onze verhouding tot Tora uit te zoeken.

De Rambam – Maimonides – noemt zijn eerste boek van zijn 14 delige Misjné Tora met het Sefer HaMada – het Boek van de Kennis, dat begint met de Hilchot jesodei haTora – De fundamentele wetten van Tora. Hierin noemt Rambam als eerste mitswa: „Te weten (ěĹéăÇň) dat er een G-d betaat,” dus niet „geloven” dat er een G-d bestaat. De algemeen geaccepteerde vertaling van Sefer HaMitswot (dat door de Rambam in het Arabisch geschreven werd) begint met: „De eerste mitswa is het gebod om in G-d te geloven.”

Veel latere geleerden hebben bezwaar gemaakt tegen deze definitie van het gebod. Bijvoorbeeld in Rosj Emoena stelt Rav Jitschak Abarbanel twee vragen:

1) Hoe kan het eerste gebod zijn dat men in G-d moet geloven? Hij is degene die de geboden gegeven heeft. Zonder geloof in Hem kan er geen concept zijn waarbinnen wij Hem dienen door Zijn wil te doen.

2) Hoe kan men bevelen om „te geloven”? Geloof is een geestestoestand en niet een handeling die afhankelijk is van iemands wil.

Door de stellen dat het gebod is om „te kennen” – d.w.z. dat men zijn kennis van G-d en zijn bewustzijn dat Hij bestaat moet ontwikkelen, worden beide vragen beantwoord: Hoewel iemand in G-d kan geloven, moet hij werken om dat geloof een deel van zichzelf te maken, het zich eigen maken, zodat het een deel wordt van zijn bewuste denkproces. Voorts is de intellectuele activiteit die nodig is voor dit proces van „zich eigen maken” een handeling die van iemand gevraagd kan worden.

Gegeven de veelheid van godsdiensten en „wegen die tot G-d leiden”, die om onze aandacht roepen (en dat gecombineerd met de menselijke neiging om genoegen te nemen met halve waarheden en comfortabele compro­missen op moeilijke vraagstukken), worden wij aangemoedigd om uitsluitend te vertrouwen op ons verstand om de waarheid van Tora te onderzoeken.

Echter, hoe belangrijk intellectuele kennis ook mag zijn –  Ken deze dag het moet gecombineerd worden met en neem het ter harte.

Een complete relatie met G-d heeft beide nodig: intellect en emotie. „Kennis van G-d zonder gevoelens” laat iemand achter, gespeend van innerlijke overtuiging. „Gevoelens zonder kennis” daarentegen is de basis voor iedere cultus, nationale ideologie en charismatische beweging in de historie.

Daarom zijn beide componenten – intellect en emotie – essentieel voor ieder onderzoek naar de waarheid en de verhouding met G-d.

Laat ons daarom deze Sjawoeot gebruiken om met ons intellect te onderzoeken, te graven in de diepten van G-d en Zijn Tora, opdat wij een niveau bereiken zullen van een oprecht en van ganser harte gemeend „wij zullen doen en begrijpen.”


[1] R. Bacheja (Bechaje) Ibn Pakuda (11de eeuw, Saragossa, Spanje) was een ethicus, filosoof en dichter. Zijn werk Chovot Halevavot – Verplichtingen van het hart – is een ethisch leerstuk van het Jodendom en geeft in een systematisch patroon de fundamentele geloofspunten daarvan weer. Dit klassieke werk wordt door velen beschouwd als een fundamenteel tekstboek van religieuze ideologie. R. Jisraël, de beroemde Maggid van Kotznitz zou later verklaren dat dit boek het fundament is waarop zijn geloof gebaseerd was, terwijl de Chatam Sofer zijn dagelijkse Talmoed-lessen steeds deed voorafgaan met een korte lezing uit dit werk.