Index

Wat staat er in Tora?

HaGaon Rav Moshe Feinstein zt”l

Chazal [onze Geleerden z”l] leren ons dat Hasjem de Tora aan alle volken van de wereld aanbood. Zij antwoord­den Hem met de vraag: „Wat staat er in geschreven?” Hasjem antwoordde: „Je zult niet moorden; Je zult niet stelen.” Waarop de volken antwoordden dat zij niet met dit soort geboden konden leven. (Sifrei, Parasjat WeZot Haberacha).

Het antwoord van de volken is zeer verbazingwekkend. Wij zien dat alle volken van de wereld zeer streng zijn als het gaat over het oordelen over misdaden zoals moord en diefstal. In feite is hun straf voor overtreders hiervan nog veel zwaarder dat die welke Tora oplegt. Zelfs een mogelijke moordenaar wordt zwaar gestraft, wanneer er bewijzen zijn die op zijn schuld wijzen, zelfs wanneer dat niet volledig bewezen is. Zij straffen zelfs wanneer de moord begaan is zonder dat de moordenaar vooraf  gewaarschuwd is. Er wordt zelfs gestraft wanneer de getuigen familieleden of minderjarigen zijn, die de Tora daarentegen nimmer als getuigen zou accepteren.

Ook met diefstal zijn de niet-Joodse volken strenger. Het kan gestraft worden met gevangenis of geseling of zelfs verminking (zoals in Arabische landen), terwijl Tora alleen financiële boetes oplegt. Bedin Tora wanneer de beschuldigde zijn overtreding bekent, wordt hij helemaal niet gestraft; hij moet alleen het gestolene teruggeven.

En het is duidelijk dat door de generaties heen de niet-Joden overtreders altijd gestraft hebben voor deze misda­den, zoals de misjna zegt: „Als er geen vrees voor de regering zou bestaan, zou ieder mens zijn naaste levend opeten (Avot 3:2).

Dus wij zien dat zij wel degelijk straffen voor diefstal en moord. Waarom weigerden zij dan de Tora te accepteren omdat het diefstal en moord verbiedt?

In tegenstelling tot de volken antwoordde Israël, toen het de Tora accepteerde: Na’asé wenisjma – we zullen het doen en we zullen het begrijpen. Zij vroegen niet naar de inhoud van de Tora. Maar zij vertrouwden op Hasjem Jitbarach. Waarom?

Klal Jisraël wandelde met Hasjem in zuiver en onwankelbaar vertrouwen, net als Awraham Avinoe: De Volken van de Wereld vinden het van nature onmogelijk om te handelen in zulk een blind en zuiver vertrouwen. Het is voor hen onmogelijk Tora te accepteren zonder eerst te vragen wat er in staat. En wanneer zij weten dat het moord en diefstal verbiedt, kunnen zij daar niet mee akkoord gaan, ondanks dat het misjpatiem – redelijke wetten – zijn.

Omdat zij de basiszekerheid missen die nodig is voor vertrouwen, hebben de niet-Joden een enorme neiging om te stelen en te moorden. Een ba’al bitachon – wie zekerheid heeft – weet dat hij krijgt wat voor hem bestemd is en dat er voor hem geen reden is om te stelen. Zo ook is geen enkel ander wezen een bedreiging voor hem, in welk opzicht dan ook, zolang dat niet door Hasjem Jitbarach zo is voorbestemd. Daarom heeft hij ook geen behoefte om iemand te vermoorden. Wie een dergelijke bitachon niet heeft, heeft een sterke neiging tot stelen en moorden.

Ondanks dat de hele wereld deze misdaden straft, kan men de manier waarop de volken van de wereld deze mis­daden bekijkt, niet vergelijken  met de manier waarop Tora ze beschouwt. De Tora verbiedt diefstal en moord als intrinsiek kwaad. Moord is een ernstige zonde omdat Hakadosj Baroech Hoe de ziel van een mens liefheeft. Daar­om, zelfs als men zich van zijn eigen leven beneemt, is men schuldig. (Zie traktaat Sanhedrin 74a en Rasji daar in de discussie over het niet vermoorden van een ander, zelfs als dat gaat ten koste van iemands eigen leven.) Zo ook is diefstal verboden, want de bezittingen van je naaste moeten je even dierbaar zijn als je eigen bezittingen.

Daarentegen zijn de misdaden als moord en diefstal volgens de benadering van de volken van de wereld niet verkeerd omdat zij ze intrinsiek slecht vinden. Het is voor hen meer een soort contractuele overeenkomst onderling: „Als ik steel, zullen anderen van mij stelen; wanneer ik moord, vermoorden anderen mij.”

Wij kunnen dit zien bij een dievenbende of een bende (beroeps-) moordenaars, die bij elkaar blijven om hun misdaden tegen anderen te begaan, maar zij stelen niet van elkaar. Zou men zulke rovers en moordenaars „eerlijke mensen” kunnen noemen? Zij roven, stelen en moorden de hele tijd. Maar deze misdadigers hebben geen andere keuze dan ten opzichte van elkaar „eerlijk” te zijn, want als zij dat niet zouden zijn, zouden zij gewoon elkaar bestelen en vermoorden. Nu zij geen andere keuze hebben, moeten zij er wel mee instemmen: steel niet van mij en dan zal ik niet van jou stelen; schiet mij niet dood, dan schiet ik niet op jou!

Dit is de benadering van de volken van de wereld: een soort contract. Iedereen is bang dat hij het slachtoffer wordt dus moet men wel een of ander systeem hebben dat zulke misdaad controleert. Dit verklaart ook waarom de door hen gegeven straf  zoveel zwaarder is dan toepasselijk is. Redelijkheid dicteert dat diefstal alleen gestraft moet worden met financiële boetes, midda kenegged midda – alles naar mate van de begane misdaad. En toch geven zij lijfstraffen voor diefstal. Dat is omdat zij niet straffen wegens de ernst of het intrinsieke kwaad van de misdaad. Zij straffen omdat zij bang zijn voor hun eigen veiligheid. Daarom geven zij een zware straf, opdat „iedereen het zal horen en het zal nalaten.”

Zo ook zullen zij de doodstraf uitspreken voor een kennelijke moord als het bewijs redelijk is, zelfs al zijn er valse beschuldigingen. Zij zijn niet bezorgd voor het leven van de dader of voor het slachtoffer. Zij zijn bezorgd voor hun eigen leven en daarom, zelfs in geval van twijfel, zullen zij straffen [want dat dient hun werkelijke belang].

Daarom, waar er geen vrees is voor een overheid – zoals regeringsfunctionarissen zelf – is moord, diefstal en corruptie allom aanwezig. Dit is het duidelijkste in de oorlogen die zij voeren en bij vergelijkbaar gedrag.

Tora verbiedt moord omdat het intrinsiek slecht is, want een ziel is iets kostbaars. Hetzelfde geldt voor stelen: de bezittingen van je naaste moeten voor jou net zo kostbaar zijn als je eigen bezittingen. Daarom worden degenen die Tora accepteren en dit begrijpen, niet verleidt om te moorden of te stelen en zij zullen dit soort misdaden niet doen, onder geen enkele omstandigheid.

Dit is de bedoeling van Chazal in de bovenstaande midrasj, als zij zeggen dat de volken van de wereld de Tora­verboden, zoals moord en diefstal niet konden accepteren. Dat soort mensen nemen deze issoeriem [verboden] alleen maar op zich als een contractuele verplichting ten opzichte van elkaar en dat soort verplichtingen zijn zonder betekenis.

(Uit een drasja voor de Chevrat Tehilliem op de tweede dag Sjawoeot, 5684-1924)