|
De Talmoed
vertelt dat als in de toekomst de heidenen tegen G-d zullen klagen
over Zijn voorkeursbehandeling van de Joden, Hij hun zal antwoorden
dat dit is omdat de Joden de Tora hebben geaccepteerd en gevolgd. Zij
waren niet zozeer het �uitgekozen volk�, maar meer het �volk dat
koos�: zei verkozen G-ds wetten te volgen.
De heidenen
zullen dan smeken: �Biedt ons nog eens de Tora aan, dan zullen wij hem
volgen.� �Jullie dwazen,� zal G-d antwoorden, �wie zich op de Sjabbat
voorbereidt, kan op Sjabbat eten, maar wie niets voorbereidt, wat kan
hij eten? Niettemin, Ik heb een eenvoudig gebod voor jullie, het heet
Soekot, ga dat maar uitvoeren�� Waarom wordt het een een�voudig gebod
genoemd? Omdat er geen uitgaven mee gemoeid zijn. Onmiddellijk zal
ieder zijn hutje bouwen, een Soeka, op zijn dak, maar G-d zal de zon
laten schijnen, alsof het hoog zomer is. Ieder zal dan zijn soeka
omverschoppen en naar huis gaan� Daarop zal G-d lachen, zoals er
geschreven staat: �Hij zit in de hemel en lacht.� (Talmoed Avoda Zara
3a)
Hoewel deze
passage moeilijk is om verschillende redenen, wil ik mij concentreren
op het hoofdthema
ervan: dat de heidenen niet in staat zullen zijn om het gebod van
Soekot te volvoeren. De reden dat dit zo vreemd is, is dat van alle
feestdagen, Soekot beschouwd wordt als de meest universele feestdag
voor alle volken op de wereld.
De Talmoed leert:
Rabbi Eliëzer heeft gezegd:
�Waarom worden er 70 offers gebracht op Soekot? Wegens de (verdiensten
van) de 70 volken van de wereld.� (Soeka 55b)
Rasji geeft hierop als
commentaar:
Om vergiffenis voor hen te
doen (voor de 70 volken die de hele wereldbevolking voorstellen),
zodat over de hele aarde regen zal vallen.
De geleerden benadrukken
dat Soekot een universeel element bevat, dat duidelijk afwezig is bij
andere feesten: Pesach vertegenwoordigt de exodus uit Egypte en het
ontstaan van het Joodse volk; Sjawoe�ot gedenkt de gift van Tora aan
de Joden. Het lijkt paradoxaal dat de heidenen niet in staat zijn zich
met G-d in verbinding te stellen speciaal in verband met Soekot.
OPKOMST NAAR JERUZALEM
We zouden kunnen
theoretiseren dat speciaal op Soekot, wanneer de Joden zich
bezighouden met het welzijn van niet-Joden, heidenen kunnen verwacht
worden daarop te antwoorden door zich rechtstreeks tot G-d te wenden.
Er bestaat echter een andere passage die deze gedachte onhoudbaar
maakt:
En het zal gebeuren dat
ieder die is overgebleven van de volken die tegen Jeruzalem in opstand
kwamen, ieder jaar zal optrekken om de Koning, de G-d van de legers,
te dienen en het feest Soekot te houden. En ieder die niet naar
Jeruzalem komt� op hem zal geen regen vallen. (Zecharja 14:16).
Deze passage uit de
profetie van Zecharja beschrijft de nasleep van de apocalyptische
veldslagen, wanneer de verslagen volken Soekot zullen vieren. Dit
maakt de moeilijkheid van het verhaal van de Talmoed nog groter.
Hoewel de Talmoed vele verklaringen bevat op leringen van de Bijbel,
heeft het niet de autoriteit om met de profeten te argumenteren. Onze
vraag is dus vrij simpel: Hoe kan de Talmoed zeggen dat de heidenen in
de toekomst geen Soekot-feest kunnen houden, terwijl de Profeet
duidelijk zegt dat zij dat wel zullen doen?
Ik geloof dat in de
oplossing van deze schijnbare tegenstelling de essentie van Soekot
ligt opgesloten. Er zitten twee onderscheiden aspecten aan het
Soekot-feest, verbonden aan twee verschillende Tora-geboden:
Maar op de 15de
dag van de zevende maand, wanneer jullie de producten van het land
binnenhalen, dan zullen jullie zeven dagen het feest van de Eeuwige
vieren; op de eerste dag zal het een rustdag zijn en op de achtste dag
zal het een rustdag zijn. En op de eerste dag zullen jullie de vrucht
van een Hadar-boom [een schone boom] nemen, een palmtak en takken van
een mirteboom en beekwilgen en jullie zullen je verheugen voor de
Eeuwige jullie G-d gedurende zeven dagen. En jullie zullen het als een
feestdag houden voor de Eeuwige, zeven dagen per jaar. Het zal voor
jullie voor altijd een wet zijn voor al jullie geslachten; jullie
zullen het in de zevende maand vieren. Jullie zullen zeven dagen in
hutten wonen, iedere burger van Israël zal in hutten wonen. Opdat
jullie toekomstige generaties zullen weten dat Ik het volk Israël in
hutten heb doen wonen, toen Ik hen uit het land Egypte heb gevoerd; Ik
ben de Eeuwige jullie G-d
(Wajjikra 23:
39-43).
De Tora spreekt aan de ene
kant over het in de hand nemen van vier soorten vruchten in de
oogsttijd, en aan de andere kant over het zitten in de Soeka, toen
het volk Egypte verliet. We zien dus dat er twee geboden zijn: 1) het
nemen van de vier soorten [arba�a miniem], en 2) het wonen in
hutten. Het ene gebod heeft een agrarische grondslag, de andere een
historische. Het agrarische aspect van de feestdag is duidelijk
universeel, maar het historische aspect is iets typisch voor de Joden.
DE
TWEE GEBODEN VAN SOEKOT
Laat
ons deze twee geboden eens nader analyseren.
Het verband tussen het
inzamelen van de oogst en de vier soorten lijkt duidelijk: nadat de
nieuwe vruchten zijn geplukt, drukken wij onze dank uit aan Hasjem
door deze vier soorten te nemen. De soorten die wij hiervoor nemen
zijn een instrument voor het gebed, om G-d te danken voor de productie
die wij zojuist geoogst hebben en wij spreken het verzoek uit dat wij
volgend jaar een overvloedige oogst zullen hebben. Onze geleerden
leren ons dat de toewijzing van water voor dit jaar eveneens plaats
vindt op Soekot:
Op [het] Soekot [-feest]
worden wij berecht met betrekking tot water (Talmoed � Rosj Hasjana
16a).
In feite was een groot deel
van de Soekot-feestviering in Jeruzalem verbonden met water, met
inbegrip van gebeden voor regen en de Simchat Beit Hasjoëva
ceremonie. Ook dit was een ritueel, verbonden met water, waarvan de
Misjna verhaalt:
Ieder die Simchat Beit
HaSjoëva nog nooit gezien heeft, heeft nog nooit echt plezier in zijn
leven gezien (Misjna Soekot 5:1).
Het vers spreekt over �jullie
zullen je verheugen voor de Eeuwige�, dat slaat op de Tempel in
Jeruzalem. Soekot was een uniek feest in Jeruzalem. Met de vier
soorten kwamen de Joden naar de Tempel en baden daar voor meer regen
en oogst. [De vier soorten werden in de Tempel alle zeven dagen van
het Feest gebruikt. In de rest van het land werden zij alleen de
eerste dag gebruikt. Na de verwoesting van de Tempel hebben de
geleerden vastgesteld dat de vier soorten gedurende de hele zeven
dagen van het feest overal, ook buiten Jeruzalem gebruikt zouden
moeten worden].
Maar wat is de betekenis
van het andere aspect van het Soekot-feest, het wonen in loofhutten?
Wij worden geboden om in
loofhutten te wonen, omdat G-d ons tijdens de uittocht uit Egypte in
hutten liet wonen. Maar wat is de symboliek van die hutten?
DE
SYMBOLIEK VAN DE LOOFHUTTEN
Op Soekot bidden wij om
regen. Op Rosj Hasjana en Jom Kippoer hebben wij gebeden voor ons
bestaan, op Soekot zijn wij bezorg om de �kwaliteit van het bestaan�.
Wij bidden voor het fysieke; wij bidden om regen. Met dialectische
elegantie wordt een synthese geschapen. Ons wordt geboden onze huizen
te verlaten, het fysieke houvast in ons leven, en een hutje onder de
blote hemel binnen te gaan, alleen beschermd door ons vertrouwen in
G-d. Onze fysieke existentie wordt in scherpe tegenstelling gebracht
tot ons geestelijk leven, en zo coëxisteren de twee aspecten van
Soekot.
Nu keren wij terug naar
onze oorspronkelijke vraag: Zullen de heidenen in staat zijn om het
Soekotfeest te vieren? Het antwoord hierop moet natuurlijk ieder
aspect van de feestdag apart in overweging nemen. Het vers in
Zecharja, dat sprak over de heidenen die Soekot vierden, benadrukt dat
het in Jeruzalem, �voor G-d� gebeurde. Dit aspect van Jeruzalem vind
op unieke wijze uitdrukking in Jeruzalem; dit is het aspect van het
danken voor en bidden om regen. In feite zegt het vers expliciet:
En ieder die niet�naar
Jeruzalem komt� op hem zal er geen regen komen.
De reden dat men naar
Jeruzalem kwam was om de zegen voor regen te krijgen. Dit aspect van
Soekot kunnen heiden natuurlijk ook uitvoeren. Het is in feite de
erkenning van oorzaak en gevolg; het is pragmatisch. De heidenen
kunnen dit soort dienst uitvoeren, hoewel Zecharja verderop zegt
(14:18-19) dat niet alle mensen op de wereld Soekot willen houden in
Jeruzalem.
Echter, het andere aspect
van Soekot, de bouw van de Soeka, wat de Talmoed een �eenvoudige
mitswa� noemt, dat is wat de heidense godsdienstig zo vreemd vindt.
Hier is geen pragmatisme, alleen puur vertrouwen � vertrouwen en
liefde.
Ga heen en schreeuw in de
oren van Jeruzalem en zeg: �Aldus zegt G-d: �Ik zal jullie ten goede
herinneren, de toewijding van jullie jeugd, jullie liefde als een
bruid, toen jullie Mij volgden in de woestijn, naar een land dat nog
niet ingezaaid was.��
(Jeremiahoe 2:2)
De Soeka is een getuigenis
voor die liefde, uitgedrukt door eenvoudigweg �met G-d� te zijn, boven
het fysieke uitsteigend. Misschien is het minimaliseren van het
fysieke datgene wat vreemd is aan de heidense manier van denken. De
heidenen waren gewend aan moeilijke geboden die geschen�ken vereisten,
door soms dierbare dingen te offeren, ten einde de gunst van hun goden
te winnen. Daarentegen vermeldt de Talmoed dat G-d gezegd heeft: Ik
heb een eenvoudig gebod voor jullie, een makkelijke mitsa, die geen
moeite kost.
Dit vond de heiden bizar:
Wat is dat voor een G-d die �niets� vraagt?
De Talmoed gaat verder:
Maar heeft Rabba niet
gezegd dat ieder die in verwarring gebracht wordt [door de Soeka]
bevrijd is van de verplichting van Soeka?
Volgens de Joodse wet is
iemand die zich enorm ongemakkelijk voelt door de Soeka, ervan
vrijgesteld. Daarom waren de heidenen, die zichzelf terug vonden in
een hete Soeka, technisch vrijgesteld van het verblijf in de Soeka.
Dit is nog vreemder voor heidense ideeën � wanneer een G-d iets
moeilijks vraagt, ben je dan daarvan vrijgesteld? Het antwoord van de
heidenen was om de Soeka om te schoppen, alsof zij daarmee wilden
zeggen: �Genoeg is genoeg. Hoe kan men nu met zo�n godheid omgaan?�
Dit nu
is het aspect van Soekot dat een unieke Joodse ervaring is: leven met
G-d, ons de dagen van onze jeugd herinneren, toen wij G-d volgden,
blind van liefde als een bruid, zonder vragen, maar accepterend, vol
vertrouwen.
Rabbijn Ari Kahn,
een leerling van Rav Yosef Dov Soloveitchik, heeft gestudeerd aan de Yeshiva
University. Hij verdeelt zijn tijd nu tussen het doceren aan Jesjiva Aish
HaTorah en de Bar Illan Universiteit. |