Archief artikelen over de drie weken

 

Tisja Be-Av 5770

Scheuren
door Sara Debbie Gutfreund

Ik heb mijn verbinding met het verleden verloren, en het maakt niet uit hoeveel tijd verstrijkt, er is een scheur in mijn hart.

De uren lopen in elkaar over, uitademend en inademend in de echo van het zuurstof apparaat naast het bed van oma. Schaduwen bewegen over de roze loper en smelten in de zomer schemering. Ik houd mijn siddoer in mijn handen en zeg hetzelfde gebed over en over. Kan ze me wel horen? Weet ze dat ik hier ben? Haar gezicht is veranderd, alsof het al weg op reis is, vervagend in de lagen van haar ziel. Haar oogleden trillen open, maar haar zeegroene ogen zijn leeg alsof ze al helemaal in een andere wereld is. Is ze ?

Ik roep haar naam, maar ik denk niet dat ze me kan horen. Ik ben nog niet klaar haar te laten gaan. Ik zal nooit klaar zijn om haar los te laten. Hoe laat je iemand gaan ? Misschien houdt u haar hier, zeggen ze. Misschien gaat u de kamer uit voor een minuut, zodat ze in vrede kan gaan. Ik weet niet wat dat betekent. Alles wat ik weet is dat als ik afscheid neem, ik uit elkaar zal vallen. Ik zal verloren zijn. Ik zal niet weten wie ik ben of waar ik thuishoor. Hoe doet iedereen dit? En waarom lijkt ieder ander verder te kunnen gaan ?

Op het kerkhof staar ik naar de diepblauwe zomerlucht en de manier waarop de takken van de omrin­gende bomen naar boven reiken, alsof ze iets willen bereiken dat ze nooit zullen raken. Het geluid van de scheppen zand die in het open graf vallen, scheurt door me heen, ze sluiten een deur die nog steeds hard­nekkig in mij open was. Waarom is de begraafplaats zo tergend mooi? De regenboog van rozen en het zachte fluiten van de vogels lijken zo niet op hun plaats. Waar zijn de duisternis en de woede? Waar is het protest ?

De honderden meters van grafstenen lijken te sluimeren in de zoete, warme ochtend lucht. Ze zeggen dat de doden nu rusten. Ik weet niet wat dat betekent. Ze zeggen dat ze op een betere plek zijn. Maar alles wat ik kan denken is, dat je niet kunt ademen in de aarde. Hoe beangstigend het moet zijn om helemaal alleen gelaten te worden in een houten kist waar je niet kunt zien of spreken of bestaan. Ik weet dat ik moet nadenken over de ziel. Hoe het verder gaat naar de volgende wereld, hoe ze ons allemaal hier kan zien staan. Maar ik weet niet wat dat betekent.

Ik vind mezelf zitten op haar zachte lavendel tapijt, een uur voor mijn vlucht terug naar huis. Neem iets mee, zeggen ze. Maar het is moeilijk voor mij om te bewegen. Haar kleding, haar sjaals, zelfs haar mooie, gebor­duurde zakdoeken die ze elke Sjabbes meebracht naar sjoel, houden haar geur nog steeds vast. Het is de geur van mijn jeugd. Van warmte en comfort en liefde. Ik wil niets verplaatsen. Misschien als ik alles op zijn plaats laat, zal op een of andere manier de tijd stil blijven staan. Maar ik moet gaan en loop naar buiten, de deur uit, zelfs al wil ik dat niet.

Ik druk een zijden sjaal tegen mijn gezicht en laat me herinneren hoe het voelde om te worden vastgehouden, toen ik naar sjoel liep op Sjabbes ochtend. Hoe haar gezicht op­­klaarde, hoe haar ogen glinsterden. Ik houd het de hele weg naar huis vast.

Maandenlang droom ik van haar. Ze vertelt me dingen die ik nooit kan onthouden als ik wakker wordt, en ik probeer wanhopig om terug te gaan slapen zodat ik haar woorden weer kan horen. Maar het werkt nooit. En ik hoor de zwakke echo van de zuurstofmachine overal waar ik ga, alsof het leven zelf worstelt om te ade­men. Maar ik wil niet uit elkaar vallen. Ik werk. Ik zorg voor mijn man, mijn kinderen en mijn huis. Ik bid op de manier waarop ik dat altijd heb gedaan, en soms voel ik zelfs oma’s aanwezigheid, zwevend op de ran­den van mijn leven. Als ik de Sjabbat kaarsen aansteek en denk eraan hoe zij huilde voor haar eigen talloze Sabbath-lichtjes. Als ik Sjema zeg met mijn kinderen 's avonds en als ik me herinner hoe ze haar mezoeza elke nacht kuste, deze zelfde woorden fluisterend. Als ik tzedaka geef aan de oude vrouwen om me heen bij de Kotel, en ik me het blauwe-witte tsadaka busje herinner dat op haar aanrecht stond.

Maar het maakt niet uit hoeveel tijd verstrijkt, er is een scheur in mijn hart. Ik heb mijn verbinding met het verleden op een of andere manier verloren. Met al mijn geloof en mijn waarden heb ik soms het gevoel dat ik niet weet waar ik thuishoor. Ik probeer te geloven in elk van de ideeën die mijn leven zoveel jaren hebben in stand gehouden, en ik geloof. Maar soms val ik in twijfel. Alsof ik de GPS aanzet, maar vergeet er een bestemming in te zetten. En ik begin vragen te stellen bij mijn beslissingen. Leid ik een te intens leven? Misschien had ik niet naar Israël moeten verhuizen? Misschien moet ik niet thuis zijn bij mijn kinderen? Ik denk hoe ik stond met mijn baret en toga in het enorme voetbal­stadion van mijn Ivy League school, starend naar alle deuren die geopend waren voor mij. Had ik de juiste geopend? En hoe zit het met de gesloten deuren die achter me blijven met elke nieuwe levensbeslissing. Hoe weet ik of ik wel in de goede richting ga?

Dit is het verlies dat door me heen gaat in de Joodse maand Av. Ik heb weet niet echt wat het Beit Hamikdasj, de Heilige Tempel was of wat het hoort te zijn in de toekomst. Maar ik weet dat toen hij er stond, we met absolute duidelijkheid wisten wat ons doel in het leven was. We wisten waar we zouden komen en waar we heen gingen.

Toen we de Tempel verloren, verloren we het anker in ons leven dat ons op onze plaats vast hield. We hebben duidelijkheid verloren. Nu lopen werkelijkheid en illusie in elkaar over. Nu sluipt twijfel zelfs in de meest toegewijde onder ons. Als we nu verder moeten, kijkt een deel van ons voortdurend over onze schouders. Ik kan me geen wereld voorstel­len waar een soort van perfectie heerst en een gevoel van aankomst, die wordt beschre­ven in de tijden toen de Tempel stond.

Maar ik kan erom huilen. Ik kan ernaar hunkeren. Ik kan geloven dat binnenkort de bestemming duidelijk zal worden, zelfs al kan ik nu alleen maar de volgende afslag te zien. En als nieuwe zielen in deze wereld binnen­treden en andere zielen verder reizen, dan kan ik een ruimte maken in mezelf, die is als een miniatuur-tempel, onbezoedeld en ongebroken. En op de vooravond van Tisja BeAv, als de vogels van Jeruzalem niet sjilpen bij het ochtendgloren, kan ik mijn oma 's stem in de dikte van de stilte horen. Iedere keer als ik viel plachtte ze te zeggen: „Tegen de tijd dat je een bruid zal zijn, zal het over zijn.” En ik hoor het nu als het verdriet pulseert door het Joodse volk en door mijn eigen verwar­de hart: „Tegen de tijd dat je een bruid bent, zal het over zijn.”

Op een dag zullen we allemaal weer bruiden zijn en al onze collectieve pijn zal verdwijnen in de schoonheid van een perfecte Jeruzalemse hemel. Zelfs als hij laat is zal ik wachten. Zelfs met alles dat verloren is gegaan geloof ik dit. Adem in. Adem uit. Er zit leven in het einde.

In liefdevolle herinnering aan mijn grootmoeder, Gittele Rochel bat Miriam. Moge haar naam worden her­dacht tot zegen. Moge haar nesjama stijgen door de daden en het geloof van haar kleinkinderen en achter­kleinkinderen. Moge zij troost brengen aan heel het volk Israel in deze maand van haar Jahrzeit.

Dit artikel kan ook gelezen worden [in het Engels] op  : http://www.aish.com/h/9av/aas/97791619.html