Archief

VAN RUÏNE TOT HOOP

Door Rabbi Noson Weisz, Jesjiwa Aish HaTorah

De hernieuwing van de Joodse Staat in onze tijd geeft ons een nog nimmer voorgekomen kans op eenheid

Het is Tisj’a BeAv vandaag. Ik kom zojuist terug van de Kotel, de Westelijke Muur, waar ik het middag gebed – Mincha – gezegd heb, samen met duizenden andere Joden. Gedurende deze hele dag moeten honderdduizenden Joden deze plaats van onze verwoeste Tempel bezocht hebben, om met hun vurige gebeden te vragen om de herbouw ervan. Zij kunnen de Heilige Tempel zelf nu niet bezoeken, maar zij zijn niet in staat om weg te blijven van zijn ruïnes.

Wij zitten hier slechts op een afstand van twee generatie van de grootste vernietiging die ons volk ooit ervaren heeft. Behalve de systematische uitroeiing van zes miljoen van ons volk werden ook al onze instellingen verwoest. Geen enkele Jesjiwa, geen enkele gemeenschap overleefde het. Ter zelfde tijd, bekijk eens de menigte die ik waarneem, het is moeilijk je voor te stellen hoe gebroken wij waren, nog maar zo kort geleden. Men kan deze levendige, vibrerende menigte die ik vandaag waarneem, niet associëren met de pathetische ellendige Holocaust beelden waar wij allen zo bekend mee zijn. In feite, wanneer ik naar mijn eigen moeder kijk, een overlevende van de Holocaust en dan tegelijk kijk naar mijn eigen kinderen, haar kleinkinderen, is dat een ongelooflijke gewaarwording. Er is gewoon geen rationele verklaring voor de continuïteit van deze generaties. Het is ongelooflijk dat zulk een zelfvertrouwen en trots kon voortkomen uit zulk een ongelooflijke vervolging en verlies.

In de korte spanne tijds van slechts twee generaties heeft het Joodse volk zich hersteld in aantal, heeft zijn Jesjiwot [meervoud van Jesjiwa – Joods Tora leerhuis] herbouwd en zijn gemeenschappen hersteld. Zij hebben zich een nieuwe, snel opbloeiende staat gebouwd op hun eigen geboorteland, en hebben dat verschillende malen succesvol verdedigd in grote oorlogen met het eerste Joodse leger dat de wereld gezien heeft in meer dan tweeduizend jaar. Zij hebben levenskrachtige gemeenschappen gesticht over de gehele wereld, waar opnieuw hun kracht en invloed in geen verhouding staat tot hun aantal op alle terreinen van het leven. Het zijn allen scenes uit een sprookje. Zo'n fenomeen bestaat eenvoudig niet in een reële wereld.

Het ligt in de natuur van de menselijke geest om te zoeken naar redenen en oorzaken, wanneer men geconfronteerd wordt met zulke ongelooflijke gebeurtenissen. G-d is goed bekend met deze menselijke neiging, die Hijzelf geplant heeft in onze zielen. Met wat voor soort gedachten zou Hij de Joden hebben willen inspireren met deze ongelooflijke vernietiging om hen vervolgens dit ongelooflijk herstel te geven?

Wanneer ik terugkijk naar de wereld waarin de Joden zich bevonden voor de twee wereldoorlogen en ik vergelijk dat met de wereld waarin wij nu leven, dan kan ik het niet helpen dat ik enkele opmerkelijke tegenstellingen zie. Gedurende de afgelopen tweeduizend jaar, sedert de verwoesting van de tweede Tempel, leefde het Joodse volk verspreid onder de volken, hoofdzakelijk in een situatie van vervolging en gespeend van mensenrechten. Met uitzondering van korte perioden van rust, werden wij verdreven van plaats tot plaats, periodiek genadeloos afgeslacht, en was daar tussenin ons leven afhankelijk van de twijfelachtige goodwill van welwillende despoten.

Kijk nu naar ons in deze nieuwe wereld. Onze burgerrechten zijn vastgelegd in de grondwetten van bijna ieder land waarin wij leven, wij hebben onze eigen staat op onze eigen geboortegrond, en ons voortbestaan wordt nergens in de wereld wezenlijk bedreigd. Wij zijn niet het vervolg van datzelfde volk. Dit is bijna letterlijk waar. Al onze openbare instituten werden genadeloos en systematisch vernietigd door de Nazi’s. Geen enkele synagoge is het vervolg van een synagoge uit de oude wereld, behalve dan in naam; geen jesjiwa is voortgekomen uit een moeder-instituut, behalve in naam. Al onze openbare instituten zijn gloednieuw. Als individuen hebben wij het overleefd, als volk zijn wij totaal vernietigd en hebben wij onszelf opnieuw opgebouwd uit het niets.

In dit opzicht heeft de vernietiging van het Europese Jodendom grote gelijkenis met de verwoesting van onze Tempel. De verwoesting van iedere Tempel maakte een einde aan een periode van Joodse geschiedenis en luidde een nieuw tijdperk in. Zo was de verwoesting nimmer uitsluitend negatief. Misschien zou het onze situatie verklaren, wanneer wij kijken naar de veranderingen die de vroegere verwoestingen bewerkstellig­den.

De geleerden leerden ons (in Talmoed Traktaat Joma 9b) dat de verwoesting van de eerste Tempel veroorzaakt werd door afgoderij, ontuchtig gedrag en bloedvergieten, terwijl de verwoesting van de tweede Tempel veroorzaakt werd door de redeloze haat tussen Joden onderling.

Maar wat veroorzaakten deze zonden? Waar waren zij een reactie op?

Misschien kunnen wij de sleutel vinden in de afgoderij. De Tora staat vol met vermaningen tegen afgoderij. Voor ons is dat iets onbegrijpelijks want wij voelen niet de geringste behoefte om afgoden te dienen. De Talmoed (Traktaat Sanhedrin 21b) verhaalt een geschiedenis over Rav Asji, één van de samenstellers van de Babylonische Talmoed. Hij leerde aan studenten het boek Koningen. Toen hij aan het eind van zijn les kwam, kondigde hij aan dat hij hen de volgende dag over Menasje zou leren, de zoon van Chiskiahoe, welke misschien de slechtste koning was in de tijd van de eerste Tempel en die een grote afgodendienaar was. Rav Asji refereerde aan hem als een gewoon persoon, omdat hij geen enkel respect wilde tonen voor een dergelijk slecht mens. Die nacht verscheen Menasje aan Rav Asji in een droom en stelde hem een vraag over een Tora-wet, waarop Rav Asji geen antwoord wist. Menasje gaf hem het antwoord en eiste vervolgens het respect op dat een groot Tora-geleerde toekomt. Rav Asji vroeg hem vervolgens in zijn droom waarom hij dan zo'n grote afgodendienaar was, wanneer hij tevens zo'n groot Tora-geleerde was. Hierop antwoordde Menasje hem dat wanneer hij (Rav Asji) geleefd had in de tijd dat hij, Menasje, leefde, hij, Rav Asji, ook afgoden gediend zou hebben.

De eerste Tempelperiode kan vergeleken worden met een kindertijd. Wij zaten aan G-ds tafel in die tijd. Wij hadden profeten die ons G-ds boodschap overbrachten en de aanwezigheid van G-d was manifest onder ons. Alle normale kinderen houden heel veel van hun ouders, maar ieder kind wil in opstand komen wanneer hij de adolescentieperiode bereikt heeft. Het ouderlijk huis is schitterend, maar wel verstikkend. Het kind wil zijn onafhankelijkheid en zijn eigen beslissingen nemen. Ik kan wat afstand tot G-d nemen door een tussenpersoon aan te stellen tussen mij en G-d. Dat is de verleiding van afgoderij.

De verwoesting van de eerste Tempel was het einde van de kindertijd van het Joodse volk. De (bege-) leidende hand van G-d was niet meer manifest. Hij zond geen boodschappen meer naar hen toe middels Zijn profeten.

De tweede Tempel werd verwoest door redeloze haat. De tweede Tempel stond op de sterkte van een verenigd Joods volk. Toen de Joden met één stem spraken, vonden zij automatisch G-d. De Joden bereikten alleen die eenheid op de Berg Sinaï. De acceptatie van Tora is het enige idee rondom hetwelk wij ons kunnen verenigen. Deze Tempel vertegenwoordigt de volwassenheid, wanneer iemands sociale leven alles is. Wij zijn vrij van het ouderlijk huis, wij zijn weg, op school. Onze ouders steunen ons nog wel financiëel, maar hun aanwezigheid is niet langer drukkend. Nu hebben wij onze conflicten met onze vrienden. De lessen in dit stadium van het leven leren ons de waarde van de samenleving.

Maar uiteindelijk vinden wij zelfs dit drukkend. Wanneer wij ouder worden willen wij helemaal op onszelf staan. Wij willen onze krachten uitproberen tegenover de wereld. Wij willen ons eigen huis vestigen en de wereld veroveren met onze eigen krachtsinspanningen.

De tweede Tempel werd verwoest en het Joodse volk brak uiteen in kleine gemeenschappen, verspreid over de hele vijandige wereld. Dankzij veel inspanning en vindingrijkheid slaagden wij erin de wereld gedurende deze ongelooflijk moeilijke tweeduizend jaar van ballingschap, onze kracht en volhoudenheid te tonen. Wij toonden onze hardnekkige eigenschap om iedere ontbering en tegenspoed te overkomen en vast te houden wat ons het dierbaarst is: onze G-d, onze Tora, ons gevoel van waarde.

Dit is de periode van de volwassenheid. Wanneer wij terug kijken naar dit deel van onze geschiedenis, kunnen wij slechts onze hoed afnemen voor onze grootouders die ons daar door geloodst hebben op zulk een succesvolle wijze, tegen alle stromen in.

Wij zijn daar nu te oud voor. De onrijpe rebellie van de adolescentie ligt nu achter ons, zoals ook de concurrerende beroering van de jeugd. Wij hebben de beproevingen van een moeilijke volwassenheid overleefd en zijn aangekomen op goede ouderdom. Wij bereiden ons thans voor op het eind van onze geschiedenis, krachten verzamelend om ons leven samen te vatten en ons voor te bereiden op het einde.

Thans is de tijd gekomen voor geestelijk zelfonderzoek. Wat hebben wij van ons leven gemaakt, wat hebben wij bereikt, wat nemen wij mee wanneer wij onze Schepper zullen ontmoeten?

Wij moeten nu met onze overgebleven krachten uitreiken naar de verspreide delen van ons volk en die verzamelen. Wij hebben veel hersenen en een groot hart, veel talent en idealisme. Mensen zijn niet bang meer om Joods te zijn. De verschrikkelijke kwellingen van onze volwassenheid die zo velen van ons hebben afgeschrikt in de hoop de pijn en het lijden te ontlopen, zijn niet langer ons lot meer. Wij vormen niet langer zo'n hechte gemeenschap dat iedereen bang is zijn identiteit te verliezen wanneer hij zich daarbij aansluit.

Al de negatieve dingen die de Joden uiteen gedreven hebben zijn vergaan, terwijl de positieve kracht om in staat te zijn te verenigen achter de idee van het accepteren van de Tora nog steeds duidelijk aanwezig is.

Het lijkt mij toe, dat in de gouden herfst van ons leven als volk, er een grote gelegenheid is om onze kracht te herstellen. Awraham heeft vele kinderen daarbuiten in de wereld. Stel je eens voor welk een immense spirituele kracht zij kunnen ontwikkelen wanneer wij hen ertoe konden bewegen zich aan te sluiten bij hun Joodse bestemming.

Dit is onze historische taak nu, dit is de taak die het Joodse volk in deze tijd aanschouwt. Wij moeten onszelf leren om op te houden met defensief te zijn, wij moeten onze zelfbeschermende gebogen houding laten varen. Wij moeten ons openstellen voor onze medejoden, met liefde en vertrouwen en met gebed tot G-d: „Werp ons niet weg op onze oude dag, wanneer onze kracht afneemt, laat ons niet in de steek” (Psalm 71:9).