vorige hoofdstuk

index

volgende hoofdstuk

KITSOER  SJOELCHAN AROECH

HET BEDRIJFSLEVEN

HOOFDSTUK 65. Het verbod op rente

1. Het is de menselijke natuur om naar geld te verlangen, en het is waarschijnlijker dat een mens zal struikelen over het verbod om intrest te nemen, dan alle andere financiële verboden. Want op diefstal en bedrog kan hij toezien dat hij niet bestolen of bedrogen wordt. En ook als hij van iemand wil stelen of hem wil oplichten, dan zal hij daarvan soms weerhouden worden uit schaamte of angst. Maar dat geldt niet voor intrest, want de lener zal het hem graag geven, omdat hij iemand gevonden heeft die hem wil lenen, ook al is het tegen intrest. En ook de geldschieter denkt dat hij de lener een grote gunst bewijst want die kan een winst maken vele malen groter dan de intrest. Daarom is het heel makkelijk dat iemand verleid wordt, de Hemel beware, en bezwijkt voor de verleiding en struikelt over dit verbod. Daarom neemt onze heilige Tora dit verbod enorm zwaar op, en er worden heel veel overtredingen ingenoemd. De uitlener overtreedt zes verboden en hij zal niet opstaan bij de Wederopstand der doden, zoals er geschreven staat (in Jechezkel 18:13): Op rente heeft hij uitgeleend en vermeerdering heeft hij aangenomen. Zal hij leven? Hij zal niet leven!. De lener overtreedt drie verboden. De schrijver [van het leenkontrakt] en de getuigen en de borg overtreden ieder één verbod. En zo ook de makelaar die tussen hen bemiddelde of die één van hen hielp, bijvoorbeeld doordat hij de lener infor­meerde waar hij kon lenen, of doordat hij de geldschieter wees waar hij kon uitlenen, ook die overtreedt een verbod. [J.D. 160]

2. Wie verleidt werd en intrest aannam, is verplicht dat terug te betalen (tenzij de intrest vooruit of achteraf betaald werd zoals verder op in paragraaf zes wordt uitgelegd). [J.D. 160: 15]

3. Zelfs als ten tijde dat de lening werd afgesloten, geen intrest werd afgesproken en men iemand gratis, gedurende een bepaalde tijd geld heeft geleend, of men heeft iemand iets verkocht op krediet, gedurende zekere tijd, of iemand is hem om andere reden schuldig iets te betalen, waarvoor dan ook, en wanneer de betaaltermijn verstrijkt, verleent de geldschieter uitstel van betaling tegen enige compensatie, ook dat heet intrest.

4. Zelfs als de lener uit zichzelf meer terugbetaalt dan hij geleend had, en hij zegt er zelfs niet bij dat dit extra als intrest geldt, dan is dat toch verboden. [J.D. 160: 4]

5. Zelfs al zegt de lener op het tijdstip dat hij de intrest betaalt dat hij het als een gift geeft, dan is het eveneens verboden van hem aan te nemen. Maar als de geldschieter al intrest heeft aangenomen, en er spijt van krijgt en het terug wil geven aan de lener, en deze doet er afstand van, dan is dat toegestaan. [J.D. 160: 5]

6. Het is verboden om vooruit of achteraf intrest te betalen. Wat betekent dat? Reoewen wil Sjim'on geld lenen. En nu stuur hij hem van tevoren een geschenk. En hij legt daarbij uit, dat dit is opdat Sjim'on hem geld zal lenen. Of hij stuurt hem een extra groot cadeau en hij laat duidelijk weten dat dit is met de bedoeling dat hij hem een lening zal geven. Dat wordt vooruit betaalde intrest genoemd. Wan­neer hij van hem een lening gekregen heeft en die heeft terugbetaald, en daarna stuurt hij hem een geschenk voor de lening die hij kreeg, dat heet intrest achteraf[1]. [J.D. 160:  6, 161: 2]

7. Wanneer iemand aan zijn vriend geld leent voor een bepaalde tijd, opdat die ander hem een volgende keer een grotere lening zal geven voor dezelfde periode of dezelfde lening voor een langere termijn, dan wordt dat volledig als intrest beschouwd. En sommigen menen dat als hij hem een lening verstrekt, opdat de ander hem een andere keer een even grote lening zal verstrekken voor gelijke periode, dat zoiets ook verboden is, en anderen zeggen dat het toe­ge­staan is, en het is goed om hier te verzwaren. Echter wanneer er niets is overeen­gekomen, maar de ander geeft hem uit eigen vrije wil bij een volgende gelegen­heid een lening, dan kan men dat toestaan, ofschoon hij dat alleen maar doet omdat de ander hem daarvoor al eens een lening had gegeven[*].
[*] Sj.A. HaRav: Hilchot Ribiet We Hilchot 'Ieska 7 schrijft dat men in bovenstaande gevallen moet verzwaren.

8. De geldschieter moet ervoor oppassen, dat hij geen voordeel heeft van de lener, zonder dat deze het weet, gedurende de hele periode dat het geld in diens bezit is. Dit geldt ook voor die gunsten die de lener aan de geldschieter bewezen had wanneer hij geen lening van hem zou hebben gekregen. Want, daar hij van hem profiteert zonder diens toestemming, lijkt het erop dat hij er op vertrouwt dat de ander [de lener] er in toestemt omdat hij thans over het geld be­schikt[*]. Echter wanneer hij een voordeel van de lener heeft met diens medeweten, dan is het toegestaan in die gevallen waarin de lener hem hetzelfde voordeel had gegund ook zonder lening[**], zolang men het niet in het openbaar doet. [J.D. 160: 7]
[*] Sj.A.HaRav  J.D., Hil. Ribiet, § 12: Maar wanneer zij er van houden om elkaar over en weer gunsten te bewijzen zonder toestemming vooraf, ook zonder lening, dan is het ook toegestaan in geval van een lening]
[**] id. § 11: Mits dat nu niet bedoeld is als beloning voor de lening]

9. Indien de lener voorheen niet gewoon was de geldschieter als eerste te groeten, dan is dat ook nu voor hem verboden. En het is verboden hem enige eer te bewijzen in de synagoge of op enige andere plaats, indien hij dat ook niet voorheen reeds gewend was te doen. En zo zijn alle vormen van intrest d.m.v. woorden verboden, zoals er geschreven staat [in Dewariem 23:20]: rente van welke zaak dan ook. Dus zijn ook woorden verboden. [Het Hebreeuws gebruikt voor zaak en woord dezelfde uitdrukking: dewar]. En ook de geldschieter is gewaar­schuwd tegen [het aannemen van] intrest in de vorm van woorden, bijvoor­beeld als hij zegt tegen de lener: „Zeg mij als een bepaald persoon gearriveerd is”. En hoewel hij hem al­leen maar lastig valt door hem iets te laten zeggen, als hij dat voorheen niet gewend was met hem, en hij zich beroept op de lening omdat de ander nu daardoor afhankelijk van hem is geworden, dan wordt dat intrest genoemd. En indien je zegt; er staat toch geschreven [in Misjlé 22: 7]: De lener is als een slaaf voor de geldschieter, dan geldt dat alleen voor die situatie wanneer er een rechtsgeding is tussen hen beide, waarbij de geldschieter zegt: „Laten wij naar het Hoger Gerechtshof gaan opdat die er een vonnis over uitspreekt”. En de lener antwoordt: „Laten wij er hier over beslissen”, dan is de lener verplicht om daar heen te gaan waar de geldschieter dat wil. En de geldschieter is niet verplicht om naar een Hoger Gerechtshof in een ander plaats te gaan, omdat er geschreven staat: De lener is als een slaaf voor de geldschieter. [J.D. 160]

10. Ieder vorm van voordeel dat geen geld is, is de geldschieter eveneens verboden aan te nemen van de lener. Bijvoorbeeld als de geldschieter een geschoold werkman is, en de lener was voor­heen niet gewoon hem werk te geven, alleen nu, omdat hij geleend heeft wil hij hem werk geven, dan is dat verboden. [J.D. 160]

11. Het is verboden iemand een Sea[*] graan[**] te lenen opdat die ander hem later een Sea graan terug zal geven, zelfs niet van hetzelfde soort, want misschien is het graan intussen in prijs gestegen, en dan geeft hij meer terug dan dat hij leende. Zij moeten dan de waarde [van het geleende produkt] vaststellen in geld en als het produkt in prijs is gestegen dan geeft hij niet meer dan de vastgestelde waarde. En wanneer de lener maar weinig van dat soort produkt heeft, mag hij er tonnen van lenen. En ook wanneer er een vaste prijs voor dat produkt op de markt is, mag hij het lenen, ondanks dat de lener zelfs niets van het produkt bezit. Dit alles geldt wanneer hetzelfde produkt wordt teruggegeven. Maar wanneer men iets anders teruggeeft, bijvoorbeeld men leent een hoeveelheid tarwe uit om er dezelfde hoeveelheid gerst voor terug te krijgen, dan is dat in ieder geval verboden, ook al kosten zij allebei hetzelfde en heeft hij al gerst. Maar voor iets kleins, waarbij men er niet op let of het duurder of goedkoper is geworden, daar is het toegestaan in alle gevallen. En het is dus bijvoorbeeld voor een vrouw toegestaan om een brood van haar buurvrouw te lenen. [J.D. 162: 1]
[*] Sea = 13,2 liter
[**] of enig ander produkt

12. Wie geld uitleent tegen onderpand van een huis of veld of een plaats is een synagoge, en de geldschieter mag van de vruchten van het onderpand gebruik maken, dan moet hij dat verdis­conteren, dat wil zeggen dat hij jaarlijks een bedrag aftrekt van de schuld, gelijk aan de waar­de van de huur van het onderpand. Dit is toegestaan, ook wan­neer de werkelijke huurwaarde hoger is dan dat wat zij onderling heb­ben afgesproken. Maar de geldschieter mag het onder­pand niet terug verhuren aan de lener zelf. Er zijn met betrekking tot het lenen tegen onder­pand vele regels, en daarom moet men niet zulk een over­een­komst sluiten zonder eerst een geleerde te raadplegen. [J.D. 172]

13. Een artikel, waarvan de prijs bekend is, mag niet voor een hogere prijs verkocht worden omdat men de betaling uitstelt. Maar voor een artikel, waarvan de prijs niet bekend is, is het toegestaan iets meer te rekenen bij uitstel van betaling, zelfs al zou hij iets minder rekenen indien hij gelijk kontant betaald werd, mits hij de prijs niet te veel verhoogd (de Chavat Da'at verbiedt een prijs verhoging van een zesde of meer) zodat het een ieder duidelijk is dat hij de prijs verhoogd heeft vanwege de uitgestelde betaling. En ook wannneer hij niet veel ver­hoogt maar wanneer hij specificeert en zegt: „Wanneer je mij kontant betaalt, dan krijg je het voor tien [Euro] en op krediet geef ik het je voor elf [Euro]”, dat is verboden. En het is ook verboden om goederen in te kopen tegen hogere prijs, om dan onmiddelijk [tegen lagere prijs] met verlies te verkopen, omdat hij langere tijd over het geld kan beschikken. [J.D. 173: 1,2; Ralbach en Chatam Sofér Hfd. 137]

14. Wie een schuldbekentenis van een collega bezit, mag die aan een ander verkopen voor minder dan de nominale waarde, zelfs vóór de betaaldatum. De verkoper moet aan de koper schrij­ven: „Ik verkoop jou deze schuldbekentenis en al de rechten die er mee gemoeid zijn”. De koper moet de verantwoordelijkheid overnemen. De verantwoor­de­lijkheid die op de verkoper blijft rusten is bijvoorbeeld dat de schuld nog niet geïnd is, e.d. En zoals hij de schuld­beken­tenis aan een ander voor minder kan verkopen, zo ook kan hij het aan de lener zelf verkopen. [J.D. 173]

15. Op deze manier kan men een voordelige overeenkomst maken, zoals bijvoorbeeld Reoeween, die in Niesan geld nodig heeft. Hij gaat naar Sjim'on, en Sjim'on schrijft een schuldbekentenis uit, waarin hij zich verplicht [aan Reoeween] 100 goudstukken te betalen  in Tisjrie (en hier tegen­over schrijft ook Reoeween een schuldbekentenis uit dat hij Sjim'on 100 goudstukken moet betalen in Tisjrie, opdat Sjim'on gedekt is). Nu verkoopt Reoeween de schuldbekentenis van Sjim'on aan Levi in de maand Niesan voor 90 goudstukken[2]. En zo ook, wan­neer Sjim'on een schuld­bekentenis van Jehoeda heeft [van bijvoorbeeld 60 goudstukken] waarvan de vervaltermijn later is [bijvoorbeeld in de maand Tisjrie]. Deze verkoopt hij aan Reoeween [in Niesan], te beta­len in [zes] termijnen tot Tisjrie[3]. Reoeween op zijn beurt ver­koopt die schuldbekentenis [van Jehoeda] voor welk bedrag ook dat hij krijgen kan [bijvoorbeeld 50 goudstukken][4]. Echter als Reoeween een schuld­bekentenis schrijft en die aan Sjim'on verkoopt, al is het via een agent, dan is dat verboden.

16. Het is verboden graan of andere produkten te kopen en vooruit te betalen, en achteraf de produkten te leveren. Want wij vrezen dat in­tus­sen misschien de produkten in prijs zijn ge­stegen tegen de tijd dat men de produkten levert en dan zou blijken dat de klant meer heeft gekregen dan de waarde van zijn geld, omdat hij vooruit betaald heeft. Indien echter de verkoper nu [op het tijdstip van de verkoop] reeds al de te verkopen produkten in voorraad heeft, hoewel hij die de verkoper niet nu maar pas later levert, dan is dat toegestaan, want dat wat men bezit kan men net zo goedkoop verkopen als men wil. Zelfs als het produkt nog niet geheel klaar is zoals het hoort, maar als er nog één of twee handelingen aan verricht moeten worden, dat wordt het gerekend als of het geheel af is, en dan is het toegestaan. Maar wan­neer er nog drie bewerkingen aan mankeren, dat is het verboden (zie ook de vol­gende para­gra­fen over vooruitbetaling op leverantie van goe­de­ren). [J.D. 175: 4]

17. Wanneer de [markt] prijs van een produkt is vastgesteld mag men kopen bij vooruitbetaling tegen deze prijs, ook al heeft de verkoper niets [in voorraad]. Want zelfs wanneer het pro­dukt later duurder wordt, heeft de koper geen voordeel van zijn vooruitbetaling, want hij had des­tijds reeds het produkt kunnen kopen met zijn geld voor de toen geldende prijs. En omdat een geoorloofde afspraak is gemaakt en ook al is het produkt nader­hand, op het tijdstip van de levering duurder geworden en wil hij [daarom] hem het afgesproken produkt niet meer leve­ren, kan hij [de verkoper] hem andere goede­ren van gelijke waarde geven, of hij kan hem geld terug geven volgens de huidige waar­de (zie de verhandeling Sja'ar Dea aan het eind van het boek Sja'ar Misjpat, hoofdstuk 175, § 2; en niet zoals geschre­ven staat in de Sjoelchan Aroech van de Tanya, § 28)[*]. [J.D. 175: 6]
[*] En volgens HaRav is het teruggeven van geld niet toegestaan, Sj.A. HaRav, Hilch. Ribiet  § 28.

18. Iemand heeft handelswaar die hier goedkoop verkocht wordt en ergens anders duur. Een ander komt en zegt tegen hem: geef mij deze handelswaar en ik breng het naar die duurdere plaats en ik verkoop het daar. Dan zal ik het geld gedurende een bepaalde tijd voor mijn eigen behoeften gebruiken en daarna zal ik jou betalen naar wat het daar waard is, na aftrek van mijn kosten op de handelswaar. Indien de verantwoordelijkheid voor de gang van zaken op de koper berust, dan is het verboden. Maar als de verantwoordlijkheid op de verkoper rust, dan is het toegestaan, mits de koper iets krijgt voor zijn moeite[*]. [J.D. 173: 15]
[*] De verkoper moet hem betalen voor zijn moeite, voor zijn levens­on­der­houd onderweg en alle overige reiskosten [Sj.A.HaRav, Hilch. Ribiet § 19].

19. Het is toegestaan om aan zijn vriend 100 dinar te lenen opdat deze daarvoor op de jaarmarkt handelswaar kan kopen, en wanneer zij terug keren naar huis geeft de lener hem 120 dinar terug. Dit mag alleen wanneer de geldschieter de handelswaar in ontvangst neemt en mee naar huis neemt en wanneer de verantwoordelijkheid onder weg bij de geldschieter ligt, want dan is het als of hij reeds een aandeel in de winst op de handelswaar heeft, omdat hij de verant­woordelijkheid op zich neemt. [J.D. 173: 18, Rama]

20. Wanneer Reoeween naar een plaats gaat waar [bepaalde] handels­waar goedkoop verkocht wordt, dan kan Sjim'on tegen hem zeggen: „Breng mij wat handelswaar van daar en ik geef je zoveel winst”. Echter alleen op voorwaarde dat Reoeween verantwoordelijk blijft voor de handelswaar totdat hij het aan Sjim'on heeft overhandigd.

21. Het is toegestaan de huur van grond te verhogen[5]. Hoe gaat dat? Iemand verhuurt aan een ander een binnenplaats en voordat die ander daar bezit van neemt zegt hij tegen hem: „Wanneer je mij het huurgeld onmiddelijk betaalt, dan is het voor jou voor tien goudstukken per jaar, maar wanneer je mij per maand betaalt, geef mij dan een goud­stuk per maand”. Dit is toegestaan. De reden is dat, juridisch gezien, het gebruikelijk is dat huur achteraf betaald wordt, zodat, wanneer hij [de huurder] een goudstuk per maand aanneemt, dat wil dus zeggen [dat hij] twaalf goudstukken [krijgt], dat geen beloning is voor het wachten op het geld, want hij [de huurder] is niet verplicht vooruit te betalen. En dat hij tegen hem zegt dat, wanneer hij met­een betaalt, het [stuk grond] voor tien goudstukken voor hem is, dan scheldt hij hem twee goudstukken kwijt omdat hij betaalt vóór de vervaltermijn en dat is toegestaan. [J.D. 176: 6]

22. Op deze wijze de prijs te verhogen is alleen toegestaan bij de ver­huur van grond omdat de grond onmiddelijk [door de huurder] wordt in bezit genomen. Maar op deze wijze het loon van een arbeider te ver­hogen is verboden. Bijvoorbeeld wanneer iemand een arbeider huurt om na verloop van zeker tijd werk te verrichten, en hij betaalt hem reeds nu zijn loon, voordat hij met het werk begint, zodat hij nu het werk doet voor minder dan het gebruikelijke [loon], dat is verbo­den. Want de arbeider is niet onmiddelijk in dienst, en daarom is het gelijk aan een lening. Maar wanneer de arbeider onmiddelijk in dienst treedt [en met zijn werk begint], dan, ook al maakt hij het werk pas na vele dagen af, dan is het toegestaan hem zijn loon bij vooruitbetaling goedkoper te geven, want hij begint onmiddelijk met het werk en dan is het huur en geen lening. [J.D. 176: 8]

23. Men mag de bruidschat voor de schoonzoon verhogen. Bijvoor­beeld iemand heeft zijn dochter een bruidschat beloofd. Nu spreekt hij af met zijn schoonzoon dat voor ieder jaar de bruidschat bij hem de [de vader van de bruid] blijft liggen, hij er een bepaald bedrag aan zal toevoegen, als vergoeding. Dit is toegestaan, want hier doet hij niets anders dan de bruidschat vergroten, en het is alsof hij tegen hem [zijn schoonzoon] zegt: Ik geef je, op een bepaalde tijd een geschenk van een bepaalde grootte, en wanneer ik jou dat op de vastgestelde tijd niet geef, dan verhoog ik de gift met „zo veel”. Dit is toegestaan. Maar alleen wanneer dit ten tijde van het uitschrijven der huwlijksvoor­waarden reeds zo was overeengekomen. Want tot nu toe had hij geen enkele verplichting, dus alles is nu één enkele ver­plich­ting. Maar wan­neer hij zich bij het schrijven van de huwlijks­voor­waarden alleen ver­plicht had tot een bepaald be­drag voor de bruid­schat en men pas op het tijdstip van de chatoena wil over­een­komen om wat extra's te geven bij het verstrijken van de tijd, dan is dat ver­boden. Men moet het op een geoorloofde wijze doen. [J.D. 176: 6]

24. In het geval van een Jood die leent van een niet-Jood op intrest en een andere Jood is borg, wanneer de situatie zodanig is, dat de niet-Jood aanvankelijk alleen van de lener kan opeisen en pas wanneer hij niet van de lener kan innen, kan hij het opeisen van de borg, dan is het toegestaan. Maar wanneer de situatie zo is, dat de niet-Jood het reeds van het begin af aan kan opeisen van de borg, dan is het alsof de borg geleend heeft van de niet-Jood en het [geleende bedrag op zijn beurt weer] heeft uitgeleend aan de Joodse lener, dan is het ver­boden. En zo ook een niet-Jood die van een Jood heeft geleend op intrest, terwijl een andere Jood borg is. Indien de situatie zo is dat de geldschieter aan­vankelijk alleen van de niet-Jood kan opeisen en pas wanneer hij daar niet van kan innen mag hij het opeisen van de borg, dan is het toege­staan. Maar als de situatie zo is, dat hij van het begin af aan ook van de borg kan opeisen, dan lijkt de borg op een lener, en dan is het ver­boden. Maar wanneer de Jood alleen voor de hoofdsom borg staat en niet voor de intrest, dan is het toegestaan. (In het geval dat de ene Jood aan de andere leent en de lener betaalt een derde Jood iets om borg te staan, dan zijn de Toeré Zahav en de Sjach [= Sjifté Cohen] in Nekoedot Hakessef soepel [en staan het toe][*], terwijl de Da'at Hachawot verzwaart [en verbiedt] ). [J.D. 170: 1]
[*] Zo ook de Sj.A. HaRav, Hilch. Ribiet § 63.

25. Wanneer een niet-Jood aan een Jood vraagt: „Leen voor mij geld op intrest van een andere Jood tegen dit onderpand”, en zelfs wanneer hij hem geen onderpand geeft maar een schuld­bewijs en de geld­schie­ter vertrouwt uitsluitend op het onderpand of het schuldbewijs van de niet-Jood en de tussen persoon heeft geen enkele verantwoording, dan is het toegestaan. Zelfs wanneer de Joodse tussen persoon de rente naar de geldschieter brengt, dan mag deze dat aan­­nemen. En [dit alles geldt] alleen wanneer de geldschieter er zich volledig van bewust is dat al de verantwoordelijkheid van het onderpand èn het geld, wanneer dat heen en weer gebracht worden, uitsluitend op hem rust en dat de tussen persoon in het geheel niet verantwoordelijk is. [J.D. 168/169: 13]

26. Zo ook wanneer een Jood aan een andere Jood een onderpand of schuldbrief geeft, opdat hij daarop bij een niet-Jood geld zal lenen voor hem. Als de niet-Jood zich uitsluitend op het onderpand of op de schuldbrief verlast, terwijl de bemiddelaar geen enkele verant­woor­ding heeft, dan is het toegestaan. En zo ook wanneer een Jood aan een andere Jood [geld] leent tegen een onderpand en naderhand zegt de schuldenaar tegen de schuldeiser: „Leen geld van een niet-Jood met intrest tegen dit onderpand [dat ik jou gaf], en ik zal hem de hoofd­som en de rente terug betalen.” Wanneer de niet-Jood zich uit­sluitend verlaat op het onderpand, dan is het toegestaan. [168/169: 17]

27. Wanneer een Jood aan een niet-Jood [geld] leent tegen een onder­pand, voor een bepaald bedrag aan rente per maand, en naderhand vraagt deze Jood aan deniet-Jood of hij geld wil lenen aan een andere Jood tegen dat onderpand [van die niet-Jood], opdat die ander de rente van nu af tot aan de aflossingstermijn krijgt [van die niet-Jood], dan is dat toe­ge­staan[*]. Wanneer echter de eerste Jood de hoofdsom met de rente voor de hele periode [met de niet-Jood] heeft afgerekend[6], dan is het geheel als hoofd­som van de Jood te beschouwen. Dan is het ver­boden tegen hetzelfde onderpand  van een andere Jood [geld] te lenen op intrest, want dan is het alsof hij [de andere Jood] de rente uit zijn eigen zak betaalt. [J.D. 168/169: 18]
[*] En hij zegt tegen hem: hierbij verkoop ik jou al mijn rechten met dit onderpand, en verder heb ik met jou en jij met mij geen zakelijke ver­plichtingen. [HaRav, Hil.Ribiet § 68, Sj.A., J.D. 168/169: 18]

28. Een Jood heeft zijn geld in bewaring gegeven bij een niet-Jood en deze leent dat [geld] op rente uit aan een [andere] Jood. Wanneer de verantwoordelijkheid bij de niet-Jood ligt, dat wil zeggen, dat wanneer de vordering verloren gaat, dat hij [de niet-Jood] zich verplicht heeft met zijn eigen geld terug te betalen, dan is het toegestaan. Maar wan­neer het niet op verantwoordelijkheid van de niet-Jood valt, dan is het verboden[7]. [J.D. 168/169: 21] Daarom lijkt het mij dat in die gevallen, waar Joden aandeel hebben in geldfondsen (zoals een spaarbank) e.d. en waar Joden geld lenen op intrest, een volledig verbod geldt, zelfs al bestaat het bestuur (van die spaarbank) uit niet-Joden. Daarom is het verboden daar geld te geven (want misschien leent men dat uit aan een Jood die hier niet zorgvuldig in is). En het is ook verboden daarvan te lenen, want misschien gaf een Jood die hier niet zorvuldig in is, [geld aan deze spaarbank][8]

29. Vennoten [van een firma] die geld willen lenen van een niet-Jood tegen rente moeten een deskundige vragen hoe zij dat moeten doen (zie verder: TAZ 170:3, Chawat Da'at 170: 1, en Sj.A. HaRav, Hil. Ribiet § 64).

30. Van een apostaat [een Jood die naar een ander geloof is overge­gaan] is het verboden te lenen tegen rente en men doet er beter aan ook niet aan hem tegen rente te lenen.


 

[1].  Rama J.D. 161: 2; Als men vooruit of achteraf een geschenk als rente heeft aangenomen, hoeft men dat niet terug te geven.
[2]. Dus Reoeween heeft in Niesan de beschikking gekregen over 90 goud­stukken van Levi en hij betaalt in Tisjrie 100 goudstukken terug op zijn eigen schuldbekentenis aan Sjim'on, die op zijn beurt zijn eigen schuld­bekentenis van 100 betaalt aan Levi. De 10 goudstukken die Reuven extra betaalt, zijn rente, maar toegestaan.
[3]. En Reuven geeft hem een schuldbekentenis voor hetzelfde bedrag.
[4]. Ook hier ontvangt Reuven onmiddelijk geld, 50 goudstukken, die hij in zes maandelijkse termijnen van 10 elk aan Sjim'on terug betaalt. Ook deze extra rente is toegestaan.
[5].  Indien te laat betaald wordt.
[6]. D.w.z. hij heeft bepaald dat de niet-Jood de hoofdsom samen met de rente aan het eind van de leen­periode in eens terug betaalt.
[7].  Maar wanneer hij [de niet-Jood] het uitleent zonder dat de Jood[se investeerder] er van af wist, dan wordt het beschouwd als te behoren tot de verantwoordelijkheid van de niet-Jood en dan is het toegestaan (aldus de Mordechai en de Beet Joseef in  naam van de Rasjba). [Sj.A. - J.D. 168/169: 21]
Torat Ribiet van Rav Mosjé Hirschler en Rav Eliahoe Rafaël Heisriek schrijft in naam van o.a. Minchat Jitschak dl. 3, hfd. 1, dat bezitters van aandelen in een niet-Joodse bank, welke geen stemrecht hebben, niet beschouwd worden als mede vennoten en voor hen geldt geen verbod om in de bank te investeren, noch geldt een verbod voor joden om van die bank tegen rente te lenen. Dit zelfde geldt voor de bezitters van obligaties e.d. van zo'n bank.

[8]. En in het geval dat een deel van de stemhebbende aandeelhouders joden zijn, zijn volgens Torat Ribiet vele Acheroniem van mening dat men in dat geval kijkt of de meerderheid van de eigenaars Joden, dan wel niet-Joden zijn. En zo beslist ook Rav Mosjé Sternbuch in zijn Sefer Kitsoer diné ribiet hametsoe'iem 1: 2.


Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduces, stored in a retrievalsystem or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocpying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder