index Rosj Hasjana

Index Soloveichik

Home

Rosj Hasjana: Een tijd van verbondenheid

DOOR RABBI AHRON SOLOVEICHIK zl.

Vertaling: Zwi Goldberg

Het lijkt erop, dat metafysisch gesproken, Rosj Hasjana – het Joodse Nieuw Jaar – de meest ge­com­pliceerde dag is van alle feest­dagen. Terwijl iedere andere Jom Tov – feestdag – één of twee motieven heeft, heeft Rosj Hasjana talrijke motie­ven. Daarom, ten einde helemaal te begrijpen waar Rosj Hasjana om gaat, zullen wij eerst al de ver­schil­lende motieven van die dag moeten behandelen.

Wanneer men de woorden van Chazal – onze geleerden – bestudeert, dan vallen er minstens tien thema’s op:

1. Een reden voor de viering van Rosj Hasjana is het feit dat Rosj Hasjana het begin van het nieuwe jaar is, zoals de eerste Misjna van Traktaat „Rosj Hasjana” zegt: „De eerste [dag] van [de maand] Tisjrei is het begin van het jaar voor de jaartelling.”

2. Ten tweede, Rosj Hasjana heeft het motief van Jom Hadin – de Dag van de Rechtspraak – zoals het Machzor – gebedenboek voor het feest – verklaart: „BeRosj Hasjana jicatewoen – op Rosj Hasjana wordt [de mensheid] ingeschreven [in het Boek van de Rechtspraak].”

3. Ten derde, Rosj Hasjana is Jom Hazikaron, de Dag van de Gedenking. Hoewel dat motief verwant is aan Jom Hadin, is het desondanks uniek. Het beste bewijs daarvoor is Jom Kippoer, want hoewel die dag ook Jom Hadin genoemd wordt (het Machzor gaat verder met: „Oewejom tsom kippoer jechatemoen – op de vastendag der verzoening wordt [het lot van de mensheid] verzegeld”), wordt die dag niet Jom Hazikaron genoemd.

4. Rosj Hasjana is ook „Jom harat ’olam – de geboortedag van de wereld” (Machzor NIK blz. 406), de dag waarop de mensheid werd geschapen. Hoewel de wereld als zodanig werd geschapen op de 25 Eloel, werd Adam pas op de eerste Tisjrei geschapen. Men andere woorden, Rosj Hasjana is de geboortedag van de Mensheid.

5. Rosj Hasjana is ook de geboortedag van de aartsvaders, Awraham, Jitschak en Ja’akov.

6. Rosj Hasjana heeft voorts het motief van Malchiot, het koningschap, zoals dat tot uitdrukking komt in de eerste van de drie brachot – zegeningen – in het moesaf – toegevoegd – gebed van Rosj Hasjana. Dit verkondigt de overtuiging van Israël dat op het einde der dagen de hele Mensheid de Almachtige G-d tot Koning over de wereld zal verklaren en dat heel de mensheid afgoderij, wreedheid, arrogantie en tirannie van het aaroppervlak zal verwijderen.

7. Een ander motief van Rosj Hasjana is sjofarot, of de stoten op de sjofar – de ramshoorn,  zoals tot uitdrukking komt in de derde van de drie moesaf gebeden. Dit thema drukt het begrip Atta wechartanoe uit – G‑ds uitverkiezing van het Joodse volk [zie Machzor NIK blz. 392], hetgeen in de hier­voor genoemde bracha op twee manieren wordt weer­gegeven. Ten eerste wordt dat weergegeven door de Sjofar-stoten op de berg Sinaï, toen G-d het Joodse volk verkoos om de Tora in ontvangst te nemen, zoals de Machzor zegt: „U hebt U in een wolk van majesteit aan het U gewijde volk geopen­baard om met hen te spreken … op de Berg Sinaï” [zie Machzor NIK blz. 418]. De bracha gaat dan verder  met de belofte  van G-d via de profeet Jesajahoe – Jesaja – , dat „Op die dag zal het ge­beuren. Er zal op een grote sjofar worden geblazen en zij die in het land Asjoer verloren zijn gegaan en die naar het land Egypte verbannen werden, zullen komen en zich neerbuigen voor de Eeuwige op de heilige berg in Jeroesjalajim,” (Jes. 27:13) [zie Machzor NIK blz. 420], waarbij de speciale rol, die Israël te vervullen heeft in de Messiaanse tijd, tot uitdrukking gebracht wordt.

8. Rosj Hasjan is ook de dag waarop  G-d Sara, Rachel en Chana gedenkt. Echter Rosj Hasjana is niet alleen aan deze moeders gewijd maar aan alle andere moeders. Volgens de Aroech zijn de Joden in alle generaties verplicht honderd stoten op de sjofar te blazen op Rosj Hasjana, ter herinnering aan de honderd snikken, die de moeder van Sisera huilde toen haar zoon niet terug kwam uit de oorlog [zie Sjoftiem – Richteren 5:28]. Met andere woorden, Joden hebben door alle generaties heen, steeds jaarlijks op Rosj Hasjana honderd sjofar-stoten ge­bla­zen, daarmee het verdriet tot uitdrukking bren­gend van de moeder van een wrede heiden. In feite is Rosj Hasjana dus gewijd aan alle moeders op de wereld, Joodse moeders, zowel als die moeders die hun kinderen hebben doen opgroeien met de bedoe­ling het Joodse volk uit te roeien.

9. Rosj Hasjana is bovendien de dag van tesjoewa – berouw, inkeer. Dit idee wordt duidelijk tot uitdrukking gebracht door de Rambam, zowel in diens boek Moré Hanevoechien – Gids voor de verdoolden – en in Hilchot Tesjoewa  – Voor­schrif­ten voor Berouw – (3:4). Het is ook duidelijk uit talrijke referenties in de Machzor.

10. Ten slotte, Rosj Hasjana is ook de dag waarop Joseef werd bevrijd uit de gevangenis in Egypte. Vol­gens Chazal (Traktaat Rosj Hasjana 10b) was de bevrijding van Joseef uit zijn gevangenis veel meer dan slechts een toevallige historische samenloop van omstandigheden; het is in werkelijkheid een kardi­naal motief voor de viering van Rosj Hasjana in het algemeen en voor het blazen op de sjofar in het bijzonder. Psalm 81:4-6 zegt: „Blaas op de sjofar bij nieuwe maan, op het vastgestelde tijdstip voor onze feestdag. Want het is een verordening voor Israël, een dag van rechtspraak voor de G-d van Ja’akov. Het is een getuigenis voor Joseef, toen hij het land Egypte uitging…” De uitdrukking „een getuigenis voor Joseef” houdt volgens Chazal in, dat wij op Rosj Hasjana op de sjofar blazen ter herinnering aan Joseefs bevrijding uit diens gevangenis op Rosj Hasjana.

Hij lijkt tamelijk duidelijk, dat wanneer een dag zoveel motieven heeft, er een universeel thema moet zijn, een essentie van de dag dat alle motieven om­vat. De eerste aanwijzing voor deze gemeenschap­pe­lijke noemer is de primaire naam van deze dag, want in Tora geeft een naam de essentie weer. In de tefillah – gebed – en de kiddoesj – heiliging van de dag – hebben wij het over Rosj Hasjana als Jom Hazikaron, niet Jom Hamalchiot of Jom Hadin. Hier­uit kunnen wij afleiden dat het primaire motief de herdenking is.

Het begrip herdenking wordt toegelicht in de twee­de van de drie moesaf-brachot, de slotbracha van de zichronot. Wanneer wij iets nader willen weten over de zichronot zullen wij hier moeten zoeken.

Alle brachot werden gemaakt door de Ansjei Knesset Gagedola – de Mannen van de Grote Ver­gadering – op een zodanige wijze dat de afslui­ting van de bracha het basis-idee van de bracha weer­geeft. De afsluiting van zichronot is „Geprezen U, Eeuwige, zocheer habrit – die zich het verbond herinnert” [zie Machzor NIK blz. 416 onderaan]. Om dit te kunnen begrijpen moeten wij eerst het begrip brit definiëren. Een brit is een verbond, een contract, een overeenkomst, die gesloten wordt tussen twee partijen, waarbij de partijen zich zodanig ver­binden dat zij aan elkaar toebehoren. De Ribono sjel Olam – de Meester van het Universum – wordt aan­geduid met zocheer habrit wegens de diverse ver­bonden die werden gesloten tussen Hem en de Mensheid. De meeste van deze verbonden werden gesloten tussen G-d en de voorvaderen van het Joodse volk, Awraham, Jitschak en Ja’akov. Er is echter een ouder verbond, dat chronologisch eerder kwam, namelijk dat tussen G-d en Noach, de voor­vader en vertegenwoordiger van heel de mensheid.

De verbonden die G-d gesloten heeft, zowel met de Joden als met heel de mensheid, zijn contracten, waarbij G-d zodanig gebonden werd aan de mens dat Hij hen toebehoort. Wanneer wij in onze tefilla spreken over „de G-d van Awraham, de G-d van Jitschak, de G-d van Ja’akov,” dan bedoelen wij dat in de letterlijke betekenis. Men moet niet denken zoals sommige zogenaamde filosofen het hebben uitgelegd, dat de avot – aartsvaderen – een zeker begrip of voorstelling van G-d hadden. Het betekent dat G-d van hen was, Hij was van Awraham, van Jitschak en van Ja’akov. Wegens de brit die geslo­ten was met G-d, hadden de aartsvaderen recht op Hem. Wanneer wij spreken over de Ribbono sjel Olam als „G-d van Israël,” dan bedoelen wij niet alleen dat wij geloven in G-d, maar wij bedoelen letterlijk dat Hij van ons is. Niet alleen heeft de Ribbono sjel Olam recht op ons, wij hebben ook recht op Hem, wegens de brit die er tussen ons be­staat.

Wanneer de Ribbono sjel Olam de „G-d van alle vlees ” genoemd wordt, moet men dat ook letterlijk opvatten: de Ribbono sjel Olang behoort toe aan heel de mensheid. De Mensheid heeft recht op G-d. Waarom? Wegens het verbond dat werd gesloten tussen G-d en Noach, de aartsvader van heel de mensheid. Daarom zeggen wij in de bracha van zichronot: „En ook Noach gedenkt U met liefde” [zie Machzor NIK blz. 410]. G-d wordt genoemd zocheer habrit omdat Hij Zichzelf ge­bonden acht door de diverse verbonden die Hij met de Mens gesloten heeft.

Rosj Hasjana is Jom Hazikaron omdat de Ribbono sjel Olam zocheer habrit is. Het hoeft echter niet gezegd te worden dat G-d altijd zocheer habrit is, niet alleen op Rosj Hasjana. De Eeuwige G-d ver­andert niet van de ene dag op de andere.

Hieruit volgt dat wanneer wij zeggen dat Rosj Hasjana een Jom Hazikaron is, dat niet is omdat op die dag G-d zich het verbond herinnert, want dat doet Hij ieder moment. Rosj Hasjana wordt Jom Hazikaron genoemd omdat op die dag alle Joden zichzelf opleggen het verbond te gedenken en zelf zochrei habrit te worden, net als G-d. (Daarmee wordt dus het gebod om in G-ds wegen te volgen, vervuld – zie Dewariem [Deuteronomium] 28:9.)

Zoals G-d zich aan de Mens gebonden voelt door de brit die Hij met hen gesloten heeft, zo moet ook de Mens zich gebonden voelen aan G-d om zocheer habrit te zijn. Maar bovendien moet de Mens zich realiseren dat deze gebondenheid niet in een vacuüm kan staan. Om te bewijzen dat de Mens aan G-d toebehoort, moet men ook aan zijn medemens toe­behoren, want G-d Zelf behoort toe aan de mens.

Met deze analyse hebben wij het universele motief voor Rosj Hasjana ontdekt, namelijk het begrip van „toebehoren”. Op Rosj Hasjana wijden alle Joden zichzelf aan het begrip „toebehoren”. Daarom werd Rosj Hasjana door de Tora bestemd voor het begin van het jaar. G-d had iedere dag van het jaar kunnen aanwijzen als het begin van het jaar. Waarom werd Rosj Hasjana gekozen? Omdat men zich aan het begin van het jaar wijdt aan het begrip „toebeho­ren.” Ten einde het jaar te beginnen in een staat van heiligheid en toewijding, moet met aan G-d en aan de Mens toebehoren.

Wij kunnen nu begrijpen waarom Rosj Hasjana, dat als centrale thema de herdenking heeft, ook de dag van de Rechtspraak is. Dat is omdat de funda­mentele kwestie in de G-ddelijke rechtspraak is, of iemand al dan niet gemotiveerd wordt door het be­grip van „toebehoren.” Toen Elisja aan de Sjoena­mitische vroeg of zij een wens had die zij graag vervuld wilde hebben, was haar antwoord: „Nee, er is niets dat ik wens, want „betoch ami anochi josjèwet – ik woon tussen mijn volk” (II Koningen 4:13). De Zohar zegt dat het die dag Rosj Hasjana was en de Sjoenamitische antwoordde dat zij geen wensen had omdat zij volledig overspoeld werd door het gevoel van „betoch ami anochi josjèwet”. Wat betekent dat?

Op Rosj Hasjana, op de Jom Hadin is het de fundamentele plicht van Joden zichzelf te wijden aan het begrip van „toebehoren”. Ten einde te slagen in de rechtspraak, moet men gedefiniëerd worden als G-d toebehorend. Hoezo? Ten eerste moet men tot de mensen behoren. Men moet kunnen zeggen: „betoch ami anochi josjeev/josjèwet” [josjeev is mannelijk, josjèwet zegt een vrouw], want G-d zelf behoort tot de mensen. Voorts moet men tot G-d Zelf behoren, zodanig dat men bereid is zichzelf, zijn eigen leven daarvoor op te offeren onder bepaalde omstandigheden.

Dit brengt ons op een elfde motief: de akeida, de binding van Jitschak, hetwelk ook behoort tot het begrip van het tot G-d toebehoren.

Om deze reden is Rosj Hasjana gewijd aan het begrip malchiot, koningschap, want de bracha van malchiot drukt de overtuiging van het Joodse volk uit, dat er een tijd zal komen, waarop heel de Mens­heid zich werkelijk bewust zal zijn van het feit dat wij allen aan G-d toebehoren; dan zal heel de Mens­heid terugkeren tot G-d, zoals onderdanen tot hun koning.

Om deze reden is Rosj Hasjana ook gewijd aan de sjofar, welke gemotiveerd is door de idee van Atta wechartanoe – U heeft ons uitgekozen – want men kan niet echt tot G-d behoren wanneer het gevoel tot G-d te boren niet gekoppeld is aan het gevoel dat men tot de Mensen en tot Israël geboort.

Het vers: „Hatsoer, tamiem pa’alo, kie chol derachav misjpat; Keel èmoena weëin ’aweel tsadiek wejasjar hoe – De Rots, volmaakt is Zijn werk, want al Zijn wegen zijn recht; een G-d van vertrouwen, zonder  onrecht, rechtvaardig en eerlijk is Hij,” (Dewariem 32:4) roept een vraag op: Hoe kunnen wij de Almachtige G-d een Keel èmoena – een G-d van vertrouwen – noemen? Menselijke wezens kunnen geloven en vertrouwen in G-d. Maar hoe kunnen wij het begrip „vertrouwen” op de Almachtige G-d Zelf toepassen?

De Ribbono sjel Olam  wordt „G-d van ver­trouwen” genoemd omdat Hijzelf vertrouwen heeft in de mens. En wanneer hij vertrouwen heeft in de Mens, dan moet de mens ook vertrouwen in de Mens hebben. En dit vertrouwen in de Mens moet voortkomen uit een vertrouwen in G-d; niet een vertrouwen op de Mens per se, want dat zou gelijk staan aan awoda zara, afgoderij, maar wij moeten in de Mens kunnen vertrouwen op een manier die is afgeleid van het vertrouwen in G-d.

Op Rosj Hasjan moet een mens zeggen: „Betoch ami anochi josjeev/josjèwet,” zoals de Sjnoe­namitische zei. Men moet gewijd zijn aan het begrip van Ata wechartanoe.

Nu kunnen wij ook begrijpen waarom Rosj Hasjana gewijd is aan de voorvaderen van het Joodse volk en aan de moeders van de Mens. Ten einde tot G-d te behoren, moet men zich realiseren dat men eerst tot een vader en moeder behoort. Men kan geen nabijheid tot G-d bereiken, wanner men niet zijn vader en moeder als medium gebruikt. Toen G-d voor het eerst aan Mosjé verscheen, noemde Hij Zichzelf: „De G-d van je vader, de G-d van Awraham, Jitschak en Ja’akov” (Sjemot – Exodus 3:6). „Je vader” heeft niet betrek­king op de voorvaders, want die worden apart ge­noemd; „Je vader” slaat op Amram, de vader van Mosjé. De Midrasj geeft als commentaar: „De Heilige, geprezen zij Hij, zei bij Zichzelf: „Wanneer Ik Mij aan Mosjé openbaar met Mijn eigen stem, wordt hij bang; laat Ik Mijzelf daarom aan hem openbaren door middel van de stem van zijn eigen vader.” In eerste instantie leek het aan Mosjé toe, dat Amram, zijn vader tot hem sprak, pas daarna onthulde G-d de waarheid aan hem, dat Hijzelf zich aan Mosjé openbaarde. Waarom? Omdat de stem van G-d te subliem en transcedent is om die onmiddel­lijk te begrijpen en te bevatten. Slechts door het medium van een vader of moeder kan de Meetser van het Universum zich aan een mens openbaren – zelfs aan de grootste man die ooit geleefd heeft, Mosjé Rabbeinoe.

Wij vinden in Bereisjiet – Genesis – hoofdstuk 3, dat, nadat Adam en Chawa [Eva] gezondigd hadden door te eten van de Boom der Kennis, Adam zich voor G-d verschool. Het lijkt tamelijk verbazing­wekkend, dat, terwijl zovelen geprobeerd hebben met G-d te communiceren en niet in hun pogingen slaagden, Adam, die de gelegenheid had om direct met G-d te praten, van die gelegenheid geen gebruik maakte. Maar de verklaring daarvoor is heel eenvoudig. Een mens kan niet in de nabijheid van G-d komen zonder het medium van een vader of moeder. Dat medium had Adam niet, daarom was hij bang om met G-d te communiceren.

Op Rosj Hasjana moet een Jood zichzelf bestem­men aan G-d toe te behoren. Dit is het primaire doel van Rosj Hasjana. Om echter in de nabijheid van G‑d te komen, heeft een Jood een vader of moeder nodig, en daarom wordt Rosj Hasjana ook wel „vaderdag” en „moederdag” genoemd.

Waarom leed de moeder van Sisera zo erg? Waarom moest zij uitdrukking geven aan honderd snikken? Het antwoord ligt hierin, dat de moeder van Sisera, in tegenstelling tot Sara, Rachel en Chana, niet wist hoe zij haar kinderen moest opvoeden. Zij had de indruk dat men grote hoogten in de wereld kon bereiken, zonder overspoeld te worden door een gevoel om ergens bij te behoren. Zonder gemotiveerd te worden door een verbinding met G-d, met de Mensheid, met zijn medemens, met zijn eiger familie, met zijn eigen ouders, met zijn eigen vrienden. Om die reden leed zij en uitte zij honderd snikken van verdriet. En om die reden zijn wij op iedere Rosj Hasjana, wanneer generaties van Joden zichzelf aan G-d gewijd hebben – hetgeen ook inhoud hun toebehoren aan de Mens, aan de mensen, aan kinderen, aan vrienden – verplicht honderd soten te blazen op de sjofar, om akoestisch het idee uit te drukken dat zonder het medium van een vader of moeder, men niet tot G-d kan naderen.

Dit begrip van „behoren bij” is in feite de kern waarom het begrip kedoesja draait. Dat kan reeds worden afgeleid uit een eerste blijk op Parasjat Kedosjiem (Wajjikra – Levitidus 19:20). De parasja begint met het algemene gebod: „Kedosjiem tihejoe – Jullie zult heilig zijn.” Waarom? „Kie kadosj ani – want Ik [G-d] ben heilig.”

Deze mitswa wordt gevolgd door een aantal ande­re geboden, zoals het op tijd betalen van het loon van een arbeider, broederliefde, eerlijke behandeling van vreemdelingen, enzovoort. Waarom? Omdat kedoe­sja volgens de Joodse opvatting niet bereikt kan worden in een vacuüm, door zich te isoleren van de buiten­wereld. In tegendeel, hoe meer men zich isoleert van de wereld,  des te dieper zink men in de afgrond. Kedoesja bereikt men alleen wanneer men zich mengt tussen de mensen en door de sociale en hu­manitaire verplichtingen  na te komen die in de parasja van Kedosjien worden opgenoemd – door gif­ten te geven aan de armen, door personeel op tijd te betalen, door naastenliefde te betrachten en zich ethisch te gedragen ten opzichte van anderen, enzo­voort.

 Wat is kedoesja? Kedoesja is synoniem met het begrip „behoren tot”. Hekdeesj (van dezelfde stam als kedoesja) duidt iets aan dat aan G-d toebehoort, en een Jood is kadosj wanneer hij of zij overspoelt wordt door het gevoel dat hij/zij aan G-d toebehoort. Op Rosj Hasjana moeten Joden zich aan deze bete­kenis van kedoesja wijden – het aan G-d toe beho­ren, een complete toewijding aan de Almachtige G‑d, zover, dat men bereid is zijn leven voor G-d op te offeren onder omstandigheden, die rationeel ver­werpelijk lijken, zoals Awraham bereid was zijn zoon op te offeren. Een Jood moet bereid zijn tot het hoog­ste offer. Wanneer men niet bereid is tot het maken van een dergelijk offer, hetgeen inhoud, dat men zelfs bereid is het leven van zijn kinderen op te offe­ren, dat meer waard is dan zijn eigen leven, dan wordt diegene niet overweldigd door het motief van Rosj Hasjana.

Het gevoel van ergens toe behoren is niet alleen de kern van het begrip kedoesja, maar ook de kern van geluk. Wanneer men niet wordt overspoeld door een gevoel tot G-d en tot de Mens te behoren, dan kan men niet gelukkig zijn. Het is om deze reden dat de bevrijding van Joseef uit de gevangenis op Rosj Hasjana volgens chazal een hoofdmotief is van Rosj Hasjana en van het blazen op de sjofar. Het is niet zozeer de fysieke bevrijding van Joseef uit de gevangenis, die zo belangrijk is, maar dat er samen met de fysieke bevrijding ook een geestelijke bevrij­ding plaatsvond bij Joseef op Rosj Hasjana.

Rabbi Jehoeda Halevi geeft zeer bondig maar heel mooi uiting aan dit idee in een van zijn gedichten. Hij schrijft daarin: „De hele wereld is een gevangenis, en iedereen is een gevangene.” Iedereen wordt vastgehouden en is gebonden door gevoelens, instinkten, complexen en ambities, die de neiging hebben om hem te remmen en te frustreren. Joseef zelf, die ondanks zijn dromen zo loyaal aan zijn vader en broers was en die zo schokkend verraden werd door zijn eigen broers toen hij als slaaf ver­kocht werd, en die opnieuw door zijn eigen meester, die hij zo trouw gediend had, verraden werd toen die hem in de gevangenis gooide, deze Joseef werd in Egypte teleurgesteld in alles en iedereen. Deze zelfde Joseef verloor volgens chazal het vertrouwen in zijn broers, toen hij in de gevangenis zat, in zijn oude vader, in zijn meester en zelfs in de Almachtige G-d Zelf. Chazal zeggen in verband met het vers „En de opperschenker herinnerde zich Joseef niet, hij vergat hem,” (Bereisjiet 40:23), dat Joseef zijn vertrouwen in G-d verloor. Hij werd niet alleen fysiek een gevangene, maar ook geestelijk. Maar op Rosj Hasjana, toen hij werd bevrijd, realiseerde hij zich dat hij niet voor niets als slaaf was verkocht, maar dat het voor zijn eigen welzijn was geweest, zowel als om zijn familie en de hele wereld te redden. Daarvoor had hij al die ellende en martelingen moeten doorstaan. Op dat moment werd Joseef verlost van de geestelijke ketenen waarin hij vast zat. Hij was nu verlost van de diverse com­plexen en remmingen die hem in de gevangenis overweldigd hadden. Zij vertrouwen in G-d en de mensheid was hersteld.

De Joseef die in de gevangenis al zijn vertrouwen in G-d en de Mens verloren had, werd een nieuw mens op Rosj Hasjana en het begrip van ergens bij behoren, tot G-d en de mensen behoren, kwam weer in zijn hart tot leven. Om deze reden vieren wij op Rosj Hasjana de bevrijding van Joseef uit de gevan­genis, niet zijn fysieke bevrijding, maar om onszelf te inspireren met het begrip verbondenheid.

[Het bovenstaande is een vertaling uit het Engels. Wij hebben ons best gedaan de woorden en de bedoeling van de Rav zo goed mogelijk weer te geven, maar een letterlijke vertaling lukt niet altijd goed. Mocht er iets niet geheel duidelijk zijn, dan is dat de fout van de vertaler, niet van Rav Soloveichik zl.