Archief

WAJJECHIE

HET EINDE VAN DE AARTSVADERS

[i]Toen de twaaf stam-zonen van Ja’akov zagen dat hun vader gestorven was, scheurden zij zich hun kleren in van verdriet en bonden zich een zak om hun lendenen ten teken van rouw. Joseef huilde het uit van verdriet en riep: „Vader, vader!”

Heel Egypte hoorde dat Ja’akov was overleden en men zei tegen elkaar: „Een groot tsaddiek heeft ons verlaten, Ja’akov is van ons heen gegaan.” Alle bewoners van Egypte treurden over de dood van Ja’akov. [ii]En weet je waarom zij zo bedroefd waren? Omdat sedert Ja’akov in Egypte was aangekomen, er een zegen rustte op de produkten van de velden van Egypte. Het graan groeide in overvloedige hoeveelheid, het was van een prima kwaliteit en er was geen hongersnood meer.

Dertig dagen zaten de zonen van Ja’akov en be­ween­den de dood van hun vader. Daarna liet Joseef Egyptische dokters komen en zei tegen hen: „Mummi­ficeer het lichaam van Ja’akov.” Nadat zij daar veertig dagen aan gewerkt hadden en nog eens dertig dagen dat Egypte over Ja’akov rouwde, besloot Joseef dat de tijd gekomen was om de belofte, die hij zijn vader gedaan had, te vervullen. [iii]Joseef zond boden naar Par’o en zij vroegen hem: „Mijn heer de koning, wilt u Joseef toestemming geven om zijn vader in het land Kena’an te begraven?” „Nee”, antwoordde Par’o. Toen ging Joseef zelf naar Par’o en zei: „Als u mij niet toestaat om mijn vader te begraven in het land Kena’an, dan vertel ik aan heel het volk dat ik meer talen ken dan dat u kent.” Par’o had nu geen keus, dan om toestemming te geven aan het verzoek van Joseef. En zo begonnen de voorbereidingen voor de reis naar het land Kena’an.

[iv]De zonen van Ja’akov maakten een gouden baar, afgezet met kostbare edelstenen. Joseef plaatste zijn kroon aan het hoofd van de baar. De zonen van Ja’akov liepen voorop en droegen de baar. Daarachter liep heel de overige familie van Ja’akov, en daar weer achter liep het hele leger van Egypte en heel het volk.  Zo deed iedereen Ja’akov uitgeleide naar Erets-Jisraël.

Toen zij waren aangekomen in Goren-Haätad werden er gedurende zeven dagen treurreden gehou­den en alle koningen van het land kwamen om daaraan deel te nemen. Toen zij zagen dat de kroon van Joseef op de baar lag, legden ook zij allen hun kroon op de baar van Ja’akov. Toen de treurdagen voorbij waren, vervolgenden allen hun weg naar de grot Machpela.

Toen Esav hoorde dat Ja’akov gebracht werd naar de spelonk Machpela om daar begraven te worden, be­sloot hij om de zonen van Ja’akov te beletten om hun vader daar te begraven en hij ging daarom in de opening van de grot staan en liet hun niet toe om de baar van Ja’akov de grot in te brengen.

De zonen vroegen hem: „Waarom hindert u ons bij de begrafenis van onze vader?” Esav antwoordde hen: „Deze plaats is niet van Ja’akov.” Nu zei Joseef: „Ik heb thuis een koopcontract, getekend onder getuigen, waarin staat dat Ja’akov deze plaats van u gekocht heeft.” Esav antwoordde: „Breng dat dan hier en laat mij dat zien.” Nu stuurde Joseef Naftalie erop uit, die rende met de snelheid van een hert en bracht al spoedig het koopcontract.

Choesjam, de zoon van Dan, die doofstom was en niet begreep waar het meningsverschil over ging, werd geweldig kwaad dat Esav de begrafenis van zijn opa, van Ja’akov, ophield. Hij ging naar hem toe en gaf hem met zijn stok zo’n harde klap dat hij het hoofd van Esav eraf sloeg. Eindelijk kon Ja’akov begraven worden met de eer die hem toekwam, in de spelonk Machpela.

Samenvatting: Wanner iemand echt een Tsaddiek is, dan wordt hij door iedereen geacht en geëerd, zelfs door de niet-joden en het bewijs daarvoor is dat ook de niet-joden Ja’akov eer bewezen en zelfs hun koningen deden dat.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[i]. Sefer Hajetsira.

[ii]. Rasji.

[iii]. Sota 87 en Rasji.

[iv]. Sefer Hajetsira.