Archief

WAJJIGASJ

de afdaling van de stammen naar egypte

[1]De broers die nu wisten dat Joseef nog leefde, wilden dat niet zo aan hun vader vertellen, omdat zij wel begrepen dat wanneer zij plotseling zouden zeggen: „Joseef leeft nog”, hij daar zó zou van kunnen schrikken dat het hem schade zou berokkenen. Daarom zeiden zij tegen Sèrach, de dochter van Asjeer, die hen tegemoet was gekomen en die heel verstandig was en heel mooi op de harp kon spelen: „Ga jij voor ons uit en speel voor onze vader op de harp. En dan zing je daarbij de woorden:  ‘Joseef leeft nog en hij regeert over Egypte’. Maar zorg ervoor dat de woorden niet al te duidelijk zijn, zodat vader langzaam maar zeker de woorden van het lied zal begrijpen en dan zal hij ook langzaam maar zeker begrijpen dat Joseef nog leeft.”

Zo deed Sèrach en toen Ja’akov hoorde dat zijn zoon Joseef nog leefde werd hij heel blij en dankte hij Hasjem en zei: „Nu zal ik afdalen naar Egypte en Joseef nog kunnen zien, voordat ik sterf.”

Ja’akov was eigenlijk bang om Erets Jisraël, dat vol was van Tora, te verlaten en af te dalen naar Egypte, dat vol was van afgoderij. Maar desondanks besloot hij toch te gaan. Op zijn weg daarheen pas­seerde hij Beëer Sjèwa’. Daar vertoonde Hasjem zich aan hem en zei tegen hem: „Ja’akov, wees niet bevreesd, daal af naar Egypte, want ik zal daar van jou een groot volk maken en Ik daal met je mee af naar Egypte en Ik zal bij je blijven en je ter zijde blijven staan.” Nu dat Ja’akov de verzekering van Hasjem had gekregen, stond hij vol vertrouwen op, nam zijn familie, die uit zesenzestig personen bestond, pakte al zijn bezittingen bijelkaar en daalde af naar Egypte, rijdende op de wagens die Joseef hem gestuurd had.

[2]Toen zij binnen de muren van Egypte kwamen werd Jochèwed geboren en nu waren er dus zeventig Israëlieten in Egypte, met inbegrip van Joseef en zijn beide zonen.

Voordat Ja’akov in Egypte was aangekomen zond hij Jehoedah voor zich uit om een woning voor hem voor te bereiden en een Beit-Hamidrasj, om daar te kunnen leren. Toen Joseef hoorde dat zijn vader al onderweg was naar Egypte, en dat hij reeds dichtbij was, besloot hij om hem met veel eer te ontvangen. [3]Joseef spande zelf zijn paarden en wagens in om zijn vader een ontvangst te bereiden. Toen de Egyptenaren zagen met welk een eerbied Joseef zijn vader behan­delde, gingen ook zij hem tegemoet om hem een ontvangst te bereiden en al de helden van Egypte en al de bedienden van Joseef stonden in speciale kleren klaar om uit te gaan en Ja’akov te ontvangen. Par’o stuurde aan Joseef zijn koninklijke kroon zodat hij die op zou zetten als hij zijn vader zou ontvangen.

[4]Joseef was bezorgd om zijn vader, dat die zou schrikken als hij na zo veel jaren, gedurende welke hij dacht dat zijn zoon dood was, Joseef weer zou terug zien. Daarom stuurde hij zijn zoon Menasjèh voor zich uit en toen Ja’akov hem zag vroeg hij aan zijn zonen: „Is dat Joseef?” „Nee,” antwoordden de zonen, „dat is zijn zoon Menasjèh”. Joseef zond vervolgens zijn jongste zoon, Efraïm achter Menasjèh aan en daarna kwam Joseef zelf, gereden in een wagen. Toen zijn wagen op een afstand van vijftig meter van de wagen van Ja’akov stond, stapte Joseef uit en ging te voet naar zijn vader toe en heel het Egyptisch leger kwam achter hem aan. Toen Ja’akov Joseef zag, ge­kleed in de koninklijke kleren met de kroon van Par’o op zijn hoofd, vroeg hij zijn zonen: „Wie is dat?” En zij antwoordden: „Dàt is Joseef, uw zoon!”

Joseef en heel het volk bogen diep voor Ja’akov. Daarna klom Joseef op de wagen van zijn vader en viel hem om z’n hals en hij kustte Ja’akov en huilde van vreugde. Maar Ja’akov, die Hasjem dankbaar was dat hij weer met zijn zoon verenigd was, wilde Hasjem zijn grote dank en eerbied doen blijken en zei daarom Keriat Sjema’ en antwoordde Joseef daarom niet, want wie Sjema’ zegt mag daarin voor niets onderbreken. Ook heel het volk dat daar omheen stond, was zeer ontroerd vanwege de onmoeting tussen Ja’akov en zijn zoon Joseef.

[5]Nadat Ja’akov zijn gebed geëindigd had, zei hij tegen Joseef: „Nu ik jou heb terug gezien kan ik in rust sterven. Want HaKadosj Baroech Hoe heeft mij gezegd dat ik twaalf zonen zou hebben. Toen mijn zonen mij vertelden dat jij dood was, dacht ik dat ik een ontzettend grote zonde gedaan had en dat ik daarom niet de komende wereld verdiende. Maar nu, dat ik gezien heb dat je nog leeft, heb ik weer twaalf zonen en nu weet ik dat ik de komende wereld verdiend heb.”

[6]Joseef besloot naar Par’o te gaan en hem om een huis voor zijn vader en broers te vragen. Hij zei tegen vijf van zijn broers, Reoeween, Sjim’on, Levi, Jissachar en Benjamin: „Willen julle met mij meegaan naar het paleis van Par’o om aan hem een woning voor jullie allen en voor vader te vragen. Ik heb speciaal jullie uitgezocht omdat jullie de zwaksten zijn van de broers, want als ik de sterkste broers meeneem, dan wil Par’o hen vast hebben als soldaten voor zijn leger. Daarom heb ik jullie uitgezocht.

Toen Joseef en zijn vijf broers in het paleis van Par’o kwamen stelde Joseef hen voor aan Par’o en sprak met hem. Joseef vroeg: „Mijn heer de koning, Wilt u alsublieft aan mijn vader en aan mijn broers een woning geven.” „Kies maar uit waar je wilt dat ze zullen wonen,” sprak Par’o.

[7]Nadat de broers afscheid van Par’o hadden genomen bracht Joseef zijn vader Ja’akov naar Par’o. De ministers van de koning zeiden tegen Og, de koning van Basjan, die opdat moment ook in het paleis van Par’o aanwezig was: „Ziet u, Og, u zei dat Awraham helemaal geen kinderen had, en kijk nu eens! Daar staat zijn kleinzoon!” Zei Par’o tegen hen: „Nee, dit is geen kleinzoon van Awraham, dit is Awraham zelf die voor jullie staat.” Want Par’o dacht dat het Awraham was die voor hem stond. Daarop zei Ja’akov: „Nee, ik ben Awraham niet, ik ben de kleinzoon van Awraham. Maar ik lijk in mijn gezicht op Awraham, en ik lijk oud vanwege alle ellende die ik heb mee gemaakt, maar ik ben Awraham niet, ik ben zijn kleinzoon.”

Nadat Ja’akov Par’o gezegend had en afscheid van hem genomen en zijn paleis verlaten had, bracht Joseef zijn vader en zijn broers naar het land Gosjen, dat hij voor hen had uitgezocht om daar te wonen. Het land Gosjen grensde aan Egypte en er waren veel weidegronden waar het vele vee van Ja’akov en zijn zonen volop konden grazen.

Samenvatting: Joseef hield heel veel van zijn vader en toen hij hem na al die jaren terug zag, omhelsde hij hem en kustte hem.

Ieder kind weet hoe belangrijk het is dat hij van zijn vader houdt en hem met eerbied behandelt.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[1]. Sefer HaJetsira

[2]. Rasji

[3]. Rasji

[4]. Jafé Toar

[5]. Midrasj Hagadol

[6]. Rasji

[7]. Jalkoet Hareoewenie en Jalkoet Sjim’oni