Archief

WAJJISJLACH

JA’AKOV ZENDT AFGEZANTEN

Ja’akov wilde terugkeren naar zijn ouderlijk huis in Erets-Jisraël, maar hij vreesde dat ’Esav hem nog steeds wilde vermoorden, omdat hij hem de zegen van hun vader met een list had afgenomen. [i]Daarom bedacht Ja’akov, dat het misschien wel de moeite waard zou zijn om enkele van zijn mannen als afge­zan­ten vooruit te sturen naar ’Esav, om met hem vrede te sluiten. Echter niemand van zijn mannen wilde als afgezant gezonden worden. Omdat Ja’akov geen andere keuze had besloot hij engelen voor zich uit te zenden, opdat zij zouden proberen vrede te sluiten.

[ii]Ja’akov gebood de engelen als volgt: „Zeg tegen ’Esav dat ik vrede met hem wil sluiten. Maar als hij oorlog zoekt, laat hem dan weten dat ik ook sterke mannen heb die met hem kunnen vechten. Bovendien ben ik er bijna zeker van dat Ha-Kadosj-Baroech-Hoe mij zal helpen. Zeg ook tegen ’Esav, dat ondanks dat onze vader Jitschak mij met het dauw van de hemel en het vette van de aarde heeft gezegend, die zegen tot nu toe niet is uitgekomen en dat ik erg geleden heb bij onze oom Lawan, de Arameër.” Ja’akov zei dit alles, opdat ’Esav zou zien hoe hij geleden had in het huis van Lawan, zodat hij hem niet meer zou haten.

De engele gingen op weg om hun opdracht te vol­brengen. Toen zij terug kwamen, zeiden zij tegen Ja’akov: „Wij hebben uw broer, ’Esav de booswicht, ontmoet, [iii]maar hij heeft nog steeds boze plannen met u, terwijl u zich tegenover hem gedraagt als een broer. Wij hebben gezien dat hij u tegemoet komt met vier­honderd man om met u oorlog te voeren.”

[iv]Bij het horen van dat nieuws schrok Ja’akov erg. Hij werd bang dat hij ’Esav zou moeten doden en dat hij, Ja’akov, ook nog andere mensen zou moeten doden en dat wilde hij helemaal niet. Ja’akov besloot zich op drie verschillende manieren voor te bereiden op zijn komende ontmoeting met ’Esav: met ge­schenken, door middel van tefillah en middels oorlog. Om te beginnen bereidde Ja’akov geschenken voor ’Esav. Hij nam tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd schapen en twintig rammen, veertig koeien en tien stieren, dertig kame­len, twintig ezelinnen en tien ezels. Al dat vee verdeelde Ja’akov in groepen. Hij gaf ze aan zijn knechten, iedere kudde apart en zei tegen hen: „Trek voor mij uit en laat ruimte tussen iedere kudde.” [v]Ja’akov deed dit om zo de ogen van ’Esav te verzadigen aan al die overdaad aan kleinvee en rundvee.

Voor hun vertrek naar ’Esav zei Ja’akov tegen zijn knechten: „Zeg tegen ’Esav: ‘Al deze geschenken worden u door Ja’akov, uw broer, gestuurd. Hij komt achter ons aan.’” Zo gingen de bedienden op weg naar ’Esav met al dat vee en Ja’akov begon nu te dawenen tot Hasjem. Dit is wat hij zei: „Alstublieft, Hasjem! Help mij en redt mij van ’Esav, die booswicht en laat mij in vrede naar mijn huis terug keren.” Nadat hij klaar was met zijn tefillah ging Ja’akov zich voorbereiden op de oorlog met ’Esav. Hij verdeelde zijn leger in twee groepen, zodat als ’Esav de ene groep zou overvallen, tenminste de andere groep in leven zou blijven.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[i]. Jalmedeinoe

[ii]. Bereisjiet Rabbah 75

[iii]. Idem

[iv]. Bereisjiet Rabbah 76

[v]. Rasji 32:17