Archief

WAJJESJEV

de dromen van de bakker en de schenker

Wij hebben al gezien dat Joseef met de Isma’elieten in Egypte was aangekomen en daar verkocht was aan Potifar. Potifar was erg op Joseef gesteld. Daarom steld hij hem aan als opper-toezichter over zijn huis. De vrouw van Potifar daarentegen hield helemaal niet van Joseef en zij beschuldigde hem van allerlei valse dingen. Tenslotte liet Potifar Joseef in de gevangenis gooien.

Hasjem was echter ook hier Joseef goed gezind en zorgde ervoor dat Joseef bij de overste van de gevan­genis in de gunst kwam. De overste van de gevan­genis stelde Joseef aan als hoofd van alle gevangenen. Alles wat Joseef zei moesten de gevangenen doen.

In dezelfde tijd dat Joseef in de gevangenis zat werd Par’o, de koning van Egypte, boos op zijn chef-bakker en op zijn opperschenker en stuurde hen naar de gevangenis. [1]De opperschenker werd opge­sloten omdat hij voor Par’o een beker wijn had klaar gemaakt van heerlijke sappige druiven en toen hij met die beker wijn naar Par’o ging om hem dat aan te bieden, viel er een vlieg in de wijn. Toen Par’o die vlieg zag, werd hij zo boos op de opperschenker, dat hij hem direkt naar de gevangenis stuurde.

De chef-bakker werd opgesloten omdat eens, toen hij iets lekkers voor Par’o wilde bakken en het deeg kneedde, er een steen in het deeg viel. Toen Par’o van de koek at die de chef-bakker hem presenteerde, vond hij de steen in de koek. Daar was hij zo kwaad over dat hij de chef-bakker onmiddellijk in de gevangenis liet gooien.

Reeds lange tijd zat Joseef in de gevangenis, samen met de opperschenker en chefbakker. Op een nacht hadden deze twee allebei hele vreemde, twee verschillende dromen. Omdat zij de betekenis van die dromen niet begrepen waren zij daar erg bedroefd en zelfs boos over. Dat zag Joseef en die vroeg daarom: „Waarom zijn jullie vandaag zo treurig en humeu­rig?” De twee antwoordden: „Wij hebben zulke vreemde dromen gehad vannacht en we begrijpen niet wat ze betekenen. Misschien kunt u ons helpen?” Joseef antwoordde hen: „Alleen G-d weet de oplossingen van dromen. Vertel mij jullie dromen en dan zal ik zien of ik ze met G-ds hulp kan verklaren.”

De opperschenker begon eerst te vertellen: „In mijn droom zag ik een wijnstok voor mij staan. Aan die wijnstok zaten drie ranken; zij zaten vol knoppen en zijn trossen zaten vol met rijpe druiven. Ik had Par’os beker in mijn hand en perste de druiven uit in de beker en ik overhandigde de beker aan Par’o.”

„Dit is de uitleg van de droom,” begon Joseef: „Die drie ranken die u heeft gezien, dat zijn drie dagen. Ze wijzen er op dat u over drie dagen uit deze gevangenis bevrijd zult worden en weer zult worden aangesteld als opperschenker voor Par’o.”

Toen de opperschenker dat hoorde was hij zeer verheugd en bedankte Joseef voor zijn wijze woorden. „Welnu,” zei Joseef, „daar u binnenkort bevrijd wordt heb ik een verzoek voor u. Wilt u, wanneer u weer voor Par’o staat, tegen hem zeggen dat een hebreeuw­se knaap, die uit het land Kena’an gekidnapt werd en verkocht aan iemand in Egypte, onschuldig in de ge­van­genis zit. Hij verzoekt om te worden vrijgelaten.” „Dat is goed,” antwoordde de opperschenker, „dat zal ik zeggen”.

De chef-bakker zag dat Joseef de droom van de opperschenker zo mooi verklaard had en hij dacht dat Joseef nu zijn droom ook wel mooi kon uitleggen. Daarom begon hij zijn droom te vertellen: „Ik droomde een hele rare droom. In mijn droom zag ik

dat er drie manden boven op mijn hoofd stonden. In de bovenste mand zat banket voor Par’o. Maar er kwam een grote vogel en die at het op.”

„Dit is de verklaring voor uw droom,” begon Joseef: „die drie manden die u gezien heeft, dat wijst op drie dagen. En dat die vogel uit de derde mand eet, betekent dat u over drie dagen onthoofd wordt en zult worden opgehangen aan een hoge paal en de vogels zullen uw vlees eten.”

En inderdaad, zo gebeurde het. Drie dagen later was het de verjaardag van Par’o en ter gelegenheid daarvan wilde hij een groot feest geven voor al zijn minis­ters en dienaren en voor al de hoogwaardig­heids­bekleders van Egypte. Tijdens het banket dacht Par’o plotseling aan de opperschenker en aan de chef-bakker, hoe die gezondigd hadden tegen Par’o en gestraft waren en hij zei tegen zijn bedienden: „Haal de opperschenker uit de gevangenis en breng hem hier zodat hij ons hier verder kan bedienen, [2]want die vlieg viel slechts per ongeluk onderweg in de beker wijn en daar was hij niet schuldig aan. Hij had het goed voorbereid, die vlieg viel er pas naderhand in. Maar die chef-bakker moet gedood worden en worden opgehangen aan een paal, want hij heeft de spot met mij gedreven en niet opgepast toen hij het brood voor mij bakte. Omdat hij bij de bereiding niet heeft opgelet en die steen er niet per ongeluk in is terecht gekomen, daarom wordt hij met de dood gestraft.”

De bedienden van Par’o haastten zich zijn bevel uit te voeren: zij brachten de opperschenker naar Par’o en de chef-bakker hingen zij op. Maar nadat de opperschenker eenmaal bevrijd was uit de gevangenis, dacht hij niet meer aan Joseef, hij was helemaal ver­ge­ten wat hij Joseef beloofd had.

Samenvatting: Joseef verzocht aan de opperschenker: „Vraag aan Par’o of hij mij uit deze gevangenis wil bevrijden.” Maar de opperschenker vergat dat. Waarom? Omdat Joseef tot Hasjem had boeten bidden en Hem had moeten vroegen om hem te bevrijden in plaats van dat aan een mens te vragen. Daarom werd hij gestraft en moest hij nog twee jaar in de gevangenis blijven. Hiervan kunnen wij leren dat alles waaraan het ons ontbreekt en alles wat wij willen, dat moeten wij aan Hasjem vragen.


 

[1]. Bereisjiet Rabbah

[2]. Lekkach Tov