Archief

MIKKEETS

de broers van joseef

[1]De zeven jaren van overvloed gingen snel voorbij en daar achteraan kwamen – zoals Joseef voorspelt had – zeven hele moeilijke jaren van hongersnood. De honger kwam niet alleen in Egypte, maar ook in de landen rondom Egypte heerste hongersnood. Alleen in Egypte was nog voedsel te verkrijgen, omdat Joseef in de jaren van overvloed graan had laten opslaan. Daarom kwamen de mensen van al de buurlanden van Egypte naar Egypte toe om daar van Joseef wat eten te kopen om in leven te blijven.

Joseef, die reeds vele jaren zijn vader en broers niet gezien had, wilde hen erg graag eens ontmoeten. Hij bedacht dat dit een goede gelegenheid zou zijn. Ten einde zijn broers te kunnen ontmoeten liet hij in alle landen bekendmaken dat iedereen die voedsel wilde kopen in Egypte om in leven te blijven, die moest zijn kinderen zenden, want alleen de kinderen zouden eten krijgen.

Joseef wist wel dat zijn broers naar Egypte zouden komen om eten te kopen. Daarom zei hij tegen zijn wachters: „Houdt de wacht bij de toegangs­poorten van Egypte en schrijf de namen op van alle mensen die Egypte binnenkomen en ook de namen van hun vaders en grootvaders. Iedere dag leveren jullie de lijsten met namen bij mij in.” Ieder dag con­tro­leerde Joseef de lijsten met namen in de hoop daarop de namen van zijn broers tegen te komen.

Laten wij nu eens zien wat er intussen in het huis van Ja’akov gebeurde.

In Israël heerste een zware hongersnood en in het huis van Ja’akov was bijna geen voedsel meer over. Toen Ja’akov zag dat het voedsel opraakte, zei hij tegen zijn zonen: „Jongens, ik heb gehoord dat in Egypte nog voedsel te krijgen is, neem dus geld mee en ga naar Egypte en koop daar wat eten voor ons.”

De zonen luisterden naar hun vader, namen geld mee en bereidden zich voor op de reis. Maar voordat zij vertrokken wendde Ja’akov zich nog eens tot hen en zei: „Mijn zonen, ga niet allemaal gezamelijk door één poort Egypte binnen, maar verspreidt jullie en ieder gaat Egypte binnen via een andere poort. Jullie zijn namelijk allemaal sterke helden en als jullie allemaal gelijk door de zelfde poort Egypte binnen gaan, zouden de Egyptenaren dat wel eens verkeerd kunnen opvatten.” En Ja’akov ging verder en zei: „Ik verzoek jullie om Benjamin niet mee te nemen, want ik ben bang dat hem een ongeluk onderweg zou overkomen.”

De tien broers namen afscheid van Ja’akov en Benjamin en gingen op weg naar Egypte. Onderweg moesten de broers aan Joseef denken en aan zijn ver­koop aan de Midjanieten die naar Egypte onder­weg waren en ze zeiden tegen elkaar: „Joseef zal wel in Egypte zijn, laten we hem zoeken, voordat wij graan gaan kopen en als wij hem gevonden hebben, kopen wij hem terug uit de handen van zijn meester.” In­stem­mend met dit besluit vervolgden de broers hun weg, totdat zij aankwamen in Egypte. Daar aan­ge­komen verspreidden zij zich alle tien over ver­schil­lende poorten. Toen zij de poorten doorgingen, wer­den zij aangehouden door de wachters en die vroegen aan iedere broer: „Hoe heet je, hoe heet je vader en hoe heet je grootvader?”

Die avond overhandigden de wachters de lijsten met namen aan Joseef en toen Joseef de namen las, zag hij ook de namen van zijn broers tussen al die andere namen – Reoeween ben Ja’akov ben Jitschak, Sjim’on ben Ja’akov ben Jitschak, Jehoedah ben Ja’akov ben Jitschak, Jissachar en Zewoeloen, Gad en Asjeer, Dan en Naftalie. Alleen de naam van Benja­min, zijn jongste broertje, vond Joseef niet tussen al die namen van de lijsten. Joseef riep zijn bedienden bijelkaar en zei tegen hen: „Sluit onmiddellijk al de poorten, waar voedsel verdeeld wordt, en laat slechts één poort open. Wanneer daar dan mannen door­ko­men met de volgende namen: Reoeween, Sjim’on, Levi, Jehoedah, Jissachar, Zewoeloen, Gad, Asjeer, Dan en Naftalie om voedesel te halen dan sturen jullie hen naar mij toe.

Drie dagen wachtten de wachters van Joseef bij de poort, maar geen van de mensen met een naam die Joseef hen had opgegeven, verscheen. Want de broers zochten Joseef voordat zij voedsel gingen kopen. Toen Joseef zag dat zijn broers niet kwamen opdagen, stuurde hij zijn dienaren om hen op te halen. De bedienden van Joseef gingen er opuit en zochten de broers en toen zij hen gevonden hadden zeiden zij tegen hen: „De onderkoning van Egypte roept jullie bij zich.” Zo gingen de tien broers naar Joseef, die op zijn koninklijke troon zat en gekleed was in schit­terende koninklijke kleren. Zij wierpen zich voor Joseef neer en Joseef herkende hen onmiddellijk en besloot zich nog niet aan hen bekend te maken. Hij wendden zich tot hen en vroeg: „Waar komen jullie van­daan?” „Wij komen uit het land Kena’an”, ant­woordden de broers, „wij wilden wat voedsel kopen.” Daarop zei Joseef: „Wanneer jullie alleen maar ge­ko­men zijn om voedsel te kopen, waarom dan zijn jullie langs tien verschillende poorten binnen gekomen? En niet alleen dat, maar jullie hebben ook nog gedurende drie dagen in Egypte rond gelopen zonder dat jullie kwamen om eten te kopen. Betekent dat niet dat jullie spionnen zijn?”

De broers antwoordden: „Nee meneer de koning, wij zijn geen spionnen. Wij zijn via tien veschillende poorten binnen gekomen omdat onze vader ons dat heeft opgedragen en wij hebben drie dagen rond­ge­zworven door Egypte omdat wij oorspronkelijk met twaalf broers van één vader waren en één van de broers is verloren gegaan en wij kwamen hem nu hier zoeken.”

Joseef vroeg: „Hebben jullie in al de andere landen van de wereld gezocht en alleen nog niet in Egypte?” „Nee,” antwoordden de broers, „maar wij hebben een gerucht vernomen dat onze broer door Isma’elieten gestolen zou zijn en dat zij hem in Egypte verkocht hebben. Daarom zoeken wij hem hier.”

„Dat is een mooi verhaal!” antwoordde Joseef. „Als jullie willen dat ik dat geloof, dan arresteer ik jullie allemaal op één na en die gaat terug  en brengt mij jullie broer die thuis achter gebleven is, want jullie hebben immers gezegd dat jullie met zijn twaal­ven waren en dat er één verloren is gegaan. En ik zie hier maar tien mannen voor mij staan. Wanneer jullie verhaal waarheid is, dan moeten jullie dus nog een broer hebben.”

Toen de broers dat hoorden, zeiden zij tegen elkaar: „Deze narigheid komt alleen maar omdat wij niet geluisterd hebben naar Joseef toen hij ons smeekte om hem met rust te laten.” Daarop reageerde Reoeween en zei: „Ik had jullie toch gezegd het kind met rust te laten, nu zien jullie wat er van gekomen is.”


[1]. Bewerkt naar Sefer HaJetsira.

õ õ õ