Archief

WAJECHIE

de zegen van menasjÈh en efraïm

Ja’akov had reeds zeventien jaar in Egypte gewoond toen hij ziek werd en hij voelde dat hij zou gaan sterven. [i]Het was een wonder dat Ja’akov ziek werd, voordat hij stierf. Waarom was dat een wonder? Omdat tot dan toe nog nooit iemand ziek was geworden voordat hij stierf. Tot dan toe nieste iemand en daarmee blies hij zijn laatste adem uit en stierf meteen. Zodoende wisten de mensen nooit of hun einde nabij was of niet. Maar Ja’akov vroeg aan HaKadosj Baroech Hoe om de mensen ziek te maken voor­dat zij zouden sterven, zodat zij zouden weten wanneer hun dood nabij was en zij afscheid zouden kunnen nemen van hun kinderen en kleinkinderen. Met dat verzoek van Ja’akov stemde HaKadosj Baroech Hoe in.

Zodoende, nu Ja’akov ziek was, begreep hij dat zijn einde genaderd was. [ii]Daarom zei hij tegen Efraïm, de zoon van Joseef, die bij hem Tora leerde: „Ga jij je vaders eens halen.”

Efraïm haastte zich naar zijn vader Joseef en zei: „Vader, kom snel, opa is erg ziek en hij laat u roepen.”

Snel ging Joseef naar Ja’akov om te zien hoe het met hem ging en toen Joseef bij Ja’akov aankwam zei Ja’akov tegen hem: „Je moet weten, mijn zoon, dat ik binnenkort zal sterven en daarom verzoek ik je om mij te begraven in de grot Machpelah in Israël.” Joseef antwoordde: „Ik zweer u, vader, dat ik uw verzoek zal uitvoeren.”

Enige dagen later kwam Efraïm weer bij zijn va­der en zei: „Vader, opa roept u weer.” Snel ging Joseef met zijn beide zonen Menasjèh en Efraïm naar zijn vader. Ja’akov was intussen blind geworden en toen hij Jo­seef hoorde binnenkomen, maakte hij zich sterk en kwam overeind van zijn bed, uit eerbied voor het ko­ningschap, want Joseef was toch immers de onder­koning van Egypte! Ja’akov zei tegen Joseef: „Mijn zoon, HaKadosj Baroech Hoe is aan mij ver­schenen in het land Kena’an en zei tegen mij dat mijn nakome­lingen zich zouden vermenigvuldigen als de sterren aan de hemel en als het stof van de aarde. Van nu af aan zullen jou zonen beschouwd worden als mijn zo­nen en zij zullen allebei – Menasjèh en Efraïm – ge­rekend worden ieder als een aparte stam. Daarom wil ik hen nu zegenen.” Omdat Ja’akov blind was wist hij niet hoe de beide zonen van Joseef voor hem stonden. Joseef liet zijn oudste zoon – Menasjèh – rechts voor Ja’akov staan en zijn jongste zoon – Efraïm – links voor Ja’akov, opdat Ja’akov zijn rechter hand op het hoofd van Menasjèh zou leggen en zijn linker hand op het hoofd van Efraïm. Maar Ja’akov deed niet zoals Joseef het wilde, maar legde zijn rechter hand op het hoofd van de jongste zoon – Efraïm – en zijn linker hand legde Ja’akov op het hoofd van de oudste zoon – Menasjèh.

„Niet zo, vader,” zei Joseef, die dacht dat zijn vader zich vergiste omdat hij niet goed meer kon zien, „niet Efraïm is de oudste zoon maar Menasjèh.” „Ik weet het,” zei Ja’akov, „maar omdat de nakomelingen van Efraïm grotere tsaddiekiem zullen zijn dan de nakomelingen van Menasjèh, daarom leg ik mijn rechter hand op het hoofd van Efraïm en mijn linker hand op het hoofd van Menasjèh.”

Daarna zegende Ja’akov Efraïm en Menasjèh en zei: „Moge de engel, die mij van alle kwaad verlost heeft, ook de jongens zegenen …” en hij vervolgde en wenste dat dat iedere vader die zijn zoon wilde zegenen, zou zeggen:

„Moge G-d je doen worden als Efraïm en Menasjèh”

Toen Ja’akov klaar was met de zegen zei hij tegen Joseef: „Ik ga nu sterven. G-d zal met jullie zijn en Hij zal jullie terug voeren naar het land van jullie voor­vaderen,” naar Erets-Jisraël.

Samenvatting: De zegen van een tsaddiek is heel erg belangrijk en daarom zien wij dat Joseef veel moeite deed om de zegen van zijn vader voor zijn zonen te krijgen.

 

Ja'akovs zegen voor zijn zonen
 

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[i]. Baba Metsia 87.

[ii]. Rasji 48:1