Archief

WAJJISJLACH

de dood van racheel

Ja’akov trok verder het land Kena’an in en ver­overde de grote stad Sjechem op Chamor en zijn mannen. Daar verscheen G-d opnieuw aan Ja’akov en zei: „Maak je gereed, trek naar Beth-El en vestig je daar; maak daar een altaar voor je G-d.”

Ja’akov zei tegen zijn familie en tegen iedereen die bij hem was: „Gooi alle afgodsbeeljes weg die jullie bij je hebben, reinig jezelf en trek schone kleren aan, want wij naderen het huis van G-d.” Ze gaven allemaal aan Ja’akov al de vreemde afgodsbeelden en Ja’akov begroef ze onder een boom in Sjechem.

Toen zij aankwamen in Beth-El bouwde Ja’akov daar een altaar voor Hasjem, want daar was Hasjem hem verschenen toen hij op de vlucht was voor ’Esav. En daar verscheen Hasjem opnieuw aan Ja’akov, Hij zegende hem en zei tegen Ja’akov: „Ik ben G-d, de Almachtige; een volk, ja vele volken zullen uit jou voortkomen. Het land, dat Ik aan Awraham en aan Jitschak beloofd heb, geef Ik aan jou en aan je nakomelingen.”

Daarna trok Ja’akov op van Beth-El. Het was nog maar een klein stukje tot Efrath toen Racheel bevallen moest en het werd een heel zware bevalling. „Het wordt weer een jongetje!” zei de vroedvrouw [i]om haar te troosten. Maar voor Racheel was het al bijna te laat. Ze zei, terwijl zij stierf: „Laat hij Ben-Oni – Smartekind – genoemd worden.” Maar Ja’akov noemde hem Benjamin, – [ii]Gelukskind.

Racheel stierf  en werd daar begraven, op de weg naar Efrath, dat heet nu Beth-Lechem. Ja’akov plaat­ste een gedenksteen op haar graf en die gedenk­steen staat er nog altijd. [iii]En waarom Racheel daar langs de weg begraven werd? Later, wanneer haar kinderen als gevangen in ballingschap zouden worden weg gevoerd, zouden zij daar langs haar graf komen en dan zou Racheel voor hen bij Hasjem om erbarmen kunnen smeken.


 

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[i] Bereisjiet Rabbah 82:8

[ii] Vergelijk Ramban: ‘zoon van kracht’

[iii] Bereisjiet Rabbah 82:10