Archief

CHAJJEI SARA

de dood van sarah

Nadat Awraham en Jitschak naar de berg Moria waren gegaan om daar de opdracht van Hasjem uit te voeren, was Sarah alleen thuis achter gebleven. Een oude man kwam haar daar bezoeken. Het was echter de Satan die zich vermomd had als een oude man. De Satan had Awraham willen verhinderen de mitswa uit te voeren, maar nu hij gemerkt had dat hij dat niet kon, besloot hij Sarah bang te maken.

Toen de Satan bij het huis van Awraham en Sarah aankwam, vroeg Sarah hem: „Wat wilt u, mijnheer?” De Satan antwoordde: „Oi, Sarah, er is iets heel ergs met je arme zoon gebeurd!” Sarah schrok geweldig: „Wat is er gebeurd? Vertelt u het mij toch alstublieft!” De Satan antwoordde: „Je zoon, de stumper, wordt geofferd door zijn vader, hij zal een slachtoffer zijn voor Hasjem. Hoe hij ook huilde en zijn vader om genade smeekte, zijn bitter lot staat vast.”

Bij het horen van die woorden was Sarah zo geschokt dat zij geen woord uit kon brengen. Maar toen zij zich een beetje hertelde van de eerste schok barstte zij in huilen uit en liet zich van pure ellende op de grond vallen, smeerde as op haar hoofd en riep vol smart uit: „Jitschak! Oi, Jitschak, mijn zoon! Kon ik maar in jouw plaats sterven! Och arme ik, nadat ik je heb groot gebracht en zoveel plezier in je heb gehad wordt mijn plezier omgezet in rouw, in verdriet en smart. Och arme ik, dat jij, die ik zo zeer lief had omdat je in mijn ouderdom bent geboren, nu moet sterven!” En zo huilde zij nog lange tijd.

Slechts één ding kon Sarah, die goede vrouw, een beetje troosten en dat was dat Awraham en Jitschak dat gedaan hadden voor Hasjem. Sarah besloot er opuit te gaan om het lichaam van Jitschak te gaan zoeken. Maar voordat zij op weg ging naar Chewron om Jitschak ter zoeken, wendde zij zich tot haar bedienden en zij tegen hen: „Bedienden, ga naar het leerhuis van Sjeem en ’Éwer en kijk of je daar Jitschak kunt vinden!”

Onderweg naar Chewron vroeg Sarah de voor­bij­gangers: „Hebben jullie misschien mijn zoon Jitschak en Awraham gezien?”

„Nee, wij hebben ze niet gezien,” antwoordden de mensen dan. Maar opnieuw ontmoette Sarah de Satan, vermomd als een oude man. Hij kwam naar haar toe en zei plotseling: „Sarah, ik heb tegen je gelogen, Jitschak, je zoon is niet geofferd, hij is springlevend!”

Toen Sarah dat hoorde was zij zo blij dat haar zoon nog leefde en gezond was dat zij van pure vreugde omviel en ter plekke stierf. Sarah was 127 jaar toen zij stierf, [1*]en ondanks haar hoge ouderdom was Sarah nog steeds vrij van iedere zonde of over­treding, als een klein meisje van zeven jaar, dat nog nooit gezondigd heeft.

õ

Awraham en Jitschak maakten hun werk op de berg Moria af en gingen toen terug naar huis, naar Sarah. Maar thuis gekomen vonden zij de deur en alle ramen van het huis gesloten en op slot en Sarah was niet thuis. Dat verbaasde Awraham en Jitschak en zij vroegen de buren: „Waar is Sarah?” En zij ant­woord­den: „Sarah is naar Chewron gegaan om jullie te zoeken.”

Toen Awraham en Jitschak dat hoorden, gingen zij onmiddellijk op weg naar Chewron om Sarah daar te zoeken. Onderweg zagen zij een grote groep mensen, die zich op één van de wegen verzameld hadden. Toen zij dichterbij gekomen waren zagen zij hoe Sarah op de grond lag, zonder levensgeest. Nu begon Awraham luid te wenen en Jitschak liet zich op het gezicht van zijn moeder vallen, huilde en riep vol bittere smart: „Mamma, mamma! Waarom heb je mij verlaten?” Alle mensen daar waren zeer bedroefd en treurden dat een zo groot en geliefde vrouw was gestorven en van hen was heen gegaan.

Awraham en Jitschak organiseerden een indruk­wek­kende rouwdienst ter ere van Sarah. Daarna pro­beerde Awraham voor haar een passende graf te vinden, waar hij zijn goede vrouw kon begraven. Daarom wendde hij zich tot Chittieten die daar woon­den en vroeg hen: „Willen jullie mij alstublieft een stukje grond verkopen, waarin ik mijn vrouw Sarah kan begraven.” De Chittieten antwoordden hem: „Alstublieft, Awraham, zoek zelf maar een stukje grond uit dat je wilt hebben.” Awraham ging naar ’Èfron, de zoon van Tsohar en zei tegen hem: „Wilt u mij alstublieft de spelonk Machpela verkopen.  Ik wil mijn vrouw Sarah begraven in een voorname plaats en de spelonk Machpela lijkt mij daarvoor precies geschikt.” ’Èfron antwoordde hem: „U mag het gratis hebben!” Toen boog Awraham heel diep voor de Chittieten en zei tegen ’Èfron: „Wilt u er toch alstublieft geld voor aannemen, zodat ik mij dode in de spelonk Machpela kan begraven.” ’Èfron antwoordde: „Dat is goed, geef mij maar vierhonderd goudstukken voor die spelonk Machpela.”

[2*]Hier zien wij wat een naar karakter die ’Èfron had. Iemand van veel woorden maar weinig daden. In het begin had hij imers  gezegd dat hij de spelonk Machpela gratis aan Awraham wilde geven. Maar tenslotte eiste hij van hem een een enorm groot bedrag.

Nadat Awraham het geld aan ’Èfron betaald had ging hij Sarah in de spelonk Machpela begraven met de haar toekomende eer. [3*]Sjeem, de zoon van Noach, en ’Éwer – twee voorname mannen en grote geleerden in die tijd, droegen haar baar. Al de grote en belanrij­ke mensen van het land kwamen naar de begrafenis en hielden een rouwtoespraak, want iedereen wist welk een goede en hoogstaande vrouw Sarah was geweest. Iedereen betreurde haar dood en alle mensen van het land kwamen Awraham en Jitschak troosten.

Sammenvatting: Van het verhaal over de dood van Sarah kunnen wij leren dat de mitswa om een dode uitgeleide te doen naar zijn laatste rustplaats een hele belangrijke mitswa is en zo ook het troosten van de nabestaanden van de dode. Ook dat is een hele belangrijke mitswa. En zoals men Sara voor de laatste keer begeleidde en Awraham en Jitschak troostte, zo moeten ook wij iemand uitgeleide doen naar zijn laatste rustplaats en zijn nabestaanden en rouwenden troosten

Bronnen van de Midrasj

[1*]   Rasji, Bereisjiet 23:1

[2*]   Rasji, Bereisjiet 23:16
[3*]   Sefer Hajerah