Archief

CHAJJEI SARA

eli’ezer haalt rivka

Nadat Sarah gestorven wasa vroeg Awraham aan Eli’ezer, zijn bediende: „Wil je een meisje gaan zoeken, dat ik aan Jitschak, mijn zoon, tot vrouw kan geven. Zweer mij dat je geen meisje zult nemen van de kena’anietische dochters, maar uitsluitend een van de meisjes van Charan.”

Op het horen van het verzoek van Awraham, haast­te Eli’ezer zich dat uit te voeren. Maar hij was bang dat het meisje misschien niet met hem mee zou willen gaan naar het huis van Awraham. Daarom vroeg Eli’ezer aan Awraham: „Wat moet ik doen als het meisje weigert mee te gaan naar uw huis?” Ant­woordde hem Awraham: „Eli’ezer, mijn trouwe dienaar, als het mogelijk, is zul je een geschikte vrouw vinden om met mijn zoon Jitschak te trouwen en als zij weigert met je mee naar huis te gaan – wel, dan ben je van je verplichtingen ontslagen!”

Daarop zei Eli’ezer tegen Awraham: „Mijn heer, hierbij zweer ik dat ik al het mogelijke zal doen om een geschikt meisje te vinden, waar Jitschak mee zal kunnen trouwen en om haar mee naar huis te nemen.”

Daarna gaf Awraham aan Eli’ezer tien kamelen *die hij een muilkorf omdeed, zodat zij onderweg niet konden eten van de velden waar zij doorheen trokken. *Op de kamelen laadde Awraham van allerlei mooie dingen en ook gaf hij hem een brief mee, waarin geschreven stond dat Jitschak al de bezittingen van Awraham zou krijgen als hij getrouwd was. Ook al de sleutels van al de schatkamers van Awraham gaf hij aan Eli’ezer mee.

Met al de schatten, die Awraham hem gegeven had, vertrok Eli’ezer op weg naar Aram Naharaïem. Daar hoopte hij een meisje te vinden voor Jitschak.

Toen Eli’ezer in Aram Naharaïem was aange­komen, liet hij de kamelen naast een waterput staan en bad tot Hasjem: „Heer der wereld, weest toch alstublieft mijn meester Awraham goedgunstig gezind en brengt u een geschikt meisje op mijn weg waarmee zijn zoon Jitschak kan trouwen.”

Eli’ezer besloot voor zichzelf tekenen vast te stellen, waaraan hij zou kunnen zien of het meisje geschikt was voor Jitschak. Hij besloot dat hij aan ieder meisje, dat naar de put zou komen om daar water te scheppen, zou vragen: „Laat mij ook wat water slurpen” – en het meisje dat aan zijn verzoek zou voldoen en ook de kamelen te drinken zou geven, dat zou geschikt zijn voor Jitschak.

Daar naderde reeds een jong meisje – Rivka was haar naam. *Zij was eigenlijk helemaal niet gewoon water uit de put te scheppen, dat was de taak van haar dienstmeisje. Maar vandaag had Hasjem haar ingege­ven dat zij zelf naar de put zou gaan om water te schep­pen.

*Toen Rivka de put naderde om water te scheppen, kwam het water vanzelf naar haar omhoog en zij hoefde zich helemaal niet te bukken om het water er uit te scheppen. Dat vond Eli’ezer schit­terend. Dus hij stapte naar haar toe en vroeg: „Wil je mij wat water laten drinken!” Rivka haastte zich om aan zijn verzoek te voldoen, ze rende naar de put en schepte een heleboel water voor hem, hoewel hij maar een beetje water gevraagd had. *Met een vriendelijk gezicht gaf zij hem de waterkan en zei: „Drink, mijn heer, hier is de kan. Dan zal ik daarna ook de kamelen te drinken geven.”

*Toen Eli’ezer de goede manieren van Rivka zag, dacht hij bij zichzelf: „Hasjem heeft mijn missie doen slagen, dit is het meisje dat geschikt is voor Jitschak om mee te trouwen.” Nadat hij klaar was met drinken nam Rivka de kan weer van hem over en begon water uit de put te scheppen voor de kamelen van Eli’ezer. Daar Eli’ezer Rivka aardig vond en zij hem geschikt leek om met Jitschak te trouwen, haalde hij uit zijn zadeltas gouden ringen en nog veel meer schitterende sieraden, bood ze Rivka aan en vroeg: „Vertel mij eens, wiens dochter ben jij? En hebben jullie mis­schien

 


 

thuis een plaats voor mij om te overnachten?” Rivka antwoordde: „Ik ben de dochter van Bethoeël ben Nachor en Milka en in ons huis is plaats om te overnachten, zowel voor u als voor de kamelen.”

Toen Eli’ezer zag hoe een goed hartje Rivka wel had en hoe wijs zij was, dankte Eli’ezer Hasjem dat Hij hem dit verstandige en goede meisje op zijn weg gestuurd had om met Jitschak te trouwen.

*Rivka, die pas drie jaar was, rende naar huis om haar ouders de komst van een belangrijke gast aan te kondigen. Toen haar broer Lawan de dure ringen zag die zijn zus gekregen had, bedacht hij dat Eli’ezer dan vast wel een heleboel geld bij zich zou hebben. En dat zou hij best van Eli’ezer willen stelen. Dus rende hij hem tegemoet, en nodigde hem uit naar zijn huis te komen. Daarentegen rende Rivka Eli’ezer tegemoet uit louter goedheid en zij nodigde hem uit naar haar huis te komen en te eten en te drinken. Haar bedoelingen waren niet dezelfde bedoelingen als van haar broer, die niets anders wilde dan Eli’ezers geld te stelen.

Eli’ezer nam de uitnodiging van Rivka aan *en ging met haar het huis binnen, verwijderde onmid­dellijk de muilkorven van de bekken van de kamelen en gaf hun eerst eten, voordat hij zelf begon te eten. En zo hoort iedereen het te doen: eerst moet je voor je huisdieren zorgen en pas daarna mag je aan jezelf denken.

Het eten was al op tafel gezet, *maar daarvóór had Bethoeël, die met Lawan samenspande, vergif in de salade van Eli’ezer gedaan. Want hij durfde Eliëzer niet gewoon te vermoorden omdat hij gezien had hoe Eli’ezer de kamelen twee aan twee tegelijk optilde en ze zo neerlegde op hun ligplaats. Daaruit begreep hij dat Eli’ezer enorm sterk was en daarom ook durfde hij niet met hem te vechten.

Voordat Eli’ezer begon te eten, zei hij: *„Ik wil  eerst graag mijn verhaal vertellen zodat we niet tijdens de maaltijd hoeven te praten.” Daar stemde iedereen mee in, dus begon Eli’ezer: „Ik ben door Awraham, mijn meester, hierheen gezonden met het doel om een meisje te vinden dat geschikt is om met zijn zoon Jitschak te trouwen. En nu dat ik de goede eigenschappen van Rivka gezien heb, verzoek ik u dat zij met mij meegaat naar het huis van mijn meester. Ik verzeker u dat haar heel veel eer te wachten staat, want Awraham is een heel belangrijk man. Hij heeft veel zilver en goud, slaven en slavinnen en heel veel kleinvee en rundvee. En daarom,” zo ging Eli’ezer verder, „wilt u misschien Rivka wel met mij mee sturen naar het huis van mijn meester Awraham?”

De familie van Rivka wendde zich nu tot haar en vroegen haar: „Wil je met die man meegaan?”

„Ja!” – antwoordde Rivka – „ik ga ermee akkoord met hem mee te gaan.”

Nu Rivka gezegd had dat zij er mee instemde om met Eli’ezer mee te gaan, vond ook de familie het goed. Eli’ezer, die enorm blij was dat Rivka en haar familie met zijn voorstel instemden, bracht nu allerlei cadeautjes voor Rivka te voorschijn en lekkernijen voor de familie. Daarna aten en dronken zij van het eten dat de familie van Rivka  op tafel had gezet en van de lekkernijen die Eliëzer had meegenomen.

*En nu gebeurde er een wonder voor Eli’ezer, dankzij de verdiensten van zijn meester Awraham. Er kwam een engel die het bord van Eli’ezer verwisselde met het bord van Bethoeël, die het vergif in het eten van Eli’ezer had gedaan. En Bethoeël, die van dat ver­gif­tigde eten had gegeten, stierf.

De volgende dag gingen Rivka en Eli’ezer op weg naar het huis van Awraham. *Op die dag trok Jitschak eropuit naar het veld om daar wat te praten – dat wil zeggen, om daar zijn middaggebed te zeggen. Toen hij zijn tefilla beëindigd had, hief hij zijn ogen op en zag in de verte een karavaan kamelen zijn richting uit komen. Op dat zelfde moment sloeg ook Rivka haar ogen op, *en toen zij Jitschak zag, die omhuld was met zijn tsietsiet en zó op een engel van Hasjem leek, vroeg zij aan Eli’ezer: „Wie is dat?” en hij ant­woord­de haar: „Dat is Jitschak, de zoon van mijn mees­ter.” Toen Rivka dat hoorde haastte zij  zich, uit beschei­den­­heid, haar gezicht te bedekken met een sluier.

Nadat Jitschak van Eli’ezer gehoord had wie het meisje was en hoe goed zij wel was, nam hij haar mee naar zijn tent en trouwde hij met haar, zoals de wet dat voorschrijft. *Vanaf dat moment keerden alle wonderen weer terug, die gestopt waren sedert de dood van Sarah, zoals de wolk die altijd boven de tent hing, die keerde nu terug en hing nu boven de tent van Rivka; het licht dat altijd bleef branden van ’èrev sjabbath tot ’èrev sjabbath toen Sarah nog leefde, kwamen nu weer terug en begon weer te branden van van ’èrev sjabbath tot ’èrev sjabbath; en de zegen die rustte op haar deeg, rustte ook nu weer op het deeg van Rivka.

Samenvatting: Als iemand dorst heeft, moet men hem water te drinken geven. Veel kunnen wij leren van de goede eigenschappen van Rivka en van haar bescheidenheid.

Bronnen van de Midrasj

Bereisjiet Rabba 59; Bereisjiet Rabba; Lekach Tov; Tanchoema; Rasji 24:24; Agadat Bereisjiet e.a.