Archief

WAJJISJLACH

Ja’akovs gevecht met de engel

Nadat Ja’akov al de voorbereidingen klaar had, bracht hij zijn familie naar de overzijde van de rivier de Jabbok. Ja’akov bleef alleen achter. [i]Die avond kwam er een engel naar hem toe, de beschermengel van ’Esav, in de vermomming van een herder. Op zijn rug droeg hij allemaal pakjes. Zodra de herder Ja’akov zag, ging hij naar hem toe en vroeg hem: „Kunnen wij onze bagage niet ruilen, jij draagt mijn last en mijn pakjes en ik zal jouw last dragen, dan kan ieder de bagage van de ander de rivier overbrengen.

Dat vond Ja’akov een goed voorstel en hij bracht de bagage van de herder naar de andere kant van de rivier maar [ii]plotseling ontdekte Ja’akov dat hij enkele pakjes vergeten was aan de andere kant van de rivier, dus ging hij terug om ze te halen.

Daar begon de herder – de beschermengel van ’Esav, die nog niet de rivier was over gestoken – te vechten met Ja’akov. Heel de nacht vochten zij maar de engel slaagde er niet in om Ja’akov te kwetsen. Toen het licht begon te worden brak voor de engel de tijd aan om zijn ochtendlied voor Ha-Kadosj-Baroech-Hoe te zingen. Hij gaf met zijn hand een harde klap op de heup van Ja’akov, waardoor diens heupspier verwrongen werd. Daarop zei de engel tegen Ja’akov: „Laat me los, want de ochtend is aangebroken!” Maar Ja’akov ant­woord­de hem: „Nee, ik laat u niet los voordat u mij geze­gend heeft.”

De engel vroeg nu aan Ja’akov: „Hoe heet je?” en Ja’akov antwoordde: „Mijn naam is Ja’akov!” De engel zei: „Je naam zal niet langer Ja’akov zijn, [iii]want dat betekent oplichting en bedrog, maar Israël zal voortaan je naam zijn, dat betekent meerderheid en verschijning.” Dat wil zeggen: De mensen zullen zeggen dat tot nu toe de zegeningen gekomen zijn door oplichting en bedrog van Ja’akov, maar vanaf nu omdat hij zich de meerdere van een engel heeft getoond en een g-ddelijke verschijning heeft gehad. Nadat de engel Ja’akov gezegend had vroeg Ja’akov hem: „Hoe heet u?” De engel antwoordde: [iv]Ik heb geen vaste naam, mijn naam verandert iedere keer dat ik wordt uitgezonden om een opdracht te vervullen.” Pas daarna liet Ja’akov de engel los en hij zegende hem ook en de engel ging terug naar Hasjem om Hem te bejubelen.

Die plaats, waar Ja’akov met de engel gevochten had, noemde hij Peniël, dat betekent: Het gezicht van G-d, want daar hij het gezicht van een engel van G-d gezien.

[v]Omdat Ja’akov nu hinkte doordat zijn heupspier verwrongen was, gebeurde hem een wonder. De zon, die de pijn geneest, begon vroeger dan gewoonlijk te schijnen en daardoor genas Ja’akov.

Ter herinnering aan de klap die de engel Ja’akov gaf, eten de nakomelingen van Israël – wij Joden –die verwrongen spier niet, want dat was de plaats waar de engel Ja’akov getroffen had.

Samenvatting: Wij leren van de geschiedenis over Ja’akov en de engel, dat Ha-Kadosj-Baroech-Hoe de tsaddiekiem geneest, want ook toen Ja’akov hinkte doordat de engel hem geslagen had, deed Hasjem een wonder voor hem en bracht de zon vroeger aan de hemel dan normaal opdat de zon Ja’akov zou genezen.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[i]. Bereisjiet Rabbah 77.

[ii]. Choelien 91

[iii]. Rasji 32:29

[iv]. Bereisjiet Rabbah

[v]. Rasji 32:32