Archief

WAJJÉTSÉ

Ja’akov in charan

Ja’akov vervolgde zijn weg naar Charan en [i]op­nieuw deed Hasjem een wonder voor hem: met een enkele grote sprong was Ja’akov in Charan. Toen hij daar aankwam zag Ja’akov voor de ingang van de stad een put waarop een reusachtig grote steen lag. Rond­om de put zaten enkele herders met hun kleinvee. Die herders lieten iedere dag hun kleinvee uit de put drinken [ii]en omdat er maar weinig water in de put zat en de herders niet wilden dat het water verloren zou gaan, legden zij iedere avond een grote steen op de put en ’s ochtends haalden zij dan die steen er weer af.

Bij Ja’akovs aankomst waren er nog maar weinig herders rond de put verzameld en omdat de steen erg zwaar was, wachtten zij op hun collega’s om hen te helpen.

Toen Ja’akov de herders om de put zag zitten, vroeg hij hun: „Waar komen jullie vandaan?” Zij antwoordden hem: „Wij komen uit Charan.” Daarop vroeg Ja’akov weer: „Kennen jullie soms Lawan, de zoon van Nachor?” „Jazeker kennen we die,” ant­woordden hem de herders. „Gaat het goed met hem?” vroeg Ja’akov. „Ja”, was het antwoord.

En Ja’akov ging verder met vragen: „Waarom geven jullie je vee niet te drinken?” En de herders antwoordden hem: „Die steen is veel te groot en te zwaar, die kunnen wij alleen niet van die put aftillen. Daarom wachten wij totdat er nog meer herders komen die ons daarmee kunnen helpen.”

Juist op dat moment naderde er meisje en de herders zeiden tegen Ja’akov: „Kijk, daar komt een dochter van Lawan, Racheel is haar naam.” Toen Ja’akov Racheel zag, die haar kleinvee wilde laten drinken bij de put, [iii]ging hij naar de put toe en tilde met groot gemak de zware steen van de put, zoals iemand die een kurk van een fles trekt. Vervolgens hielp Ja’akov met het drenken van het kleinvee van haar vader.

Nadat zij klaar waren met het kleinvee van Lawan te drinken te geven, wendde Ja’akov zich tot Racheel en begon te huilen en vroeg haar: „Weet je dat jouw vader een broer van mijn moeder is?” Toen zij die woorden hoorde, rende Racheel onmiddellijk naar haar vader en zei: „Vader, Ja’akov, de zoon van Rivka en Jitschak is naar Charan gekomen!” Toen Lawan dat hoorde, rende hij naar buiten, Ja’akov tegemoet, [iv]want hij herinnerde zich nog hoeveel zilver en goud en cadeautjes  Eli’ezer, die slechts een bediende van Awraham was, bij zich had toen die het huis van zijn ouders kwam bezoeken. Daarom dacht Lawan dat Ja’akov, die immers de zoon van Jitschak was, nog veel meer geld bij zich zou hebben. Al die cadeautjes wilde hij best graag hebben, dus rende Lawan Ja’akov tegemoet. [v]Maar tot zijn grote verbazing zag hij dat Ja’akov helemaal alleen kwam en dat hij helemaal geen zilver of goud of cadeautjes bij zich had. Lawan probeerde zich te troosten met de gedachte dat Ja’akov vast wel dure edelstenen onder zijn kleren verborgen had. Daarom kwam hij naar hem toe en omhelsde hem omdat hij zo hoopte iets van waarde on-der Ja’akovs kleren te vinden. Toen Lawan merkte dat de kleren van Ja’akov leeg waren, kuste hij hem, want hij hoopte dat Ja’akov iets van waarde in zijn mond  verborgen hield. Maar ook in Ja’akovs mond vond Lavan niets. Ja’akov, die wel begreep wat Lawan in zijn kleren en in zijn mond zocht, zei: „Oom, ik heb niets bij me, want Eliefaz, de zoon van ’Esav, heeft alles van mij afgenomen. Ik heb niets meer!”

[vi]Lawan, die een slecht mens was, weigerde een gast in zijn huis op te nemen, die geen geld bij zich had. Daarom zei hij tegen Ja’akov: „Je mag alleen maar mijn huis binnen als je mijn vee wilt hoeden.” „Dat is goed, oom!” antwoordde Ja’akov, „ik zal uw vee hoeden tegen vergoeding van eten en onderdak voor de nacht.”

Ja’akov werkte met hart en ziel voor Lawan en deze was heel erg tevreden over het werk van Ja’akov. Daarom stapte hij op een dag naar Ja’akov toe en zei: „Je hebt recht op een beloning voor al je werk, vertel mij niet dat je al dit werk voor niets doet. Wat wil je als beloning voor je werk hebben?”

Nu had Lawan twee dochters, de oudste heette Lea en de jongste heette Racheel. Ja’akov wilde graag met Racheel trouwen. Daarom zei hij tegen Lawan: „Ik wil graag je jongste dochter, Racheel, tot vrouw.”

Met dat verzoek van Ja’akov stemde Lawan in, echter op voorwaarde dat Ja’akov nog zeven jaar voor hem zou werken. Daar ging Ja’akov mee akkoord en aan het eind van die zeven jaren, waarin Ja’akov met alle toewijding en heel zijn vermogen voor Lawan gewerkt had, zei Ja’akov tegen Lawan: „Ik heb mij aan mijn belofte gehouden, ik heb zeven jaar voor u gewerkt. Houdt u zich nu ook aan uw afspraak en geef mij uw dochter Racheel tot vrouw.” Daar ging Lawan mee akkoord, en ter gelegenheid van deze gewichtige gebeurtenis van het huwelijk van zijn dochter, gaf Lawan een groot feest voor alle inwoners van zijn plaats.

[vii]Toen het tijdstip voor de Choepa – de trouwerij – was aangebroken, doofde Lawan alle lichten, zodat het donker werd en men niets meer kon zien. Nu bracht hij Lea in plaats van Racheel naar Ja’akov en omdat het donker was en Ja’akov niet kon zien wie er voor hem stond, trouwde hij Lea.

Zo ging het feest in het donker verder en het was een heel vrolijk feest. Totdat de ochtend aanbrak. Heel de tijd was het donker geweest en tijdens de maaltijd hadden ze allemaal gezongen „Hielela! Hielela!” en Ja’akov dacht: dat is zeker de gewoonte hier omdat te zingen, maar hij had niet begrepen, dat  zij bedoelden te zingen:’t is Lea, ’t is Lea …!

En nu werd het licht, de zon begon over de plaats van het feest te schijnen en tot zijn grote schrik zag Ja’akov … dat Lea voor hem stond en niet Racheel. Pas nu begreep Ja’akov de betekenis van de woorden ‘hielela’ die de mensen ’s nachts gezongen hadden tijdens het feest. Nu begreep Ja’akov ook dat Lawan de plaats verduisterd had, opdat Ja’akov niet zou merken dat hij Lea trouwde in plaats van Racheel. Ja’akov was geweldig boos op Lawan, die hem zo lelijk had bedrogen. Hij stapte naar hem toe en vroeg: „Wat hebt u me nu gedaan? Waarom gaf u mij Lea tot vrouw? U had me beloofd Racheel tot vrouw te geven!” Maar Lawan antwoordde: „Bij ons is het niet de gewoonte dat de jongste dochter trouwt voordat de oudste dochter getrouwd is. Maar wanneer je ook met Racheel wil trouwen, dan mag dat, mits je nog eens zeven jaar hard voor mij wilt werken, nadat je met haar getrouwd bent.” Dat vond Ja’akov goed. Hij trouwde nu ook met Racheel en daarna werkte hij nog zeven jaar voor Lawan, [viii]met evenveel toewijding als de eerste zeven jaar.

Het was daar de gewoonte dat als iemand een vrouw trouwde die slavinnen had, dan kreeg hij ook de slavinnen. Zo kreeg Ja’akov ook de slavinnen van Lea en Racheel, zodat Ja’akov nu twee vrouwen had: Lea en Racheel en ook nog twee slavinnen: Bilhah en Zilpah. Maar van zijn twee vrouwen hield Ja’akov het meest van Racheel en dat vond Lea helemaal niet leuk. Ha-Kadosj-Baroech-Hoe kreeg medelijden met haar omdat Ja’akov minder van haar hield dan van Racheel, en daarom schonk Hij haar vier zonen: Reoeween, Sjim’on, Levi en Jehoedah, met de bedoe­ling dat Ja’akov nu ook van haar zou houden vanwege haar vier zonen.

Racheel was geweldig jaloers op Lea omdat zij vier kinderen had gekregen en Racheel nog niet één. En daar was zij erg bedroefd over. Op een dag kreeg zij een prachtige ingeving, zij besloot hetzelfde te doen van onze aartsmoeder Sarah had gedaan – zij ging naar Ja’akov en vroeg hem: „Wil je niet ook mijn slavin Bilha trouwen? Misschien als beloning dat ik haar in mijn huis laat, krijg ik dan ook kinderen.” Dat vond Ja’akov goed en zo trouwde hij ook met Bilhah en die baarde hem twee zonen: Dan en Naftalie.

Toen Lea dat zag ging zij ook naar Ja’akov en vroeg hem ook: „Wil je ook met mijn slavin trouwen, met Zilpah, want ik kan geen kinderen meer krijgen en als ik haar in mijn huis laat, krijg ik misschien als beloning nog meer kinderen.” En ook hierin stemde Ja’akov toe. Hij trrouwde ook met Zilpah en ook zij baarde hem twee zonen: Gad en Asjeer.

Alle vrouwen van Ja’akov hadden nu kinderen gekregen – behalve Racheel. Daar was Racheel heel erg bedroefd over.

Op een dag ging Reoeween, de oudste zoon van Lea, naar het veld en vond daar een liefdesplantje, dat wel gebruikt werd om kindertjes te krijgen. Hij ging met het plantje naar huis en gaf het aan Lea, zijn moe­der. Toen Racheel het liefdesplantje in de handen van Lea zag, zei zij tegen haar: „Lea, alsjeblieft, geef mij dat plantje.” Maar Lea antwoordde: „Nee! Is het niet genoeg dat Ja’akov altijd in jouw tent slaapt en nu wil je ook nog mijn liefdesplantje hebben?” Racheel ant­woordde haar: „Wanneer je mij dat plantje geeft dan mag Ja’akov in jou tent slapen.” „Goed, mijn zuster,” antwoordde Lea, „ik zal jou het plantje geven.”

Nadat Ja’akov Zilpa, de slavin van Lea, getrouw had, kreeg Lea nog twee zonen: Jissachar en Zewoeloen. [ix]Toen Lea bemerkte dat zij op nieuw een kindje zou krijgen, dawende ze tot Ha-Kadosj- Baroech-Hoe en vroeg Hem: „Heer der wereld, geef mij deze keer een dochter.” Waarom vroeg Lea nu om een dochter? Omdat de heilge geest van Hasjem over haar gekomen was en daardoor wist zij dat Ja’akov twaalf zonen zou hebben en Ja’akov had nu al tien zonen en als zij nu nog een zoon zou krijgen, dan zou er voor Racheel maar één zoon overblijven en Lea wilde niet dat Racheel beschaamd zou worden voor de slavinnen, die allebei reeds twee zonen hadden gekregen. Daarom vroeg zij aan Hasjem dat zij nu een dochter zou krijgen, zodat Racheel nog twee zonen zou kunnen krijgen. En inderdaad, Lea kreeg een dochtertje en die werd Dina genoemd.

Uiteindelijk kreeg Hasjem ook medelijden met Racheel en zij kreeg een zoon. Racheel was natuurlijk geweldig blij met de geboorte van haar zoon en zij noemde hem Joseef – toevoeging. Deze naam gaf zij hem om daarmee aan te duiden dat Hasjem de schande, dat zij geen kinderen kon krijgen, had weg genomen en opdat Hasjem haar nog een zoon zou toevoegen, zodat daarmee haar schande helemaal zou verdwijnen.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[i] Pirkei Divrei Eli’ezer 35

[ii] Midraj Hagadol

[iii] Bereisjiet Rabbah 70

[iv] Rasji 29:13

[v] Rasji 29:13

[vi] Rasji 29:14

[vii] Sefer Hajera.

[viii] Bereisjiet Rabbah 70

[ix] Bearachot 60