Archief

WAJJÉTSÉ

Ja’akovs drooms

[i]Onderweg passeerde Ja’akov een plek, waar van­daag de dag de Kotel Hama’aravie – de klaag­muur – staat. Dat is een zeer heilige plaats, maar daar wist Ja’akov niets vanaf. Toen Ja’akov daar aankwam was het nog dag en de zon scheen nog. Daarom wilde Ja’akov gewoon doorlopen en zijn weg vervolgen. [ii]Echter Ha-Kadosj-Baroech-Hoe wilde dat Ja’akov op die heilige plaats wat zou blijven. Daarom deed Hij daar een groot wonder. [iii]Hij liet de zon sneller voort­bewegen langs de hemelboog, zodat deze eerder onder ging dan dat het normaal tijd was. Plot­se­ling was het donker geworden en Ja’akov kon zijn weg niet meer vervolgen. Dus besloot hij om daar ter plaatse te over­nachten en om de volgende ochtend verder te gaan.

Ja’akov dawende zijn avondgebed en ging zich daarna voorbereiden op de overnachting. [iv]Hij ver­zamelde wat stenen, legde ze in een cirkel rondom zijn hoofd, zodat zij hem zouden beschermen tegen wilde dieren. Zo bereidde Ja’akov zich de nacht voor. Maar elke steen die Ja’akov daar voor zijn hoofd had neergelegd, wilde dat Ja’akov zijn hoofd op hem zou te rusten leggen, want zij wisten allemaal welk een groot tsdaddiek Ja’akov was. Toen Ha-Kadosj- Baroech-Hoe zag hoe graag elke steen wilde dat Ja’akov zijn hoofd op hem zou leggen, deed Hij opnieuw een wonder en alle kleine stenen werden plotseling samen verbonden tot één grote steen. Ja’akov legde zijn hoofd te rusten op die ene grote steen – en viel in slaap.

In zijn slaap had Ja’akov een wonderlijke droom. Een hele grote, hele hoge ladder stond met zijn poten op de grond, maar het bovenstuk van de ladder reikte tot in de hemel. Langs die ladder klommen engelen omhoog en omlaag. [v]Van de aarde stegen engelen omhoog die Ja’akov in het land Israël begeleid hadden en die nu weer terug naar de hemel gingen en uit de hemel daalden andere engelen neer die Ja’akov buiten het land zouden begeleiden. In die droom onthulde Hasjem zich aan Ja’akov en zei tegen hem: „Ik ben Hasjem, de G-d van je grootvader Awraham en de G-d van Jitschak. Het land waarop je nu ligt, zal Ik aan jou geven en aan je nakomelingen. Je nageslacht zal talrijk worden als het stof der aarde en jij zult je naar alle kanten uitbreiden, naar het westen, het oosten, naar het noorden en het zuiden, over heel het land, dat een heel goed land is.” En Hasjem vervolgde en zei: „Ik zal je beschermen tegen ’Esav en tegen alle kwaad.”

Ja’akov ontwaakte uit zijn slaap en stond onmid­dellijk op, zoals tsaddiekiem zich altijd haasten om op te staan, omdat zij graag al de mitswot van Hasjem zo snel mogelijk willen uitvoe­ren. Ja’akov herinnerde zich nu zijn wonderlijk droom en zei bij zichzelf: ‘Dus Hasjem bevindt zich op deze plaats, dat wist ikniet.’ Met andere woorden, de plek waarop ik gesla­pen heb is heilig. Het speet Ja’akov nu dat hij niet geweten had dat in de toekomst op die plaats het Beit- Hamikdasj zou worden gebouwd en dat hij deze plaats daarom niet met de nodige eerbied behandeld had. Want als hij geweten had hoe heilig die plek was ge­weest, zou hij daar niet zijn gaan slapen maar dan had hij Tora geleerd.

Ja’akov nam nu de steen, waarop hij gelegen had, maakte daarvan een gedenksteen en gooide daar olie overheen. Daarna noemde Ja’akov die plaats ‘Beit-El’ – het huis van G-d – en hij zwoer een eed dat als Hasjem hem zou beschermen tegen de boze ’Esav en hem eten en kleren zou geven en hem ook in vrede naar het huis van zijn vader zou laten terug keren, dat hij dan van alles wat hij bezat een tiende deel zou afstaan aan Hasjem en dat hij van de steen, waarop hij geslapen had, een huis voor Hasjem zou bouwen.

Toen Ja’akov zijn plechtige gelofte had uitgespro­ken en beëindigd had, trok hij verder naar het huis van zijn oom Lawan in Charan.

Samenvatting: Wanneer iemand op een heilige plaats aan­komt dan moet hij daar tot Hasjem dawenen en Tora leren maar daar niet gaan slapen, maar men moet dan de heiligheid van die plek eerbiedigen en zorgen dat het daar schoon blijft.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[i] Rasji 28:17

[ii] Rasji 28:17

[iii] Rasji 28:11

[iv] Bereisjiet Rabbah 68

[v] Rasji 28:12