Archief

MIKKEETS

JOSEEF ONDERKONING VAN EGYPTE

„Mooi, heel mooi!” riep Par’o tegen Joseef, „je hebt juist gesproken. Je bent een wijs man, er is geen tweede zo wijs als jij; [1]het is verbazingwekkend hoe jij uit mijn verwarde woorden wijs kon worden en daar zo’n verstandige oplossing voor had.”

[2]Par’o wende zich nu tot de wijze mannen van Egypte, die rond hem stonden en zei tegen hen: „Hebben jullie ooit zo’n wijze man gezien als Joseef? Het is duidelijk dat een G-ddelijke geest in hem huist. Dat betekent dat alleen hij geschikt is om te regeren. Zo’n wijs en verstandig man als hij kan ons helpen bij het onderhoud van de egyptische bevolking in de komende jaren van hongersnood.”

Toen de wijze mannen van Egypte en de dienaren van Par’o begrepen dat Par’o Joseef tot onderkoning wilde verheffen, zeiden zij: „Sire, het is wet dat de onderkoning zeventig verschillende talen kent. Daarom zijn wij verplicht om te onderzoeken of Joseef inderdaad zoveel talen kent.”

In werkelijkheid kende Joseef geen zeventig talen, maar Hasjem had een wonder voor hem gedaan: in de laatste nacht dat hij in de gevangenis zat, was de engel Gabriël aan hem verschenen in een droom en had hem zeventig talen geleerd. En behalve al die talen die de engel Gabriël hem geleerd had, kende Joseef nog een taal: Hebreeuws! Toen nu de egyptische geleerden Joseef wilden onderzoeken op zijn talenkennis, riep Par’o Joseef bij zich en begon hem te ondervragen. En het gebeurde, dat bij iedere taal die Joseef sprak, hij een tree steeg op de hele hoge staatsietrap die naar de troon leidde, bovenaan die grote staatsietrap.

En Joseef ging door met praten in nog een taal en nog een taal, en hij ging maar door en klom als maar hoger, nog een tree en nog een tree. Totdat Joseef de zeventigste trede bereikt had en nog stopte hij niet maar hij klom nog een tree omhoog en begon te praten in de heilige taal, het hebreeuws, een taal die niemand kende.

Toen Par’o zag dat Joseef 71 talen kende, zei hij tegen hem: „Joseef, ik zie dat je heel erg wijs bent, daarom benoem ik jou tot onderkoning. Jij zult belast zijn met het toezicht op de voedselvoorziening voor alle bewoners van Egypte gedurende de zeven jaren van hongersnood.”

Par’o deed zijn koninklijke ring van zijn vinger en gaf die aan Joseef en legde zijn gouden ambtsketen om de hals van Joseef en gebood zijn dienaren: „Kleedt Joseef in koninklijke kleren en rijdt hem in het koninklijke rijtuig door de stad.”

En voorts zei Par’o tegen Joseef: „Zonder jouw toestemming zal er niets gebeuren in Egypte.” Hij gaf Joseef een nieuwe, egyptische naam en noemde hem ‘Tsafenat-Pa’neach’, dat betekent: [3]‘die het ver­bor­gene opheldert.’

De dienaren van Par’o namen Joseef mee, deden hem schitterende koningskleren aan en reden hem rond­­ in het koninklijke rijtuig. Alle mensen van het land stonden in de straten van de stad en juichten Joseef toe en wierpen kostbaarheden naar hem.

[4]Tussen al die mensen stond ook een jong meisje dat niets moois had om naar Joseef te gooien. Zij bezat alleen maar een klein amuletje waarin iets geschreven stond in het hebreeuws en dat zij gekregen had van haar grootvader.

Nadat Joseef de de rondrit door de stad beëindigd had, keerde hij terug naar zijn huis en begon de mooie geschenken, die de Egyptenaren naar hem geworpen hadden, te bekijken. Tussen al die geschenken vond Joseef het kleine amuletje waarin iets geschreven stond in het hebreeuws, in het handschrift van zijn vader Ja’akov. Toen Joseef dat zag, begreep hij dat het meisje, dat hem de amulet had toegeworpen, een kleindochter van Ja’akov moest zijn. Joseef liet uit­zoeken wie het meisje was en toen hij ontdekte dat het Osnath was, de dochter van zijn zusje Dina, die was opgegroeid in het huis van Potifar, trouwde hij met haar.

Nu begonnen de jaren van overvloed. Joseef begon enorme hoeveelheden graan op te slaan en te hamsteren voor de honger-jaren die zouden komen. De Egyptenaren lachten hem uit en spotten met hem en zeiden: „Joseef, waarom hamster je al dat graan? De wormen zullen het opeten!” Maar er gebeurde een wonder, niet één tarwe-korrel werd door de wormen opgegeten.

In die jaren van overvloed kreeg Joseef twee zonen: de oudste noemde hij Menasjèh, de jongste Èfraïm.

[5]Toen de jaren van honger begonnen kwamen alle Egyptenaren naar Joseef en zeiden tegen hem: „Joseef, alstublieft, geef ons wat te eten, wij hebben zo’n honger.” Maar Joseef antwoordde hen: „Nee, ik geef jullie geen graankorrel voordat jullie jezelf be­snij­­den.” De Egyptenaren ging nu naar Par’o en zeiden tegen hem: „Meneer de koning, wij willen ons helemaal niet besnijden, zoals Joseef ons gebied.” En Par’o vroeg hen: „Waarom hebben jullie geen graan gespaard in de jaren van overvloed?” De Egpytenaren antwoordden hem: „Dat hebben we wel gedaan, maar het is bedorven.” Daarop vroeg Par’o hen: „Hebben jullie helemaal geen eten meer?” „Jawel, meneer de koning,” antwoordden de Egyptenaren, het is alleen alle­maal verrot.” „In dat geval,” sprak Par’o, „zullen jullie je moeten gaan besnijden, want het was Joseef die het graan opdracht gegeven heeft om te verrotten en hij kan ook opdracht geven dat jullie moeten sterven.”

Zo werden de Egyptenaren gedwongen om naar Joseef te luisteren en zij besneden zich.

Samenvatting: Joseef leerde ijverig en met volharding Tora, en hield zich aan de mitswot. Daardoor verdiende hij het om heel wijs te worden en te regeren over heel Egypte.

Hieruit kan ieder kind leren dat wanneer hij ijverig Tora leert, Hasjem hem helpt en dan wordt hij een wijs en belangrijk mens.


[1]. Jalmedeinoe.

[2]. Sefer HaJetsira.

[3]. Rasji Bereisjiet 41:45.

[4]. Chiskoenie en Tseda Lederech en Pirkei de Rabbi Eli’ezer 39.

[5]. Tanchoema

õ õ õ