Bereisjiet

KAJIN EN HÈVÈL

1Voordat Adam en Chawa zondigden en uit het Paradijs van Eden werden verdreven, werden hun twee zonen geboren. De oudste noemden zij Kajin en de jongste zoon noemden zij Hèvèl.

Kajin werkte op het land. Hij zaaide en bevloeide de grond en zo bracht het land zijn vruchten voort, groenten en tarwe. Daarentegen hield Hèvèl zich bezig met het weiden van zijn vele kleinvee, dat hij te eten en te drinken gaf.

Eens besloten Kajin en Hèvèl een offer te brengen voor Hasjem. Kajin bracht een offer van de opbrengst van zijn veld, en Hèvèl bracht een offer van zijn kleinvee. Echter het offer dat Kajin aan Hasjem bracht, vond geen gunst in de ogen van Hasjem, omdat Kajin zijn offer bracht van rotte vruchten. Daarom wilde Hasjem zijn offer niet aanvaarden. Maar het offer van Hèvèl 2verbrandde Hasjem wel, omdat Hèvèl van het beste van zijn kleinvee had gebracht voor Hasjem.

Toen Kajin zag dat Ha-Kadosj-Baroech-Hoe zijn offer niet wilde accepteren, werd hij enorm boos en bedroefd in zijn hart. Toen Hasjem dat zag, zei Hij: „Je moet weten, Kajin, dat wanneer je oprecht berouw toont over de offers die je Mij gebracht hebt van die rotte vruchten, dan zal Ik je niet straffen maar dan zal Ik je deze daad vergeven. Maar wanneer het je niet zal berouwen, dan zal Ik je straffen op de dag van je dood.” Maar Kajin sloeg geen acht op de woorden van Hasjem en had geen berouw van zijn daden.

3Eens brak er ruzie uit tussen Kajin en Hèvèl toen zij allebei op veld waren. Kajin, die vreselijk kwaad was op zijn broer, pakte stenen op en gooide die naar Kajin om hem te doden. 4Maar Hével werd alleen maar gewond op een heleboel plaatsen, maar ging daar niet aan dood. Het gevolg was dat Kajin niet wist hoe hij hem moest doden. Toen gooide Kajin nog veel meer stenen naar Hèvèl, totdat hij hem zwaar raakte aan zijn hals – en toen stierf Hèvèl en zijn bloed stroomde op de aarde.

Hasjem zag de afschuwelijke daad van Kajin en wilde hem daarvoor straffen. Daarom zocht Hasjem Kajin op en vroeg hem: „Waar is je broer Hèvèl?” en Kajin antwoordde: „Ben ik mijn broeders hoeder?” Daarop zei Ha-Kadosj-Baroech-Hoe tegen hem: „Schreeuwt het bloed van je broer niet naar Mij op vanuit de aarde?” 4En niet alleen het bloed van Hèvèl schreeuwt naar Mij op, maar het bloed van al zijn nakomelingen die in de toekomst uit hem zouden voortkomen, dat schreeuwt allemaal naar Mij op vanuit de aarde.

Daarom wilde Hasjem Kajin straffen en Hij zei tegen hem: „Jij, Kajin, zult voortaan heel erg hard werken, opdat de aarde voor jou tarwe en vruchten en groenten zal voortbrengen. 5Maar hoe hard je ook zal werken, de aarde zal niets voor jou opleveren. En niet alleen dit zal je straf zijn, maar je zult over de hele wereld rondzwerven en 6nergens zul je rustig in een eigen huis kunnen wonen. Je zult zwerven van stad tot stad, van land tot land. 7Je lichaam zal sidderen tijdens het lopen, niet als ieder ander mens zul je gaan maar als een dronkaard zul je lopen.”

8Toen Kajin deze zware straf aanhoorde kreeg hij vreselijke spijt van dat hij een offer had gebracht van rotte vruchten en dat hij zijn broer Hèvèl had gedood en hij kreeg berouw over al de zonden die hij begaan had.

Daarop richtte Kajin zich tot Hasjem en zei: „Heer der wereld! Is mijn straf niet te groot om te dragen?” En Kajin ging verder en zei tegen Ha-Kadosj-Baroech-Hoe: 9„Ik ben bang dat ieder beest of dier dat ik op mijn zwerftocht door de wereld tegenkom, mij zal doden.”

Daarom maakte Hasjem een teken op het voorhoofd van Kajin en zei tegen hem: „Vanwege dit teken zal geen beest of dier jou doden. Maar weet, dat iemand jou in je zevende nageslacht zal doden.”

Zo gebeurde het, dat Lèmèch, die het zevende nageslacht was van Kajin, hem doodde.

10Toen Hasjem geëindigd was met zijn woorden en zag dat Kajin berouw had over zijn daden en volledig tot inkeer gekomen was, tesjoeva had gedaan, wendde Hij zich tot Kajin en zei: Kajin! Nu ik zie dat je volledig tesjoeva hebt gedaan over je zonden, zal Ik je een deel van je straf kwijtschelden, je zult nu niet meer over de grote wereld hoeven rond te dolen, maar je mag gaan wonen in je eigen huis in het land Nod.

Samenvatting: Kajin verwondde Hèvèl zodanig dat deze stierf. Hieruit leren wij dat het verboden is iemand, wie dan ook te slaan. Daarom, als wij iemand willen slaan, een vriendje of welk ander kind dan ook, is het goed om eerst even te denken aan het verhaal van Kajin en Hèvèl, die stierf ten gevolge van zijn klappen. En dan moeten we ook even denken aan de zware straf die Kajin daarvoor kreeg. Als we daaraan denken, willen we vast nooit meer iemand slaan.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

Kaïn en Hèwel

1. Rasji 4:1; 2. Midrasj Hagadol; 3. Tanchoema; 4. Sanhedrin 37; 5. Rasji 4:10; 6. Rasji 4:11, 7. B.R.; 8. HRDK; 9. D.R. 8; 10. Rasji 4:15; tp.