Archief

WAJJISJLACH

de ontmoeting met ’esav

Toen de dag aanbrak zag Ja’akov ’Esav en zijn leger naderen. Hij ging hem tegemoet, hijzelf voorop, daarachter kwamen zijn twee slavinnen met hun zonen, daarachter Lea met haar kinderen en tenslotte Racheel met haar zoon Joseef.

Ja’akov wierp zich  zeven maal voor ’Esav op de grond, in de hoop zo gunst te vinden in de ogen van ’Esav en omdat de slavinnen en Racheel en Lea en de kinderen dat gezien hadden, deden zij hetzelfde: eerst kwamen de slavinnen naderbij met hun kinderen en bogen zich, daarna kwam Lea met haar kinderen en ook zij bogen. Ten slotte kwam Racheel naar voren met Joseef en ook zij bogen zich voor ’Esav.

[1]Toen ’Esav Ja’akov zag, dacht hij bij zichzelf: Ik zal Ja’akov doodbijten – en hij rende op Ja’akov af om hem te bijten. Maar Ha-Kadosj-Baroech-Hoe deed een wonder: hij maakte de nek van Ja’akov zo hard als marmer en dat stompte de tanden van ’Esav af. Nu hij Ja’akov niet meer kon bijten deed hij maar net alsof hij Ja’akov kuste, en zij huilden allebei aan elkaars hals: ’Esav huilde omdat zijn tanden hem pijn deden en Ja’akov huilde omdat zijn hals zo hard als marmer was geworden.

’Esav keek vervolgens op en zag een heleboel mensen achter Ja’akov staan. Hij vroeg: „Wie zijn dat allemaal?” Ja’akov antwoordde: „Mijn kinderen die Hasjem zo genadig was mij te geven.”

Vervolgens vroeg ’Esav: „Van wie is dat hele leger dat ik ontmoet heb?” en Ja’akov antwoordde: „Dat is het geschenk voor mijn heer, opdat ik gunst vind in zijn ogen.” Maar ’Esav antwoordde: „Ik heb genoeg, mijn broer, neem wat jou toebehoort.” Ja’akov antwoordde: „Nee, indien ik gunst kan vinden in uw ogen, neem dan toch mijn geschenk aan en weiger mij dat niet, want Hasjem heeft mij rijkelijk gezegend. Het zal mij aan niets ontbreken nadat ik u dit geschenk heb gegeven.”

[2]Maar met de vraag: ‘Van wie is dat hele leger dat ik ontmoet heb’ bedoelde ’Esav niet alleen de geschenken die Ja’akov hem met zijn bedienden gezonden had. Op zijn weg naar Ja’akov  was ’Esav overvallen door de engelen die Ja’akov begeleidden op zijn vlucht uit het huis van Lawan. De engelen hadden zich verkleed als soldaten en hadden zich verdeeld in vier divisies. De eerste groep engelen, verkleed als soldaten, overvielen ’Esav maar ’Esav smeekte om genade: „Heb medelijden met mij, want ik ben de kleinzoon van Awraham.” Maar de engelen luisterden niet maar sloegen hem nog harder. Daarom zei ’Esav: „Laat mij toch gaan, ik ben de zoon van Jitschak, die op het altaar was gebonden.”  Maar de engelen lieten hem niet gaan en gingen door hem te slaan. Nogmaals smeekte ’Esav: „Laat mij los, ik ben de broer van Ja’akov.” Daarop zeiden de engelen: „Ben jij de broer van die aardige Ja’akov? Dan zullen we je met rust laten.” En dat deden zij. Nadat de eerste divisie engelen was weggetrokken, overviel de tweede groep engelen ’Esav en daarna de derde groep en tenslotte de vierde groep. ’Esav, die geweldig bang was geweest van dat hele leger dat hem had aan­gevallen, vroeg nu aan Ja’akov: „Van wie is dat hele leger dat ik ontmoet heb?” Daarop antwoordde Ja’akov: „Dat waren de engelen die ik op u heb afgestuurd.”

Nadat het gesprek tussen hen beiden was geëindigd, zei ’Esav tegen Ja’akov: „Kom, laten wij samen verder trekken.” Maar daar voelde Ja’akov niets voor en hij zei dus: „Nee, mijn heer weet dat de kinderen noch jong en zwak zijn, en ook het kleinvee en het rundvee kunnen slechts langzaam vooruit komen, maar mijn heer reist met sterke, snelle mannen. Het heeft helemaal geen zin dat u zo langzaam zou gaan, alleen voor mij. Ik daarentegen kan niet sneller. Het is beter dat u vooruit snelt en dat wij er langzaam achteraan komen, totdat wij bij u in Sé’ir zijn.”

Daar ging ’Esav mee akkoord en hij draaide zich om en vertrok. En Ja’akov vervolgde zijn weg langzaamaan, totdat hij aankwam in de plaats Soekoth. Daar bouwde hij zich een huis en hutten voor zijn kudde. Daarom noemt men die plaats Soekoth – hutten.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[1]. Midrasj Hagadol

[2]. Tanchoema