Archief

Lech Lecha

DE RUZIE TUSSEN DE HERDERS VAN LOT EN DE HERDERS VAN AWRAHAM

In Charan woonde een man die Tèrach heette. Hij had een zoon, Awraham. Awraham geloofde niet in de afgoden van zijn vader. Awraham wist dat Ha-Kadosj-Baroech-Hoe de wereld geschapen had en de wereld regeerde.

Toen Awraham opgroeide, trouwde hij met een rechtvaardige vrouw, Sara. Op alles wat zij deed lag een beracha. *Zij versterkten allebei bij de mensen het geloof in Hasjem en zij overtuigden de mensen ervan dat Ha-Kadosj-Baroech-Hoe de schepper van de wereld is en van alles wat daarop is. Onder hun invloed bekeerden zich veel mensen. Awraham bekeer­de de mannen en Sara de vrouwen.

Op een dag openbaarde Hasjem zich aan Awraham en gebood hem: „Verlaat je geboorteland en ga, samen met je vrouw Sara, naar het land Kena’an (dat is nu Erèts-Jisraël).” Awraham, de Tsaddiek, luisterde naar de stem van Hasjem, dacht geen moment aan al de gevaren die hem misschien onderweg te wachten zouden staan maar stond op en ging op weg. Hij verliet zijn land, samen met Sara, zijn vrouw en vertrok naar het land Kena’an.

Tegen de tijd dat hij in Erèts-Jisraël aankwam was er een zware hongersnood in het land en omdat Awraham niets te eten had, ging hij, samen met zijn neefje Lot, die met hem mee was getrokken, naar Egypte. Dáár was namelijk geen hongersnood maar voedsel in overvloed.

Eenmaal in Egypte werd Awraham enorm rijk en ook Lot werd erg rijk.

Intussen was de hongersnood in Erèts-Jisraël gestopt en Awraham en zijn familie keerden weer terug naar het land Kena’an. Zij hadden veel geld bij zich en voerden een heleboel kleinvee en rundvee met zich mee. Zoveel, dat de weidegronden waarop die dieren graasden, niet voldoende voedsel konden opleveren voor al die dieren van Awraham en Lot.

Awraham was een tsaddiek en hield zich nauw­keurig aan de mitswot van Hasjem. Hij wilde niet dat zijn kudde van andermans weide­grond zou stelen. *Daarom gaf hij zijn bedienden opdracht dat zij goed moesten opletten dat de dieren niet zouden grazen op de grond van andere mensen. Wanneer nu de herders van Awraham het vee wegbrachten naar de velden van Awraham om daar te weiden, dan bonden zij muilkorven om de bekken van de dieren, zodat zij geen gras konden eten van de velden van anderen. Pas wanneer zij aankwamen op het veld van Awraham maakten zij de muilkorven los zodat de dieren konden grazen.

Daarentegen wanneer de herders van Lot, die niet zulke tsaddieken waren als de herders van Awraham, er opuit gingen met het vee van Lot, dan lieten zij het vee van Lot rustig grazen op de velden van andere mensen. Toen de herders van Awraham dat zagen, werden zij enorm boos op de herders van Lot. Zij vermaanden hen en zeiden tegen hen: „Dit is niet juist zoals jullie doen. Als het vee eet van de velden van andere mensen dan is dat roof.” De herders van Lot antwoordden hen: „Het land Israël is aan Awraham beloofd en aangezien hij geen zonen heeft die het van hem kunnen erven, is Lot zijn erfgenaam. Dus wij maken ons niet schuldig aan roof als ons vee graast op de velden van andere mensen.” De herders van Awraham antwoordden hen: „Jullie vergissen je! Erèts-Jisraël is nog niet van Awraham want er wonen nog andere volkeren. Pas als die volken  het land ver­laten hebben zal het land van Awraham zijn. Daarom maken jullie je wel degelijk schuldig aan roof.”

Zo brak er een grote ruzie uit tussen de herders van Lot en de herders van Awraham. De herders van Lot beweerden: „Nee, wij maken ons niet schuldig aan roof,” en de herders van Awraham beweerden: „Wel waar, jullie zijn rovers.”

Dat alles zag Awraham en het maakte hem enorm boos. Daarom wendde hij zich tot Lot en zei: „Lot, die ruzie is niet goed, wij zijn toch broeders. Daarom adviseer ik je om te gaan waarheen je wilt – naar rechts of naar links. Als jij rechtsaf wil slaan dan sla ik linksaf, en als jij naar links gaat dan ga ik naar rechts, zodat jouw herders en mijn herders geen ruzie kunnen maken.”

Awraham noemde Lot ‘mijn broeder’ hoewel hij niet echt zijn broer was, maar dat zei hij omdat Awraham zo'n goed mens was. Want ondanks dat de herders onderling ruzie maakten, wilde Awraham geen ruzie krijgen met Lot en beschouwde hij hem toch alsof hij zijn broer was. En niet alleen dat maar later zullen wij nog horen hoe Awraham zelfs zijn leven waagde om Lot te helpen.

Lot keek eens om zich heen en toen hij het Jordaan-dal zag, vond dat gunst in zijn ogen vanwege de mooie bomen en planten die daar groeiden en de rivieren met zoet water die daar stroomden. Daarop zei hij tegen Awraham: „Awraham! Dat is de plaats waar ik naartoe ga.” *Voordat Lot naar de Jordaan­vallei afdaalde zei hij tegen Awraham: „Ik kan niet meer met jou samen rondtrekken.” Met andere woorden, Lot wilde vergeten wat hij allemaal van Awraham geleerd had. Zodoende had hij er geen probleem mee om te leven tussen de bewoners van Sedom, die heel slecht waren en zondigden tegen Hasjem. En hij vergat inderdaad veel van het goede dat hij geleerd had van Awraham.

Nadat Lot van hem was weg gegaan ging Awraham naar het land Kena’an en ging daar wonen met zijn familie en met zijn vee. Hasjem openbaarde zich nu aan Awraham en zei tegen hem: „Kijk naar het goede land dat ik aan jou en aan je nageslacht zal geven. Je nageslacht zal zo talrijk zijn als het stof van de aarde. En nu, maak een tocht door heel het land Kena’an, in de lengte en in zijn breedte, want ik zal het jou geven.”

*En waarom had Hasjem zich niet aan Awraham geopenbaard in de tijd dat Lot bij hem was? Omdat Lot geen echt goed mens was en daardoor stoorde hij Awraham. Daarom openbaarde Hasjem zich pas weer aan Awraham nadat Lot was weggegaan.

Samenvatting: Het is verboden om voorwerpen weg te nemen uit het huis of uit de tuin van iemand anders zonder dat die ander daar toestemming voor heeft gegeven. Dat leren wij van de herders van Awraham, die niet toestonden dat hun vee graasde op de velden van andere mensen.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

De ruzie tussen de herders van Awraham en Lot

Rasji 12:5; B.R.; B.R.

Naar het volgende verhaal van Lech Lecha: Het verbond tussen de stukken