Bereisjiet
 

DE SCHEPPING VAN DE WERELD

Voordat Hasjem de wondermooie wereld waarin wij leven, geschapen had, heerste daar chaos en vormloosheid. Er waren geen hemel en geen aarde en ook geen hoge bergen. Er waren geen dieren, geen bomen en geen kleurige, geurige bloemen. En ook de mens bestond nog niet. Slechts troosteloze verlatenheid en duisternis heersten er, er was nog helemaal niets.

Echter, Hasjem wilde een mooie wereld maken, een wereld met een hemel en een aarde, allerlei dieren, vogels en kruipende wezens, bomen en planten, kruiden en bloemen en een mens die zou kunnen genieten van al dat schoons.

1Waarom wilde Hasjem dat? Omdat vele jaren daarvoor Hasjem reeds de Tora geschreven had met letters van zwart vuur op een achtergrond van wit vuur. En omdat Hasjem wist dat Israël in de toekomst de Tora in acht zou nemen, wilde Hasjem een mooie wereld maken, zodat die wereld ons zou kunnen helpen bij het in acht nemen van de mistwot, zoals de mitswa van de bouw van een soeka. Daar helpt de schepping ons mee, want als er geen bomen waren geschapen, hadden we geen soeka kunnen maken. En Hasjem wilde dat wij het naar onze zin zouden hebben in onze wereld, zodat wij met vreugde de mitswot zouden in acht nemen.

Zo begon Hasjem de wereld te scheppen. 2En hoe deed Hij dat? Hasjem schiep de wereld niet met Zijn handen, zoals een mens iets zou maken, maar Hij schiep de wereld met Zijn mond! Bij ieder ding dat Hasjem wilde doen ontstaan, gebood Hij dat het er zou zijn … en dan was het er ook.

3Op de eerste dag schiep Hasjem de hele wereld en op de overige dagen deed Hij hen verder ontwikkelen en zette Hij alles op zijn plaats.

Zo gebood Hasjem: Laat er licht zijn! En onmiddelijk was er licht, dat nu nog gemengd was met de duisternis. Hasjem zag dat het licht goed was en Hij beval dat het licht en de duisternis zich van elkaar zouden scheiden.

4Nadat het licht en de duisternis van elkaar gescheiden waren, zag Hasjem dat het licht veel te goed was voor de booswichten van de wereld. Daarom sprak Hij: Dit goede licht verberg Ik voor de Tsaddiekiem voor de toekomst. En in plaats daarvan zal de wereld door een zwakker schijnsel verlicht worden. Vervolgens zei Hasjem tegen het licht dat het alleen overdag over de wereld zou heersen en tegen de duisternis zei Hij dat het ’s nachts zou heersen over de wereld. En daarmee eindigde het scheppingswerk van de eerste dag.

õ

Op de tweede dag plaatste Hasjem het uitspansel aan de hemel, 5dat geschapen was uit vuur en water – eesj en majiem in het Hebreeuws – en die bracht Hij bij elkaar en mengde ze ineen. Dat was een groot wonder, want normaliter dooft het water onmiddellijk het vuur, maar nu gebeurde dat niet maar werd met hen samen het uitspansel geschapen. En daarom noemde Hasjem dat Sjamajiem. Het maakte een scheiding tussen het water boven en het water beneden.

6De wateren beneden voelden zich nu achteruitgezet en kwamen zich beklagen bij Hasjem en zeiden tegen Hem: „Heer der wereld! Waarom hebt U ons zover van U verwijderd zodat U nog alleen maar dichtbij de bovenste wateren bent?”

De onderste wateren huilden zo erg, dat Hasjem medelijden met hen kreeg, omdat zij ook graag dichtbij Hasjem wilden zijn.

Hasjem troostte hen en zei: „Huil maar niet, omdat jullie zo ver van Mij verwijderd zijn krijgen jullie twee dingen: Wanneer Israël het waterfeest zal vieren met Soekot, dan zal het van jullie water gebruiken en niet van het water hierboven. Maar dat niet alleen, jullie beneden-wateren zullen een lied zingen ter ere van Mij, nog voordat de boven-wateren dat zullen zingen en als de boven-wateren voor Mij willen zingen zullen zij eerst aan jullie toestemming moeten vragen.”

En zo eindigde de tweede scheppingsdag.

õ

Op de derde dag gebood Hasjem de beneden-wateren, dat is al het water onder de hemel, zich te verzamelen op één plaats. Nadat al het water van heel de wereld zich op één plaats verzameld had, werd het droge zichtbaar. Al de verzamelde wateren noemde Hasjem nu de ‘zeeën’ en het droge dat te voorschijn was gekomen, noemde Hij ‘land’.

Daarna gebood Hasjem aan de aarde dat het gewassen zou voortbrengen en kruiden en allerlei bomen waaraan vruchten zouden komen. De aarde luisterde naar de opdracht van Hasjem en bracht planten en kruiden, bomen en bloemen voort.

En zo eindigde de derde scheppingsdag.

õ

Op de vierde dag gebood Hasjem de zon en de maan te voorschijn te komen. Zij waren allebei even groot, zodat zij de wereld goed konden verlichten. Tegen de zon zei Hasjem: „Jij moet de wereld overdag verlichten!” en tegen de maan zei Hij: „Jij zult de wereld ’s nachts verlichten!”

7Het feit dat de zon even groot was als de maan maakte de maan enorm kwaad. Hij ging daarom naar Hasjem toe en zei: „Heer der wereld! Hoe kunnen twee koningen met één en de zelfde kroon regeren!” Met andere woorden: het is onmogelijk dat de zon en de maan even groot zijn, omdat de mensen dan niet het verschil tussen hun beide kunnen zien.

Hasjem antwoordde daarop aan de maan: „Dan zal ik jou kleiner maken, dan zullen de mensen het verschil kunnen zien tussen jou en de zon.”

Nu had de maan enorme spijt van zijn woorden en hij vroeg aan Hasjem: „Waarom wordt ik zo zwaar gestraft?” Toen kreeg Hasjem medelijden met de maan en zei tegen hem: „Ik zal je een leger van sterren geven, die samen met jou de nacht zullen verlichten.”

En zo eindigde de vierde scheppingsdag.

õ

Op de vijfde dag gebood Hasjem dat er allerlei vissen zouden ontstaan, grote en kleine, koosjere vissen die men kan eten en niet koosjere vissen die  met niet kan eten. Lange vissen, korte vissen en nog veel meer soorten vissen en Hasjem zegende ze allemaal, opdat zij zich allemaal zeer zouden vermeerderen.

Hasjem gebood ook de vogels om te voorschijn te komen, zoals de duiven en de kippen, maar ook allerlei andere gevleugelde dieren zoals bijen en vliegen en vlinders. Ook de dieren die over de grond kruipen kregen hun opdracht om te ontstaan, zoals mieren, wormen en dergelijke. Toen Hasjem Zijn scheppingswerk van de vijfde dag beëindigd had en al de geschapen dieren voor Hem stonden, zegende Hasjem hen, dat zij zich zouden vermenigvuldigen en uitbreiden en de aarde zouden vullen. En de zegen van Hasjem werd vervuld, want alle dieren die Hasjem op die dag had geschapen werden zeer, zeer talrijk.

En zo eindigde de vijfde scheppingsdag.

õ

Op de zesde dag gaf Hasjem Zijn opdracht aan de grote en kleine wilde dieren en huisdieren, aan de verscheurende roofdieren, zoals de leeuw en de luipaard, en de niet-roofdieren zoals het hert en het schaap, dat zij allemaal geschapen zouden worden. Ook de reine huisdieren en de niet-reine dieren gebood Hasjem dat zij geschapen zouden worden.

Nadat Hasjem geëindigd was met het scheppen van de wereld en alles wat zich daarop bevindt, zag Hij dat die wereld heel erg mooi was en vol was met goede dingen. En omdat Hij wilde dat iemand van die mooie wereld zou genieten, wendde Hij zich tot de engelen en zei: „Ik wil iets scheppen dat lijkt op Mij, dat Mijn uiterlijk en gelijkenis vertoont, en dat schepsel zal over de hele wereld regeren – over de wilde beesten en over de huisdieren, over de bomen, bloemen en vruchten, over de hele wereld.”

8Toen vroegen de engelen: „Heer der wereld! Wat zal datgene wat u gaat scheppen, doen?” Antwoordde Hasjem hen: „De daden van de mens zullen goed zijn, maar zij zullen ook slechte dingen doen.”

Daarop kwamen enkele groepen van engelen naar Hasjem en zeiden tegen Hem: „Als het zo gaat worden, Heer der wereld, dan hoeft U geen mensen te maken die slechte dingen zullen doen en zullen zondigen op de wereld.”

Toen werd Hasejm boos op hen, raakte hen met Zijn vinger aan en verbrandde hen. Zo maakte Hasjem verschillende groepen engelen, die zeiden dat de mens helemaal niet geschapen hoefde te worden.  Totdat er een groepje engelen bij Hasjem kwam en zei: „U bent de Schepper van de wereld, van U is de wereld en al de schepselen zijn van U en alles wat U met Uw wereld wilt doen – doe dat!”

Toen Hasjem de engelen zo hoorde spreken begon Hij met de schepping van de mens, een wezen anders dan alle andere schepselen. Alle andere schepselen waren geschapen op bevel van een uitspraak van Hasjem 9maar de mens schiep Hasjem met behulp van Zijn handen. En nadat Hij de mens had gevormd uit het stof van de aarde, en zijn vorm volmaakt was, blies Hasjem levenslucht in de mens. Nu kon de mens ademen, lopen, praten en alles doen wat zijn hart hem inviel.

Daarna bracht Hasjem de mens naar de Tuin van Eden, die vol was van allerlei goede dingen: bomen, vol met heerlijke sappige vruchten, bloemen in een bonte rijkdom van kleuren, wier lieflijke geuren tot in de verten te ruiken waren, met beken waarvan het water zoet en verfrissend was en nog veel meer heerlijke dingen.

1/Toen de mens het Paradijs van Eden binnenging, zag hij dat het daar nooit regende. Daarom vroeg hij aan Hasjem of Die het wilde laten regenen. Nadat hij daarom gebeden had, begon de regen neer te dalen uit de hemel, en vanaf toen steeg er geen damp meer op uit de aarde, zoals het gebeurde voordat de mens geschapen werd en hij de Tuin van Eden binnenging.

Maar de eerste mens, Adam, was helemaal alleen daar in die mooie tuin. Toen Hasjem dat zag besloot Hij een vrouw voor hem de maken. Voordat Hasjem haar begon te maken, bracht Hij al de dieren naar Adam, de eerste mens, en deze gaf aan alle dieren hun naam, aan alle vogels, wilde dieren en insecten en andere kleine kruipende dieren. De één noemde hij „leeuw”, een tweede noemde hij „schaap”, een derde noemde hij „duif”, een vierde „vlieg” en weer een ander noemde hij „zijderups” enzovoort, enzovoort.

Adam zag dat elk dier een vrouwtje had – de leeuw had een leeuwin, de ezel had een ezelin, de stier had zijn koe, bij de haan hoorde de kip en zo had ieder dier zijn metgezellin. Alleen hij, Adam had geen metgezellin. Dat maakte Adam erg bedroefd. Daarom bracht Hasjem hem in een diepe slaap, en toen Adam eenmaal goed inslaap was, haalde Hasjem één van zijn ribben uit zijn lichaam en maakte daar een vrouw van.

Toen Adam uit zijn slaap wakker werd, zag hij zijn vrouw voor zich staan. Toen was hij erg blij en hij noemde haar Chawa dat betekent ‘levenschenkster’ in het Hebreeuws, want zij zou de moeder zijn van al wat leeft.

En zo eindigde de zesde scheppings dag.

õ

Op de zevende dag stopte – Sjabbat in het Hebreeuws  –  Hasjem met al  Zijn  scheppingswerk en rustte Hij uit. Daarom rusten wij, Israëlieten, ook uit op Sjabbat, de zevende dag van de week. 11En wanneer wij de Sjabbat in acht nemen zoals het hoort, volgens de halacha, dat is de wet van Tora, en wij niet werken zoals op alle andere dagen van de week, dan tonen wij ons geloof in Hasjem. En niet alleen dat, maar de Sjabbat heeft een speciale kracht, 12zoals onze geleerden, hun aandenken zij tot zegen, zeiden: wanneer heel Israël al de voorschriften van Sjabbat in acht neemt gedurende twee Sjabbatot, dan, zo is ons beloofd, komt onmiddellijk de Masjiach.

Wij moeten de Sjabbat met veel eer behandelen, dat wil zeggen: wij kleden ons ter ere van Sjabbat extra mooi aan en wij eten op Sjabbat altijd allerlei lekkere dingen en we rusten ook veel op Sjabbat, en bovendien zingen wij altijd mooie Sjabbat-liedjes.

Zo zien wij hoe groot de kracht is van Sjabbat, en daarom moeten wij haar eren en in acht nemen zoals het hoort.

Op de zevende dag eindigde Hasjem met de schepping van de wereld, waarin wij leven.

Samenvatting: Wij geloven dat Hasjem Koning van de wereld is en dat Hij heel de wereld geschapen heeft.

 

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

Schepping van de wereld:

1. Midrasj Otiot; 2. Rasji 1:27; 3. Rasji 1:14; 4. Rasji 1:4; 5. Chagiga 12; 6. Choelien 60; 7. B.R., Rasji; 8. Sanhedrin 38; 9. Rasji 1:27, 10 Rasji 2:5; 11. Sefer Hachinoech; 12. Sjabbat 118.