Archief

WAJJERA

de verwoesting van sedom en ’amora

Nadat de engelen hun opdracht in het huis van Awraham beëindigd hadden gingen twee engelen op weg naar Sedom – de één om Sedom te verwoesten en de ander (die welke Awraham was komen genezen) om Lot te redden, want de genezing van Awraham en het redden van Lot wordt beschouwd als één opdracht.

Awraham deed hen een stukje uitgeleide op de weg, zoals het hoort voor iedere gast, en nadat de gasten van hem hadden afscheid genomen verscheen Hasjem aan Awraham en zei tegen hem: „Het is mijn bedoe­ling om Sedom te verwoesten en al zijn inwoners te doden, want de mensen van Sedom zijn slechte men­sen, zij zondigen heel erg tegen Hasjem. Zij hebben al de drie ernstigste misdaden begaan. Zij aanbidden vreem­de afgoden, zij gedragen zich on­tuchtig en ver­gie­ten onschuldig bloed.” *Hasjem ging verder en zei: „Ik zal nu eerst naar Sedom gaan en zien of de mensen daar tesjoewa gedaan hebben – of zij hun leven hebben verbeterd. Wanneer zij tesjoewa gedaan hebben, dan laat Ik het alleen maar op hen regenen, maar als ze geen tesjoewa gedaan hebben, dan laat Ik het zwavel en vuur op hen regenen, dan zal Sedom vernietigd worden.

*Waarom vertelde Hasjem dat allemaal aan Awraham? Omdat Hasjem wilde dat Awraham de mensen van Sedom zou verdedigen, want zo zijn nu eenmaal de manieren van Ha-Kadosj-Baroech-Hoe. Iedere keer als Hasjem als rechter optreedt over iemand om over hem recht te spreken, dan brengt Hij altijd eerst een advocaat die al de goede dingen over die persoon vertelt. Toen Awraham dan ook dit alles van Hasjem hoorde, begon hij onmiddellijk tot Hasjem te bidden, want hij wilde de mensen van Sedom redden. Hij zei: „Heer der wereld! Misschien zijn er in heel de streek van Sedom wel vijftig recht­vaar­dige mensen – tien in iedere stad (want Sedom bestond uit vijf steden) en wegens de verdiensten van die brave mensen kunt U toch niet Sedom ver­woes­ten?” Ant­woord­de Ha-Kadosj-Baroech-Hoe aan Awra­ham: „Als er vijftig tsaddiekiem waren geweest in Sedom, dan zou zij gespaard worden vanwege hun verdien­sten.”

Awraham ging verder en zei: „Misschien zijn er 45 tsaddiekiem – *negen in iedere stad – en als U, Hasjem zich in iedere stad bij hen voegt, dan bent U de tiende tsaddiek.”

Antwoordde hem Ha-Kadosj-Baroech-Hoe: „Er zij geen 45 tsaddiekiem in Sedom.”

Awraham vroeg: „Misschien zijn er veertig tsad­die­­kiem in Sedom? Dan kunnen toch minstens vier steden gered worden.” „Nee!” antwoordde Hasjem, „er zijn zelfs geen veertig tsaddiekiem.” „Dertig tsaddiekiem misschien?” vroeg Awraham voorzichtig. „Ook niet!” antwoordde Hasjem. „Twintig?” „Tien?” „Nee, zelfs dat niet!” antwoordde Hasjem. Toen Awraham hoorde dat er in heel Sedom nog geen tien brave mensen waren, stopte hij om voor de mensen van Sedom te pleiten, want hij begreep dat de mensen van Sedom dan wel heel erg slecht moesten zijn.

*Wat deden zij voor slechts? Wanneer er een gast kwam naar Sedom, dan legden de mensen van Sedom de gast op een bed, dat in de straten van Sedom stond en waarnaast zes mannen stonden: drie aan het voeteneinde van de gast en drie aan zijn hoofdeinde. Wanneer nu de gast korter was dan het bed, dan rekten de zes mannen hem uit, drie trokken naar de ene kant en drie naar de andere kant, totdat hij van pijn en ellende dood ging. En als de gast langer was dan het bed waarop hij lag, dan hakten de mannen van Sedom zijn voeten af en dan stierf de man ook van de pijn.

Maar er was nog meer. Het was in Sedom verbo­den om aan arme mensen brood te geven en wie dat toch deed, werd gedood door de mannen van Sedom. Eens zag een dochter van Lot een arme man die toe­vallig in Sedom verdwaald was en omdat zij erge medelijden met hem had, bracht zij hem wat te eten.

Zo bracht de dochter van Lot aan de arme iedere dag eten, waardoor de man niet stierf van de honger. Toen de mannen van Sedom zagen dat de arme niet doodging, zeiden zij tegen elkaar: „Dat is iets heel wonderlijks dat die arme niet doodgaat, laten wij eens achter hem aangaan en zien wie hem iedere dag te eten geeft.”

De mannen van Sedom gingen achter hem aan en ont­dekten zo dat het de dochter van Lot was die de arme te eten gaf. Zij grepen haar onmiddellijk en brachten haar naar de rechter van de stad. Dat was een slecht mens, net als al de andere mensen van Sedom. Toen de rechter hoorde dat de dochter van Lot de arme man te eten had gegeven veroordeelde hij haar onmiddellijk tot de brandstapel. De mannen van Sedom grepen haar beet en verbrandden haar.

Hier is nog een voorbeeld van de slechtheid van de mensen van Sedom: Op een dag kwam er een gast naar Sedom, op een tijdstip dat de zon net onderging. Hij ging zitten tegenover het huis van één van de rijken van Sedom. Omdat hij erge honger had, gaf de dochter van de rijke man hem wat brood te eten. Toen dat bekend werd bij de slechte mensen van Sedom, grepen zij haar en brachten haar naar de rechtbank. Daar besliste de slechte rechter: „Smeer de dochter van die rijke man in met zoete honing en zet haar dan voor een bijenkorf. Dan zullen alle bijen komen en haar steken.” En zo deden de mensen van Sedom en de bijen staken haar over haar hele lichaam. Het meisje schreeuwde het uit van de pijn. Zij schreeuwde zo luid en smartelijk dat haar geschreeuw de troon van Hasjem bereikte, maar niemand van de mensen van Sedom hielp haar.

Dit waren zulke zware misdaden van de mensen van Sedom dat zij daarvoor gestraft moesten worden: Sedom en Amora zouden verwoest worden.

Laten wij nu eens terug gaan naar de engelen en zien wat er met hen gebeurde. *De engelen kwamen pas tegen de avond aan in Sedom omdat zij wel wisten dat Lot alleen ’s avonds gasten in zijn huis uitnodigde, opdat de mensen van Sedom dat niet zouden weten.

Op de dag dat de engelen in Sedom kwamen, zat Lot voor de toegangspoort van de stad en toen hij de engelen zag, stond hij voor hen op, boog en zei: „Komt u toch met mij mee naar huis, *maar doe mij een gunst en maak een omweg, zodat de slechte mensen van Sedom niet zullen weten dat u naar mijn huis komt.” Zo deden de engelen en gingen naar het huis van Lot via een omweg.

Zodra de engelen aankwamen in het huis van Lot, haastte de vrouw van Lot zich om matsot voor hen te bakken. Nadat zij gegeten hadden, zei Lot tegen hen: „Mijn gasten, gaat nu slapen, morgen kunt u uw voeten wassen.” Maar het is de gewoonte van de hele wereld dat men het stof van de weg van zich afwast voordat men gaat slapen! Echter Lot was bang dat de mensen van Sedom zouden ontdekken dat hij gasten in huis had en als zij zouden zien dat zijn gasten hun voeten wasten, zouden zij denken dat zijn gasten reeds een aantal dagen bij hem logeerden. Maar als zij zouden zien dan hun voeten nog niet gewassen waren, zouden zij denken dat zij eerst nu bij Lot op bezoek kwamen.

Maar nog voordat de engelen tijd hadden om naar bed te gaan, omsingelden de mannen van Sedom reeds het huis van Lot en riepen: „Lot, breng onmiddellijk die gasten van je naar buiten!” Lot antwoordde hen: „Ik kan mijn gasten niet voor jullie naar buiten brengen, maar mijn dochters wil ik wel voor jullie naar buiten brengen.” Maar de mannen van Sedom weigerden het aanbod van Lot en probeerden de deur van het huis van Lot te forceren, zodat zij zelf de gasten van Lot met geweld naar buiten zouden kunnen brengen. En om Lot te straffen. Plotseling gebeurde er een wonder: alle mensen die rond het huis van Lot stonden werden blind en konden de deur niet meer zien en daarom konden zij hem ook niet meer forceren. Daarop wendden de engelen zich tot Lot en zeiden: „Wij staan op het punt om Sedom te ver­woesten. Het is beter als je nu met ons uit Sedom vlucht.” Lot schrok enorm en besloot onmiddellijk te vluchten. Hij probeerde ook zijn schoonzonen te overtuigen met hem mee te vluchten maar zei weigerden en lachtten Lot uit.

Toen het ochtend werd zeiden de engelen tegen Lot: „Haast je, neem je vrouw en je beide dochters en vlucht met hen uit Sedom zo snel als je kunt maar weest allen gewaarschuwd: kijk niet om als Sedom verwoest wordt.”

*Lot antwoordde: „Ik ben bang om naar de bergen te vluchten, want daar woont Awraham en tot nu toe werd ik nog als een tsaddiek beschouwd in verge­lij­king met de slechte mensen van Sedom. Maar in ver­ge­lij­king met de tsaddiek Awraham zal ik als een slecht mens beschouwd worden. En dan zal ik toch gestraft worden en sterven. Daarom verzoek ik Hasjem dat Hij de stad Tso’ar niet verwoest, zodat ik daarheen kan vluchten.” Ha-Kadosj-Baroech-Hoe gaf gehoor aan het verzoek van Lot en verwoestte Tso’ar niet. Lot vluchtte daarheen met zijn familie.

Onmiddellijk nadat Lot met zijn familie Sedom had­ verlaten liet Hasjem het vuur en zwavel regenen op Sedom en Amora en alle inwoners van Sedom en Amora kwamen daarbij om. De verwoesting was totaal, geen huis bleef overeind. Er bleven zelfs geen bomen of bloemen over. Al die mooie steden werden totaal vernietigd.

De vrouw van Lot besteedde geen aandacht aan de waarschuwing van de engelen om niet om te kijken en toen Lot met zijn familie uit Sedom wegvluchtte, keek zij om en als gevolg daarvan werd zij veranderd in een zoutpilaar. *En waarom speciaal een zoutpilaar? Omdat toen de engelen naar haar huis waren geko­men, de vrouw van Lot matsot voor hen bakte en omdat zij wat zout te kort kwam, ging zij naar de buurvrouw om daar wat zout te lenen. Daarbij vertelde zij dat zij matsot bakte voor de gasten! En zo verbreidde de vrouw van Lot het nieuws over de gasten en daarvoor werd zij gestraft in een zoutpilaar. Die zoutpilaar staat nog tot vandaag de dag in Sedom.

Samenvatting: De mensen van Sedom waren heel slecht, met name weigerden zij aan arme mensen eten te geven. Daarom werden zij zo zwaar gestraft.

Hiervan kunnen wij leren dat het heel belangrijk is om rechtvaardig te zijn en tsaddaka te geven aan armen want dat ziet Hasjem graag en dan geeft Hij ons een beloning voor onze goede daden.

Bronnen van de Midrasj

Rasji in naam van Bereisjiet Rabbah; Midrasj Hachafeets; Tanchoema Wajjera; Rasji; Sefer Hajetsira; Pikei de Rabbi Eli’ezer; Zohar; Rasji; Rasji in naam van Bereisjiet Rabbah;