Archief

TOLEDOT

jitschaks zegen voor zijn zonen

Onze aartsvader Jitschak kreeg twee zonen, een tweeling. De oudste heette ’Esav, de tweede zoon heette Ja’akov.

Toen zij opgroeiden gingen zij allebei hun eigen weg en ieder gedroeg zich anders. ’Esav was een slecht mens – hij roofde en stal en hield zich altijd bezig met de jacht. Ja’akov daarentegen was een goed mens – hij leerde in het Beith-Hammidrasj, hij dawende en leerde veel Torah.

De vader van ’Esav en Ja’akov – Jitschak – 1was oud en kon niet meer goed zien. Toen zijn vader Awraham hem, toen hij nog jong was, wilde offeren aan Hasjem, omdat Ha-Kadosj-Baroech-Hoe Awra­ham op de proef wilde stellen, kregen de en-gelen medelijden met Jitschak want zij niet wilden dat Awraham hem zou offeren. Zij lieten hun tranen de vrije loop en sommige van die engelentranen waren in de ogen van Jitschak gevallen en hadden zijn ogen zwakker gemaakt.

Doordat de ogen van Jitschak zo zwak waren, zag hij niet hoe slecht ’Esav was, want ’Esav deed zichzelf voor alsof hij een tsaddiek was en stelde zijn vader altijd zogenaamde slimme vragen, zoals: „Vader, hoe moet men een tiende afscheiden van zout en van stro? …” terwijl het algemeen bekend is dat men van zout en stro geen tienden hoeft af te zonde­ren. Maar Jitschak dacht dat ’Esav zulke vragen stelde omdat hij zo precies was met zijn mitswot en dat hij een goed mens was. Daarom hield Jitschak meer van ’Esav dan van Ja’akov.

Rivka echter, die wist dat Ja'akov een tsaddiek was en dat ’Esav een slecht mens was, hield meer van Ja’akov, die dag en nacht Torah leerde.

Op een dag hoorde Rivka hoe Jitschak tegen ’Esav zei: „Mijn zoon, ga naar het vrij veld en vang voor mij een rein beestje en bereid mij daarvan een lekkere maaltijd. Dan zal ik je daarna zegenen.”

Rivka wilde dat Ja’akov, haar brave zoon, de zegen zou krijgen, die Jitschak aan ’Esav wilde geven. Dus snelde zij naar Ja’akov en vertelde hem wat zij gehoord had en zij zei tegen hem: „Neem twee kosjere geite­bokjes, slacht ze en breng ze naar mij, zodat ik er een lekkere maaltijd van kan bereiden voor je vader.”

Ja’akov, die graag de zegen van zijn vader wilde hebben, deed wat zijn moeder hem geboden had. Maar hij was wel bang om bij zijn vader naar binnen te gaan, want Jitschak kon immers slecht zien en daarom zou hij hem misschien willen betasten om te voelen wie hij was. En dan zou Jitschak weten dat het niet ’Esav was die voor hem stond maar Ja’akov. ’Esav was namelijk heel erg harig terwijl daarentegen Ja’akov helemaal glad was. En dan zou Jitschak kwaad op hem worden en dan zou Ja’akov zeker geen zegen krijgen.

Maar Rivka steld Ja’akov gerust en zei: „Doe de kleren van ’Esav aan. 2Die zijn nog van Adam, de eerste mens, geweest, en daarna heeft Nimrod ze gedragen zijn en ’Esav heeft ze van hem gestolen. Daar zijn allemaal dieren op geschilderd. Op je armen en om je hals bind je de geitevelletjes, die harig zijn, en dan zal Jitschak zeker niet in de gaten hebben dat jij het bent die voor hem staat in plaats van ’Esav.”

Nu was Ja’akov niet bang meer om de kamer van zijn vader binnen te gaan, nadat zijn moeder hem ge­hol­pen had met het ombinden van de harige geitevel­le­tjes. Dus nam Ja’akov de lekkere maaltijd, die zijn moeder voor Jitschak had klaarge-maakt, en ging de kamer van zijn vader binnen. Zachtjes opende Ja’akov de deur, kusde de mezoezah, wensde zijn vader een goede dag toe en zei beleefd: „Sta op, vader, eet wat van de jachtschotel die ik u gebracht heb, en zegen mij dan daarna.”

Het verbaasde Jitschak ten zeerste dat zijn zoon reeds zo snel van de jacht terug was en hij vroeg hem: „Hoe komt het, mijn zoon, dat je nu al terug bent van de jacht?”

Ja’akov antwoordde hem: „Hasjem bracht het wild op mijn pad, zodoende kon ik zo snel terug zijn.”

Jitschak verwonderde zich over dit aangename gedrag, omdat hij gewend was aan het brutale gedrag van ’Esav en daarom vroeg hij: „Kom eens wat dichterbij, mijn zoon, zodat ik je kan voelen en ik zal weten of  het inderdaad mijn zoon ’Esav is die voor mij staat.”

Ja’akov kwam dichterbij, en Jitschak betastte hem en voelde al de haren. Hij zei: „De stem is de stem van Ja’akov maar de handen zijn de handen van ’Esav.” Met andere woorden: het aangename, beleef­de gedrag is van Ja’akov, maar die harige handen die zijn van ’Esav.

Desondanks kwam Jitschak tot de conclusie dat ’Esav voor hem stond en hij at van het lekkere eten dat ze voor hem hadden klaargemaakt. Toen hij klaar was met eten en daarover de na-beracha had gezegd, wendde hij zich tot Ja’akov om hem te ze-genen: „Moge Hasjem je geven van de dauw van de hemel en van het vette van de aarde, en ook veel graan (d.w.z tarwe, gerst e.d.) en ook veel most (d.w.z. wijn) en vele volken zullen jou dienen en zich voor jou neer­buigen en ieder die jou vloekt zal vervloekt worden, maar ieder die jou zegent, die zal gezegend worden.”

3Gedurende die hele tijd probeerde ’Esav op het veld iets voor zijn vader te vangen, maar iedere keer dat hij er in slaagde iets te vangen en dat vastbond aan een boom, kwam er een engel en die bevrijdde het dier dan uit zijn gevangenschap. ’Esav pro-beerde het nog eens en nog eens, maar ook de engel kwam iedere keer weer terug en bevrijdde het dier iedere keer weer. En dat alles opdat Ja’akov de zegen van Jitschak zou kunnen krijgen.

Ten slotte lukte het ’Esav toch iets te vangen voor zijn vader en hij keerde naar huis terug. Onmiddellijk begon hij een lekkere jachtschotel klaar te maken van het wild dat hij gevangen had. Toen dat klaar was bracht hij dat naar zijn vader.

4Nauwelijks was Ja’akov de kamer van Jitschak uit of ’Esav kwam naar binnen.

Toen ’Esav de kamer binnen ging, kustte hij de mezoezah niet, maar riep met luide stem naar zijn vader: „Sta op, vader en eet van de jachtschotel van je zoon.” Toen Jitschak de stem van zijn zoon ’Esav hoorde, schrok hij geweldig en vroeg: „Wie was het die mij zojuist een jachtschotel gebracht heeft, waarvan ik gegeten heb en die ik ook gezegend heb?!”

Toen ’Esav hoorde dat iemand hem voor was geweest en hem de zegen had afgeno-men, begreep hij dat het zijn broer Ja’akov was geweest die dat gedaan had en hij brak in een luid en bitter gejammer uit. Hij was enorm boos dat hij nu geen zegen meer van zijn vader kon krijgen. Daarom vroeg hij aan zijn vader: „Alstublieft, vader, zegen mij ook!” Jitschak ant­woord­de: „Hoe kan ik jou zegenen, Ja’akov heeft de zegen al van je afgenomen.”

Daarop vroeg ’Esav: „Heeft u dan slechts één zegen?” Jitschak antwoordde: „Goed mijn zoon, ik zal jou ook zegenen!” Jitschak begon: „Ver van het vette der aarde zal je woonplaats zijn, ver van de dauw van de hemelen van daarboven. Van je zwaard zul je leven en je broer zul je dienen: dat wil zeggen: je zult in een goed land wonen en van je zwaard leven en veel oorlogen voeren en ze overwinnen, maar je broer zul je blijven dienen.”

Toen ’Esav de kamer van Jitschak uitkwam, was hij vreselijk kwaad op Ja’akov, omdat die met een list de zege­ningen en wonderen van hem had afgenomen en hij besloot Ja’akov te zoeken om hem te vermoor­den. Maar hij vond hem niet omdat Rivka, die wel wist dat ’Esav haar zoon kwaad wilde doen, Ja’akov naar haar broer Lawan had gestuurd, die in Charan woonde.

Samenvatting: Van het goede gedrag van Ja’akov leren wij een grote en belangrijke mitswa, waarvoor men een grote beloning krijgt in de komende wereld, en dat is de mitswa om ouders te eren. Wij leren ook van die goede gedrag dat voordat wij welk huis dan ook binnengaan, eerst op de deur moeten kloppen en als we dan naar binnen gaan moeten we de mezoezah kussen.

Bronnen van de midrasj:

1. M.R. Bereisjiet 65:10

2. Tanchoema

3. R. Bachia, Lech Lecha

4. Rasji, Bereisjiet 27:30