Archief

MIKKEETS

HET TWEEDE BEZOEK VAN DE BROERS AAN EGYPTE

Het hele gesprek tussen Joseef en zijn broers was gevoerde door middel van een tolkvertaler, omdat de broers dachten dat de koning die voor hen stond geen hebreeuws kon verstaan. Daarom dachten de broers, dat nu zij onderling spraken, de koning hun woorden niet kon verstaan maar Joseef verstond hen natuurlijk heel goed en hij werd erg geroerd door wat hij hoorde. Maar hij wilde niet dat zijn broers zouden merken hoe hij door hun woorden geraakt was. Daarom stond hij op en ging de kamer uit en weende daar luidt van ontroering. Daarna keerde hij terug naar zijn kamer en zei tegen zijn bedienden: „Neem Sjim’on gevangen en geef de andere broers genoeg voedsel om daarvan een tijdlang te leven. Geef hen ook stro en voer voor hun ezels.” En zachtjes tegen één van zijn bedienden vervolgde hij: „En het geld dat zij je betalen voor het voedsel en het stro voor de ezels stop je in hun reistassen.”

Met een zwaar hart namen de broers afscheid van Sjim’on en gingen op weg terug naar het land Kena’an. Zij waren zeer bezorgd dat hun vader hun geen toestemming zou geven om Benjamin mee te nemen naar Egypte. Onderweg opende Levi zijn reis­tas om zijn ezel te voeren en daar zag hij bovenop in zijn reistas het geld liggen dat hij betaald had voor hun voedsel en voor het veevoer. Hij vertelde zijn broers wat hij gevonden had en daar schrokken zij geweldig van. Daarna opende ieder zijn eigen reistas en tot hun grote verbazing vond ieder daarin zijn geld terug dat hij betaald had. Wat moesten zij nu doen?

De broers besloten hun weg naar huis te vervolgen en daar aangekomen vroeg Ja’akov hun: „Waar is Sjim’on, jullie broer?” Nu vertelden de broers aan Ja’akov wat hen overkomen was en zeiden: „De onderkoning van Egypte gaf ons opdracht onze broer Benjamin naar hem toe te brengen; hij houdt Sjiom’on gevangen totdat wij Benjamin bij hem brengen. Alstublieft, vader, stuurt u toch Benjamin met ons mee terug naar Egypte!” „Nee!” antwoordde Ja’akov, „ik stuur hem niet met jullie mee want ik ben bang dat julle dan terug komen naar huis en zullen zeggen: ‘Wij zijn Benjamin kwijt’, net als met Joseef gebeurd is en zoals Sjim’on nu gevangen is genomen. Zo kan ook Benjamin een ongeluk overkomen en ik ben bang dat ook hij dan niet terugkomt.” Zo bleven de broers thuis en keerden niet terug naar Egypte.

De tijd verliep en het eten raakte op. De klein­kin­deren van Ja’akov kwamen naar hun groot­vader en vroegen hem: „Opa, geef ons wat te eten want wij hebben zo’n honger.” Ja’akov kreeg medelijden met zijn kleinkinderen en zei tegen zijn zonen: „Gaat nogmaals naar Egypte en koop daar voedsel want wij hebben allemaal honger.”

Daarop zei Jehoedah: „Vader, wanneer u Benja­min met ons meestuurt willen wij wel naar Egypte gaan om daar voedsel te kopen, maar als wij Benja­min niet meenemen, dan zal die Egyptische koning ons zeker doden.”

Waarom hebben jullie mij deze narigheid bezorgd en aan die egyptische koning verteld dat jullie nog een broer hebben?” Jehoedah antwoordde: „Hij vroeg ons met hoeveel broers wij zijn, en wij konden niet ver­moeden dat hij ons zou opdragen Benjamin bij hem te brengen. Stuurt u nu alstublieft Benjamin met ons mee, vader, ik verzeker u dat ik hem veilig weer thuis breng. Zo niet, dan zal ik hebben gezondigd en zal ik worden verbannen uit deze wereld en uit de komende wereld. Bidt tot Hasjem, vader, dat Benja­min gunst zal vinden in de ogen van de onderkoning van Egypte zodat hij ons in vrede naar huis zal laten terugkeren.”

Ja’akov begreep dat hij geen keus had maar Ben­ja­min mee moest laten gaan met zijn broers en hij zei: „Mijn zonen, neem Benjamin mee en ga naar Egypte maar neem een geschenk mee voor de onderkoning van Egypte, opdat zijn hart zich een beetje verzacht en geef hem ook het geld terug dat jullie in jullie reis­tassen gevonden hebt, zodat hij jullie niet van diefstal kan beschuldigen.” Ja’akov vervolgde en zei: „Ik ver­zoek jullie heel goed op Benjamin te passen en voort­durend bij hem te blijven en ik zal tot Hasjem bidden dat Hij jullie zal helpen en ik zal jullie ook een brief meegeven voor de onderkoning van Egypte.” Ja’akov schreef een brief, waarin hij vertelde over hemzelf en over zijn familie en hij schreef ook dat er niets slechts school in wat zijn zonen ook deden en dat het geen zin had om hen kwaad te doen omdat zij grote helden waren en Hasjem altijd aan hun zijde stond. De tien broers namen de brief en het geld dat zij in hun tassen gevonden hadden en het geschenk en Benjamin mee en begaven zich op weg naar Egypte, terwijl Ja’akov en zijn vrouwen en dochters dawenden voor het wel­slagen van de broers.

Zo kwamen zij aan in Egypte en daar zag Joseef hen en onmiddellijk gebood hij zijn bedienden: „Bereidt een grote maaltijd voor de broers en nodig ze uit bij mij thuis.” Dat deden de bedienden en zij no­dig­den de elf boers mee te komen naar het huis van hun heer. Toen de broers hoorden dat zij waren uitge­nodigd naar het huis van de onderkoning, schrokken zij geweldig, en zeiden tegen elkaar: „Die onderko­ning wil ons vast valselijk beschuldigen dat wij het geld gestolen hebben, dat wij in onze zakken gevon­den hebben. Laten we daarom snel naar hoofd­bedien­de van het huis van de onderkoning gaan en hem het geld geven en hem vertellen hoe wij dat in onze reis­tassen gevonden hebben.” De broers gingen naar de hoofdbediende van het huis van Joseef en wilden hem het geld teruggeven maar hij zei tegen hen: „Dat geld, dat is van jullie, maar wees niet bang want er zal jullie niets slechts overkomen.”

De broers gingen het huis van de onderkoning bin­nen, en gaven hem het geschenk dat zij voor hem hadden mee genomen en de brief die hun vader ge­schreven had. Toen Joseef de brief las werd hij heel erg ontroerd, rende de kamer uit en begon te huilen. Daarna keerde hij terug en vroeg hun: „Is dit jullie jongste broer?” „Ja dat is hem!” antwoordden zij. „Kom, gaan jullie zitten en eet,” nodigde Joseef hen uit. De broers overgoten hun handen, gingen zitten en begonnen te eten. Tijdens de maaltijd zei Joseef: „Luister, ik heb een beker, wanneer ik daarin kijk kan ik alles te weten komen wat ik wil en zo ben ik te weten gekomen dat de oudste van jullie Reoeween is, en de tweede broer is Sjim’on en de derde is Levi en de vierde – Jehoedah en dan komen Jissachar en Zewoe­loen en Gad enzovoort en de jongste is Benja­min.” Hij vertelde hen ook hoe ieders moeder heette en toen hij bij Benjamin aankwam zei hij: „Maar Ben­jamin heeft geen moeder meer en omdat ik ook geen moeder meer heb, blijft hij bij mij.”

De broers waren zeer verbaasd dat de onder­koning precies hun namen wist en de namen van hun moeders, maar zij gingen verder met hun maaltijd. Joseef deelde aan ieder een heleboel cadeautjes uit en de volgende dag stuurde hij hen naar huis terug maar voordat de elf broers vertrokken zei Joseef zachtjes tegen één van zijn bedienden: „Stop die speciale beker van mij in de reistas van Benjamin.” Nadat de broers vertrokken waren, gaf Joseef die bediende opdracht hen te achtervolgen. Toen hij hen had ingehaald zei hij: „De beker van de koning is verdwenen en hij verdenkt jullie ervan dat je hem gestolen hebt.” „On­mo­gelijk!” antwoordden de broers, „als u de beker in de tas van één van ons vindt, zal hij gedood worden en de rest zal slaven zijn voor onze heer.”

De bediende begon te zoeken in de reistassen van de broers en ja hoor – in de reistas van Benjamin lag bovenop de zilveren beker. Toen de broers dat zagen verscheurden zij hun kleren vanwege zoveel narig­heid. Daarna keerden zij terug naar Egypte en onderweg verweten zij Benjamin dat hij de beker had gestolen.

Toen zij bij Joseef kwamen, vroeg deze hen: „Hoe konden jullie zo iets doen, nadat ik jullie al die geschenken gegeven heb?” Maar de broers antwoord­den: „Mijn heer, wij weten niet hoe die beker in de reistas van onze jongste broer is gekomen, maar wij zijn bereid voor straf uw slaaf te worden.”  Maar Joseef antwoordde: „Nee, dat is niet mijn bedoeling, ik wil alleen maar Benjamin hebben, hij heeft de beker gestolen, dus hij zal mijn slaaf worden maar jullie kunnen in vrede naar jullie vader terug keren.”

Toen de broers dat hoorden werden zij vreselijk kwaad en zij gingen er niet mee akkoord dat alleen Benjamin zou achterblijven in Egypte.

õ õ õ