Archief

WAJJERA

Jitschak vastgebonden

Onze aartsvader Awraham moest vele beproe­vingen doorstaan. Eén daarvan was het vastbinden van Jitschak.

Op een keer verscheen Hasjem aan Awraham en zei tegen hem: „Neem je zoon”. *Awraham ant­woordde: „Ik heb twee zonen.” Daarop zei Hasjem: „Je enige zoon”. „Ze zijn allebei uniek”, antwoordde Awraham, „Jisjma’eel is de enige zoon van zijn moeder Hagar en Jitschak is de enige zoon van zijn moeder Sara.” „Die waarvan je houdt”, zei Hasjem. „Maar ik houd van allebei met heel mijn hart”, antwoordde Hem Awraham. Toen zei Hasjem: „Neem Jitschak mee naar het land Moria en offer hem daar, op één van de bergen.” Waarom zei Hasjem niet gelijk tegen Awraham dat hij Jitschak moest offeren? Echter, Awraham hield zoveel van Jitschak, dat als Hasjem gelijk tegen Awraham gezegd had: „Neem Jitschak en offer hem,” dan zou Awraham vreselijk geschrokken zijn en dat zou slecht voor hem geweest zijn. En niet alleen dat, maar Hasjem wilde dat Awraham de mitswa met liefde zou uitvoeren. Daarom zei Hij niet direkt: „Neem Jitschak en offer hem,” maar rekte Hij het gesprek wat uit en zei Hij: „Neem je zoon, de enige, die welke je lief hebt, Jitschak.” Awraham die een groot tsaddiek was, dacht niet verder na over de woorden van Hasjem, hoewel hij heel erg veel van zijn zoon Jitschak hield. Maar hij besloot de volgende morgen vroeg op te staan en met Jitschak op weg te gaan om de opdracht van Hasjem stipt uit te voeren.

*Maar Awraham was wel bang om aan Sara te vertellen wat Hasjem hem had opgedragen te doen, want ook zij hield heel erg veel van Jitschak en Awraham was bang dat hij dan de opdracht van Hasjem niet zou kunnen uitvoeren. Daarom zei Awraham tegen Sara: „Ik wil onze zoon Jitschak, die nu al zo groot geworden is, naar het Beit-Midrasj – de hogere leerschool – sturen van Sjeem en ’Ever, zodat hij daar Tora kan leren …”. „Dat is een goed idee,” antwoordde Sara hem, „daar ga ik mee akkoord, maar op voorwaarde dat Jitschak niet te lang wegblijft.”

Het viel Sara erg zwaar om van Jitschak afscheid te nemen. Heel die nacht zat Sara op en praatte met Jitschak. Toen de ochtend aanbrak gaf zij Jitschak schone kleren en eten voor onderweg. *Voordat zij echter opweg gingen, zadelde Awraham zelf  zijn ezel, hoewel hij genoeg bedienden had  die dat voor hem hadden kunnen doen. Maar hij deed het zelf omdat hij er van hield een mitswa te doen en hij wilde die alleen doen. Hij nam ook twee bedienden mee, Eli’ezer en Jisjma’eel. Daarna gingen Awraham en Jitschak op weg en Sara begeleidde hen een eind op weg.

Toen het tijd voor haar werd om naar huis terug te keren moest Sara heel erg huilen omdat zij afscheid  moest nemen van haar zoon Jitschak. En ook Awraham en Jitschak en zelfs de bedienden die hen vergezelden, moesten meehuilen. Daarna keerde Sara terug naar huis en Awraham en Jitschak vervolgden hun weg naar de berg Moria.

De Satan wilde echter Awraham hinderen bij de uitvoering van de opdracht van Hasjem. Daarom vermomde hij zich als een oude man en zei tegen Awraham: „Het kan toch niet mogelijk zijn, Awraham, dat Hasjem je heeft opgedragen je eigen zoon te slachten. Hasjem is een goede G-d en heeft medelijden met iedereen. Kom, keer terug naar huis.”

Awraham wist wel dat het de Satan was die voor hem stond  en zei: „Ga weg, laat me met rust!” Toen de Satan zag dat het hem niet lukte om Awra­ham te overtuigen om terug te gaan naar huis, besloot hij om te proberen of hij Jitschak kon overtuigen. Snel ver­anderde de Satan van vermomming en nu zag hij er uit als een knappe jonge man en zo verscheen hij voor Jitschak en zei: „Jitschak, het is niet verstandig van je om met je vader mee te gaan, want hij zal je doden.” Maar ook Jitschak begreep dat het de Satan was die voor hem stond en antwoordde: „Ga weg en probeer mij niet meer tegen te houden van het doen van Hasjems mitswa!”

Toen nu de Satan zag dat hij noch Awraham, noch Jitschak met zijn woorden kon overtuigen, veranderde hij zich in een woeste stroom. Zo probeerde hij Awraham en Jitschak tegen te houden, zodat zij niet de mitswa van Hasjem zouden kunnen uitvoeren, want zij zouden niet de rivier kunnen oversteken en zo hun weg vervolgen. Maar Awraham wist wel dat dit ook één van de streken van de Satan was en daarom ging hij het water van de rivier in en liep door, totdat het water hem tot de schouders kwam en zij niet meer verder konden gaan. Toen werd Awraham boos op de Satan en stuurde hem weg en daarop viel de rivier droog.

Nadat de Satan gezien had dat niets Awraham en Jitschak kon verhinderen hun mitswa uit te voeren, stoorde hij hen niet langer en zij konden in rust hun weg naar de berg Moria voortzetten.

*Zo liepen zij samen gedurende drie dagen. En hoewel het niet zo ver weg was deden zij toch zo lang over de weg, opdat niemand zou zeggen: „Awraham haastte zich zo snel om zijn zoon aan Hasjem te offeren, dat hij zich niet eens genoeg tijd gunde om daar eens goed over na te denken.”

*Na drie dagen zag Awraham in de verte een wolk die aan één kant vast zat aan een berg. Awraham vroeg aan Jitschak: „Zie jij iets, mijn zoon, daar boven op de berg?” „Jawel”, antwoordde Jitschak, „ik zie een wolk die aan één kant vast zit.” Daarop vroeg Awraham aan zijn bedienden Eli’ezer en Jisjma’eel: „Zien jullie wat, daar boven op die berg?” Maar zij antwoordden: „Nee, wij zien niets!” Daaruit begreep Awraham dat Jitschak inderdaad geschikt was om als offer te brengen voor Hasjem, want ook hij had de wolk gezien die aan één kant vast zat aan de top van de berg. Daar de bedienden het niet zagen zei hij tegen hen: „Blijven jullie hier, bij de ezel, dan gaan ik en Jitschak verder en wij zullen naderhand bij jullie terugkeren.

Awraham laadde het hout op de rug van zijn zoon Jitschak en zelf nam hij het vuur en een mes en samen gingen zij in de richting van de berg. Onderweg vroeg Jitschak aan Awraham: „Vader, wij hebben vuur en hout bij ons, maar waar is het schaap dat geofferd moet worden?” Awraham antwoordde: „G-d wil dat jij geofferd wordt in plaats van een schaap…” *Nu vreesde Awraham dat Jitschak bang zou worden en zou vluchten. Daarom zei hij tegen hem: „Wees niet bevreesd mijn zoon, wees niet bang, want het is de wens van Hasjem en dat moet je met een vol hart accepteren, zonder angst.”

Maar Jitschak was in het geheel niet bang en zei tegen Awraham: „Vader, als u aan moeder vertelt dat ik geofferd ben, zeg dat dan niet tegen haar terwijl zij op het dak staat of aan de rand van een diepe put, opdat zij niet van schrik zal vallen.”

Samen gingen Awraham en Jitschak verder om met heel hun hart de mitswa van Hasjem uit te voeren. *Toen zij bij de berg aankwamen, bouwden zij daar een altaar. Jitschak bracht zijn vader de stenen en Awraham bouwde het altaar. Zij bouwden het altaar met hart en ziel, zonder enkele angst, hoewel zij allebei wisten dat Jitschak op het punt stond om gedood te worden.

Nadat de bouw van het altaar klaar was vroeg Jitschak aan Awraham: „Vader, als je mij op het altaar legt, bindt mij dan stevig vast, zodat mijn lichaam niet zal bewegen als het mes mijn keel raakt, waardoor het slachten niet Kasjer zou zijn.” Dat deed Awraham en toen hij Jitschak op het altaar legde bond hij hem stevig vast en daarna pakte hij het mes om zijn zoon te offeren.

*Toen begonnen de engelen te huilen en smeekten Hasjem: „Heer der wereld, annuleer toch dit vreselijke vonnis!” Daarop zond Hasjem de engel Michaël om tegen Awraham te zeggen dat hij zijn zoon niet mocht offeren. De engel riep Awraham vanuit de hemel: „Awraham, Awraham!” En Awraham antwoordde: „Ik ben hier!” Daarop zei de engel: „Verwond de jongen niet, raak hem niet aan, het was maar een test en omdat je daarvoor geslaagd bent zal je heel veel nakomelingen krijgen.”

Awraham keek eens in het rond en kijk, dat stond een ram met zijn horens verward in de takken van een boom. Awraham kwam dichterbij, bevrijdde de ram van de takken en offerde het aan Hasjem.

Tot vandaag toe blazen wij op de sjofar – de ramshoorn – omdat Hasjem destijds tegen Awraham heeft gezegd: „Als je nakomelingen op de sjofar blazen, dan zal Ik Mij herinneren hoe Jitschak op het altaar werd vast gebonden en dan zal Ik hen vergeven van al hun misdaden. En weet, Awraham, omdat je naar Mij geluisterd hebt en bereid was je zoon voor Mij te offeren, zal Ik je nazaad zo talrijk maken als de sterren aan de hemel, of zo talrijk als het zand van de zee.”

Awraham noemde die plaats: „Hasjem zal zien.” En toekomstige geslachten die daar zouden komen zouden zeggen: Op die plaats verscheen Hasjem aan Awraham en aan Zijn volk.”

Daarna gingen Awraham en Jitschak terug naar de bedienden en van daar gingen zij terug naar hun huis in Beëer-Sjèwa’.

Samenvatting: Onze aartsvader Awraham was bereid zo iets moeilijks te doen als het offeren van zijn zoon aan Hasjem, alleen omdat Hasjem hem dat geboden had.

Ook wij moeten weten dat wij ten alle tijde de mitswot van Hasjem moet uitvoeren, zelfs als ons dat soms heel erg moeilijk valt.

Bronnen van de Midrasj

Rasji; Sefer Hajetsira; Tanchoema Wajjera; Bereisjiet Rabbah 56; Awot de Rabbi Nathan; Sefer Hajetsira; Pesikta Rabbati 40; Pirkei de Rabbi Eli’ezer 31; TNJ (?) Wajjera.