Archief

Lech Lecha

HET VERBOND TUSSEN DE STUKKEN

Nadat Awraham en Sara in het land Kena’an waren gaan wonen beleefden zij een heleboel dingen. Awraham voerde een heleboel oorlogen, waarin hij een vele mensen doodde. Dat vond hij heel verdrietig want Awraham was een tsaddiek en hield heel veel van de mensen.

Maar zie, Hasjem openbaarde zich nogmaals aan Awraham in die tijd en sprak tegen hem: „Wees niet bevreesd, Awraham! Je hoeft je geen zorgen te maken over al die mensen die je gedood hebt in de oorlogen tegen de koningen, want je hebt daarmee niets verkeerds gedaan. Het waren namelijk allemaal slechte mensen en het zal geen schade aanrichten aan de beloning die je te wachten staat voor je zeer vele goede daden. En niet alleen dat maar je zult ook niet gestraft worden voor het feit dat je mensen gedood hebt in de strijd.”

Toen Awraham die woorden hoorde uit de mond van Hasjem, vroeg hij: „Welk nut heeft het en wat voor plezier zal ik hebben van de grote beloning die mij te wachten staat? Ik ben immers onvruchtbaar en heb geen kinderen die van mij die grote beloning kunnen erven. Ik heb alleen maar mijn dienaar Eliëzer die al mijn bezittingen zal erven.”

Ha-Kadosj-Baroech-Hoe antwoordde hem: „Niet je dienaar Eliëzer zal van jou erven, maar de zoon die jou geboren zal worden.”

Hasjem wilde Awraham laten zien hoe talrijk zijn nageslacht zou worden. Daarom bracht Hij hem naar buiten en liet hem de vele sterren zien en zei: „Kijk eens naar de hemel, Awraham, zie je al die sterren? Probeer ze eens te tellen! Kun je dat? Nee? Welnu, zoals er zoveel sterren zijn, dat je ze niet kunt tellen, zo ook zal je nageslacht talrijk zijn als de sterren aan de hemel. Geen mens zal ze kunnen tellen.”

En Awraham, de tsaddiek, twijfelde geen moment,  chas-wechalilah, aan de woorden van Hasjem maar was er van overtuigd en geloofde oprecht en met heel zijn hart dat hem een zoon zou geboren worden en dat zijn nageslacht zo talrijk zou worden als de sterren aan de hemel.

Maar Hasjem ging verder en sprak: „Ik gaf je opdracht om je land te verlaten en te gaan wonen in het land Kena’an, opdat jij en je nageslacht dat land zullen erven. ”

Daarop vroeg Awraham aan Hasjem: „Hoe zal ik weten dat ik het zal erven?” – Dat wil zeggen: *„Op grond van welke verdienste zullen ik en mijn kinderen het land Kena’an erven?” In antwoord op deze vraag sprak Hasjem tegen Awraham: „Neem drie kalveren, drie geitebokken, drie rammen, een tortelduif en een jonge duif. Snij al die dieren in twee stukken en leg de helften tegenover elkaar – *zoals mensen doen die samen een verbond sluiten om hun vee onderling te verdelen en dan tussen de dieren door lopen als zij dat verbond sluiten – alleen de tortel duif en de jonge duif blijven heel.”

Dit hele gebeuren met die dieren duidde op de offers, want als beloning voor de offers die hij bracht kregen Awraham en zijn nakomelingen het land Kena’an, en dat was het antwoord aan Awraham op zijn vraag: „Hoe zal ik weten dat ik het zal erven?”

Awraham awinoe – onze aartsvader Awraham – deed precies wat Hasjem hem gebood te doen, nam de dieren en sneed het vee in twee stukken en legde de stukken tegenover elkaar, precies zoals Hasjem hem gezegd had. Toen hij daarmee klaar was daalden er roofvogels neer op de lijken maar Awraham joeg ze weg.

De zon begon onder te gaan en Awraham awinoe viel in slaap. In zijn droom openbaarde Hasjem zich opnieuw aan Awraham en zei tegen hem: „Weet, Awraham, je kinderen zullen vreemdelingen zijn in een vreemd land, en in dat land – dat wil zeggen: In Egypte – zullen de Israëlieten hard moeten werken, rugbrekende arbeid zullen zij moeten verrichten en men zal hen vernederen en onderdrukken gedurende vierhonderd jaar. Maar aan het eind van al die jaren zal Ik dat volk, dat de Israëlieten als slaven behandeld heeft, berechten en straffen. Daarna zal Israël dat land verlaten met vele bezittingen.”

Nadat Hasjem aan Awraham  verteld had over het lot dat zijn kinderen te wachten zou staan, zei Hij tegen Awraham: „En Jij, Awraham, zult in vrede tot je voorouders terug keren en je zult in hoge ouderdom begraven worden en het vierde geslacht na jou zal naar het land Kena’an terugkomen, waar nu de Emorieten nog wonen maar die dan door de Israëlieten zullen worden verdreven uit dit land.”

Waarom speciaal het vierde geslacht? Omdat de zonden van de Emorieten tot nu toe nog niet groot genoeg waren zodat zij voor straf uit Erèts-Jisraël konden worden verdreven. En opdat die Emorieten hun gerechte straf zouden kunnen krijgen op het juiste moment, wilde Hasjem nog vier geslachten wachten, totdat hun zonden groot genoeg waren.

Toen Hasjem geëindigd was met tegen Awraham te praten was de avond al over de wereld gevallen en toen Awraham ontwaakte uit zijn slaap, zag hij hoe een rokende oven en een vuurvlam tussen de stukken door ging. En terwijl dat gebeurde vervolgde Hasjem tegen Awraham en sprak: „Dit land dat Ik jou nalaat, is een goed land. Nu verblijf je nog tussen de zeven volken  maar in een verre toekomst zal dit land van de Israëlieten zijn.”

Dit verbond, dat Hasjem met Awraham sloot, wordt ‘het verbond tussen de stukken’ genoemd.

Samenvatting: Wanneer Ha-Kadosj-Baroech-Hoe iets belooft, dan doet Hij dat ook. En het bewijs daarvoor is dat Ha-Kadosj-Baroech-Hoe aan Awraham Erèts-Jisraël beloofd heeft en het hem ook gegeven heeft. En tot vandaag wonen wij daar.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

B.R. 44; Rasji 15:10; Rasji 15:9