Archief

WAJJÉTSÉ

Ja’akov vertrekt

Ja’akov luisterde naar de raad van zijn moeder en nadat Rivka daarover met Jitschak, Ja’akovs vader, overlegd had, verliet Ja’akov zijn huis en ging op weg naar zijn oom Lawan in Charan. [1]Maar voordat hij vertrok vroeg hij toestemming aan Ha-Kadosj- Baroech-Hoe om de stad te mogen verlaten en pas nadat hij die toestemming gekregen had vertrok Ja’akov op weg.

[2]Het vertrek van Ja’akov uit de stad werd daar heel duidelijk gevoeld, omdat Ja’akov een groot tsaddiek was en als een tsaddiek weg gaat uit een plaats dan maakt dat indruk.

[3]Toen ’Esav hoorde dat Ja’akov uit de stad ge­vlucht was, besloot hij het niet op te geven maar Ja’akov als nog te doden. Hij riep zijn zoon Eliefaz bij zich en gaf hem opdracht: „Mijn zoon! Ja’akov is naar Charan gevlucht. Achtervolg hem en vermoord hem!” Eliefaz had echter medelijden met Ja’akov, en hij weigerde zijn oom te vermoorden. Daarom zei hij tegen ’Esav: „Vader, weet u dat Ha-Kadosj-Baroech- Hoe aan uw grootvader Awraham verzekerd heeft dat zijn zonen met elkaar zullen strijden in de galoeth – ballingschap – en als Ja’akov vermoord wordt, dan komt deze belofte niet uit. Daarom heeft het geen zin om Ja’akov te doden.” ’Esav was het echter niet met zijn zoon Eliefaz eens en hij liet hem zweren dat hij Ja’akov zou doden en hem het afgehouwen hoofd van Ja’akov zou brengen als bewijs.

Eliefaz begreep dat hij verplicht was de wens van zijn vader uit te voeren, dus nam hij tien man mee en ging achter Ja’akov aan. Toen Eliefaz met zijn tien mannen Ja’akov had ingehaald, trok Eliefaz zijn zwaard uit de schede en stapte op Ja’akov toe. Ja’akov zag hem naderen en schrok, want hij wist wel dat Eliefaz de zoon was van ’Esav en dat ’Esav hem wilde vermoorden. Maar Ja’akov herinnerde zich dat hij de rabbijn en leraar van Eliefaz was geweest en die gedachte maakte hem weer wat rustiger, want hij bedacht dat Eliefaz hem om die reden misschien niet zou willen vermoorden.

Ja’akov stapte op Eliefaz toe en vroeg hem: „Ben je hiernaartoe gekomen voor de vrede?” – „Nee,” antwoordde Eliefaz, „mijn vader heeft mij laten zweren dat ik u zal vermoorden en ik moet als bewijs uw afgehouwen hoofd naar hem toe brengen. Dus bereid u voor dat u gedood wordt, want ik kan mijn vaders woorden niet negeren.”

Nadat Eliefaz zijn woorden beëindigd had, ging hij op een steen zitten en begon te huilen. Daarom vroeg Ja’akov: „Waarom huil je?” – Eliefaz ant­woordde: „Omdat ik u moet doden, maar dat wil ik helemaal niet want u bent mijn oom en u heeft mij Tora geleerd.”

Ja’akov antwoordde: „Ik kan je een goede raad geven: Je neemt al mijn bezittingen, zodat ik arm wordt. Welnu, een arme wordt beschouwd als een dode, dus lieg je niet als je tegen je vader zegt dat je Ja’akov gedood hebt.”

Maar Eliefaz vroeg: „En wat zeg ik dan tegen mijn vader als hij naar uw hoofd vraagt?”

En Ja’akov antwoordde: „Zeg hem: ‘Een roofdier heeft mij en mijn tien mannen overvallen en omdat ik bang was dat het roofdier mij zou opeten, heb ik hem het hoofd van Ja’akov toegeworpen. Zo ben ik aan dat beest ontkomen.’ ”

Eliefaz stemde in met het slimme plan van Ja’akov, nam al de bezittingen van Ja’akov, zelfs de kleren die hij aan had, en keerde naar huis terug.

Nu was Ja’akov aan de dood ontsnapt, maar hij was wel naakt, hij had niets meer. Wat moest hij doen nu hij zelfs geen kleren meer aan zijn lichaam had? Maar kijk, daar gebeurde een wonder: een ruiter die hem daar op de weg voorbij was gekomen, was in de rivier verdronken. Ja’akov nam zijn kleren en trok ze aan. Nu had hij tenminste kleren aan zijn lichaam en kon hij zijn weg vervolgen. Hij trok verder, totdat hij aankwam bij de leerschool van Sjeem en ’Ever. Daar bleef Ja’akov veertien jaar Tora leren. Pas na het einde van al die jaren leren besloot Ja’akov dat het tijd was geworden om zijn reis voort te zetten naar Charan, naar het huis van zijn oom Lawan. En zo deed hij, hij nam afscheid van het leerhuis en ging op weg.


 

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[1] Midrash HaGadol

[2] Rasji 28:10

[3] Sefer Hajera en Pnei David volgens de Chieda