Archief

WAJJESJEV

HET VERBLIJF in kena’an

Na de ontmoeting tussen ’Esav en Ja’akov verliet ’Esav snel hun ontmoetingsplaats en keerde terug naar Edom, terwijl Ja’akov rustig verder trok met zijn mensen en kudden, totdat hij aankwam in Erets-Jisraël en daar vestigde hij zich met zijn vier vrouwen, met zijn kinderen en met zijn vee en met al zijn bezit­tingen.

Ja’akov hield van al zijn zonen en dochters maar het meest hield hij van Joseef, de oudste zoon van Racheel. Daarom maakte hij voor hem een kleurig gewaad. [1]Op dat kledingstuk naaide Ja’akov voor Joseef zijden strepen. De broers van Joseef echter haatten hem, omdat zij jaloers waren dat Ja’akov meer van hem hield dan hij van al zijn andere kinderen hield en ook omdat Ja’akov alleen voor Joseef zo’n mooi kledingstuk had gemaakt, want daarmee liet Ja’akov zien dat Joseef belangrijker was dan de andere broers.

En niet alleen dat, maar Joseef kwam ook altijd naar Ja’akov  en zei dan: „Vader, wist u wat voor slechts mijn broers doen?” Maar er was nog een reden waarom Joseef gehaat was bij zijn broers: Joseef droomde altijd en in die dromen zag hij hoe hij ooit over zijn broers zou regeren. Zo vertelde hij hun eens: „Weten jullie, mijn broers, wat ik vannacht gedroomd heb? Dat ik in de toekomst over jullie zal regeren en dan zullen jullie allemaal voor mij buigen.”

Daarom haatten de broers Joseef nog het meest.

Op een dag waren de broers erop uit getrokken om het kleinvee van hun vader te weiden. Ja’akov was erg bezorgd om hun welzijn, daarom riep hij Joseef bij zich, die niet met zijn broers was mee­ge­gaan naar het veld, en hij zei tegen hem: „Mijn zoon, ga je broers eens zoeken en kijk hoe het met ze gaat, want ik ben bezorgd over hen.” Joseef wist wel dat zijn broers hem haatten, en daarom was hij bang om hen te gaan zoeken, want misschien wilden zij hem wel kwaad doen. [2]Maar omdat hij zijn vader eer wilde bewijzen, hetgeen een hele belangrijke mitswa is, besteedde hij geen aandacht aan zijn angst maar ging op weg om zijn broers te zoeken.

Joseef ging naar het veld waar zijn broers iedere dag het vee weidden, maar daar vond hij ze niet. Hij liep van het ene veld naar het andere – maar geen broers. Daar zag Joseef een man en die vroeg hem: „Wie zoek je?” [3]Deze man was niet zomaar een man, het was de engel Gabriël, verkleed als mens. Joseef antwoordde de engel: „Ik zoek mijn broers.” Ant­woordde hem de als mens verkleedde engel: „Je broers zijn hier wel geweest, en ik hoorde dat zij tegen elkaar zeiden: ‘Laten we naar Dotan gaan’.” Joseef bedankte de man en vervolgde zijn weg naar Dotan en inderdaad, daar vond hij zijn broers.

Toen de broers Joseef in de verte zagen naderen zeiden zij spottend tegen elkaar: „Kijk, daar komt die dromer.” [4]Eén van de broers stelde voor: „Laten we hem vermoorden!” Maar Reoeween, de oudste broer, die verantwoordelijk was voor allemaal, zei: „Dat heeft toch geen zin om hem te vermoorden, laten wij Joseef in één van die putten hier gooien.” Want Reoeween dacht bij zichzelf: dan haal ik hem er later wel weer uit.

Toen Joseef zijn broers genaderd was [5]vielen zij hem aan, kleedden hem uit en gooiden hem in een put. In die put was weliswaar geen water meer maar hij zat wel vol met slangen en schorpioenen. Daarna gingen de broers verder met het hoeden van de kudde. [6]Maar omdat Joseef een tsaddiek was, deden de slangen en schorpioenen hem niets.

[7]Nu was het iedere dag de beurt van één van de broers om hun vader Ja’akov te helpen en die dag was het de beurt van Reoeween. Daarom verliet Reoeween het veld, na deze gebeurtenis met Joseef, en ging zijn vader helpen.

[8]Daar naderde een karavaan Midjanieten de plaats waar Joseef zich bevond. Zij zagen een heleboel vo­gels rond één van de putten vliegen – boven de put waarin Joseef zat. Daardoor dachtende Midjanieten dat de put vol met water zou zitten. Toen zij de put echter genaderd waren, zagen zij dat er een knappe jongeman in de put zat. Ze trokken Joseef uit de put, opdat hij hun slaaf zou zijn. Toen de broers Joseef in handen van de Midjanieten zagen, vroegen zij hun: „Waarom hebben jullie onze slaaf af genomen, die tegen ons in opstand was gekomen?” De Midjanieten ant­woorden hen: „Hoe is het mogelijk dat jullie zo’n mooie slaaf hebben? Nee, dat kan niet.!”  Maar de broers wilden Joseef hebben en dreigden de Midja­nie­ten: „Als jullie ons onze slaaf niet terug geven, ver­moorden wij jullie!” De Midjanieten weigerden echter en gaven Joseef niet terug aan de broers. Toen Sjim’on zag dat de Midjanieten weigerden om Joseef terug te geven, trad hij op hen toe en begon zo gewel­dig hard tegen hen te schreeuwen, dat de aarde er van begon te beven. De Midjanieten schrokken enorm en zeiden tegen de broers van Joseef: „Wij willen deze schone knaap van jullie kopen.” „Dat is goed, hij is aan jullie verkocht,” antwoordden de broers. Zo koch­ten de Midjanieten Joseef, pakten hem op en zetten hem op één van hun kamelen – en vervolgden hun weg.

Ha-Kadosj-Baroech-Hoe, die het Joseef comfor­tabel wilde maken op zijn gedwongen reis, bracht de Midjanieten die dag op de gedachte om lekker ruiken­de, geurige kruiden mee te nemen op hun reis, in plaats van de onaangenaam ruikende olie en pek die zij anders altijd bij zich hadden.

De Midjanieten vervolgden hun weg, toen één van hen plotseling op de gedachte kwam en zei: „Mis­schien is die Joseef wel gestolen?” Zij werden nu bang in hun hart dat Joseef hen nog moeilijkheden zou bezorgen. Daarom wilden zij eigenlijk van hem af. Toen zij dan ook een karavaan Isma’elieten tegen kwamen, gingen de Midjanieten naar hen toe en vroegen: „Willen jullie niet een slaaf van ons kopen?” „Jawel,” antwoordden de Isma’elieten en snel ver­koch­ten de Midjanieten Joseef aan de Isma’elieten.

De Isma’elieten gaven Joseef niet de eer die hem toe­kwam, maar sloegen hem hard en vernederden hem, zoals Isma’elieten gewoon zijn te doen met hun slaven. Joseef huilde veel vanwege zijn lijden en de pijn. Hasjem hoorde Joseefs geween en deed een won­der: ieder die Joseef aanraakte, diens hand verdroogde en dan kon hij daarna zijn hand niet meer bewegen. Toen de Isma’elieten zagen dat iedere hand die Joseef aan­raak­te, verdroogde, begrepen zij dat Joseef niet zo­maar een gewoon mens was. Zij braken in huilen uit en smeekten hem: „Alstublieft, vergeeft u ons toch dat wij u geslagen hebben!” Want zij waren bang voor hem geworden. Nadat Joseef hen vergeven had, gena­zen hun verdroogde handen en zij sloegen Joseef niet meer.

De Isma’lieten vervolgden hun reis, totdat zij aankwamen bij het graf van Racheel, daar stopten zij om wat te rusten. Joseef ging naar het graf van Racheel, zijn moeder en huilde daar bittere tranen, totdat er een stem uit de hemel klonk, die tegen Joseef zei: „Joseef! Bid tot Hasjem, Hij zal je helpen.” Plotseling werd er een geweldig lawaai hoorbaar, heel harde geluiden. De Isma’elieten die reeds heel erg bang waren voor Joseef, behandelden hem van nu af aan met heel veel eerbetoon en toen zij in Egypte aankwamen verkochten zij daar Joseef aan Potifar.

õ õ õ

Laten wij nu eens zien wat er intussen met de broers gebeurde nadat zij Joseef verkocht hadden.

Nadat Reoeween zijn vader geholpen had, kwam terug om Joseef uit de put te trekken, zoals hij van plan was geweest toen hij voorgesteld had om Joseef daar in te gooien. Hij naderde de put en … de put was leeg, Joseef was er niet meer. Van pure ellende verscheurde Reoeween zijn kleren en riep: „De jongen is er niet meer, wat moet ik nu doen?” Toen vertelden zijn broers hem over de verkoop van Joseef aan de Midjanieten. De broers waren nu wel erg bang voor de reactie van hun vader, dat Joseef er niet meer was, beraadslaagden met elkaar wat ze nu zouden doen. Eén van de broers had een idee: „Laten we een geite­bokje slachten, [9]want diens bloed heeft de zelfde kleur als mensenbloed. Dan dompelen we Joseefs gewaad in dat bloed, en daarmee gaan we naar vader en laten hem dat gewaad zien. Dan zal hij vast denken dat een of ander wild beest Joseef verscheurd heeft en zijn kleed met het bloed van Joseef heeft besmeurd.”

Zo gezegd, zo gedaan. De broers namen het gewaad van Joseef, doopten dat in het bloed van het geite­bokje en brachten het veelkleurige gewaad naar hun vader. Zij vroegen Ja’akov: „Kent u dit gewaad?” Toen Ja’akov het veelkleurige gewaad, dat hij voor Joseef gemaakt had, herkende, en zag hoe dat vol met bloed zat, begon hij luid te wenen en zei: „Een wild dier heeft zeker mijn zoon opgegeten, mijn zoon is verscheurd door een wild dier!”

Ja’akov was diep bedroefd dat zijn geliefde zoon verscheurd was en er niet meer was. Zijn verdriet was zo groot, dat hij vele dagen over hem rouwde en hij weigerde getroost te worden, noch door al zijn vrouwen, noch door zijn zonen over dochters. [10]En ondanks dat Ja’akov bezield was met een Heilige Geest, wist hij niet dat Joseef nog leefde, omdat er geen Heilige Geest kan rusten op een mens die bedroefd is.

Samenvatting: Wij zien dat de broers Joseef haatten omdat hij aan hun vader verklikte wat zij deden. Daaruit kunnen wij leren dat het niet mooi is om te klikken en te roddelen over wat anderen doen.



 


[1].  Sjabbath 10

[2].  Rasji 37:13

[3].  Pirkei de Rabbi Eli’ezer 38

[4].  Rasji 49:5

[5].  Sjabbath 22

[6].  R. Jisjajahoe op de Tora.

[7].  Bereisjiet Rabbah 84

[8].  Sefer Hajera

[9].  Rasji 37:25

[10]. Bereisjiet Rabbah 84