Archief

WAJJIGASJ

JOSEEF EN ZIJN BROERS (VERVOLG)

[1]Jehoedah, die zichzelf garant had gesteld tegen­over zijn vader voor de behouden terugkomst van Benjamin, was heel erg boos op de onderkoning, omdat die weigerde Benjamin te laten gaan. Hij besloot hem streng toe te spreken en daarom trad hij nu naar voren en sprak: „Mijn heer de koning, in het begin beschuldigde u ons van spionage en u verzocht ons toen onze jongste broer Benjamin naar u toe te brengen als bewijs dat wij geen spionnen zijn. Wel, wij hebben hem naar u toe gebracht en nu beschuldigt u ons weer!? U moet wel bedenken dat onze kracht aanzienlijk is, het ligt in onze macht om heel Egypte te vernielen. Daarom waarschuw ik u, dat u zich voor ons in acht neemt!”

Joseef antwoordde: „Ook ik beschik over vele helden en als slechts één daarvan zich op jullie werpt dan zullen jullie verdrinken in je eigen speek­sel.”

Antwoordde Jehoedah: „Het is beter dat zij voor ons oppassen, want Hasjem staat aan onze kant en wanneer ik mijn zwaard trek, dood ik alle bewoners van Egypte. Eerst dood ik u, daarna heel het volk en tenslotte Par’o.”

Daarop zei Joseef: „Heb het lef niet je zwaard te trekken, want dan laat ik je grijpen en laat ik jou en al je broers doden.”

„Wij zijn niet hierheen gekomen om oorlog te voeren,” sprak Jehoedah nu, wij willen slechts onze broer Benjamin terug. Hoewel de gestolen beker in zijn reistas gevonden werd, ben ik er zeker van dat hij die niet gestolen heeft maar dat iemand anders die beker in zijn tas gestopt heeft.”

Joseef antwoordde hem: „Neem de beker, hij is van jullie, maar geef mij Benjamin tot slaaf volgens de wet op de dieven, die verkocht horen te worden in slavernij.”

Nu vroeg Jehoedah: „Vertelt u mij eens, mijn heer, schaamt u zich niet om met zo’n voorstel te komen? Zouden wij onze broer voor een beker in de steek laten?”

Nu was het de beurt van Joseef om een vraag te stellen: „Waarom dan verkochten jullie je broer Joseef voor twintig zilverstukken aan de Midjannieten en vertelden jullie je vader dat een wild dier jullie broer Joseef verscheurd had?”

Toen Jehoedah dat hoorde werd hij zo kwaad dat hij een hele grote, hele zware steen die daar lag, van de grond oppakte, hem in de lucht gooide en met zijn andere hand weer opving. Daarna ging hij erop zitten en vanwege zijn grote gewicht verpulverde de reusachtige steen onder hem tot stof.

Toen Joseef dat zag, werd hij enorm bang en riep zijn zoon Menasjèh bij zich en zei tegen hem: „Mijn zoon, doe zoals Jehoedah gedaan heeft.” Menasjèh nam nu een reusachtige steen die daar lag, en gooide die in de lucht en ving hem weer op met zijn andere hand. Daarna ging hij erop zitten en de steen verpul­verde onder zijn enorm gewicht tot stof.

Toen Jehoedah dat zag zei hij: „Een dergelijke kracht kan alleen bij mij in de familie gevonden worden.”

„Nee!”, sprak Joseef, „ook in Egypte bestaan zulke grote krachten.”

„Laat dan onmiddellijk Benjamin gaan!” riep Jehoedah, „anders komt er een enorme ramp over Egypte!”

Joseef zei: „Jehoedah, ik adviseer je om Benjamin hier te laten en tegen je vader te zeggen dat een wild dier hem verscheurd heeft …”

Jehoedah wendde zich nu tot Naftalie en zei: „Naftalie, ga jij eens de markten van Egypte tellen.”

Nu stapte Sjim’on naar voren en vroeg aan Jehoedah: „Waarvoor wil je de marktplaatsen van Egypte tellen, Jehoedah, laat mij een grote steen pakken en die op Egypte werpen, dan zullen alle Egyptenaren gelijk dood zijn.”

Toen Joseef hoorde hoe Sjim’on heel Egypte wilde vernietigen, zond hij Menasjèh uit om al de machtige mannen van Egypte op te roepen om de stammen af te schrikken.

Intussen was Naftalie terug gekomen en zei tegen Jehoedah: „In Egypte zijn twaalf markten.” „Dan vernietigen jullie ieder één markt,” gaf Jehoedah opdracht, „en ik vernietig er drie.”

Nu kwamen er vele sterke mannen van Egypte langs de broers en daar schrokken zij van. Toen Jehoedah dat zag gaf Jehoedah een geweldige grote en bittere schreeuw, die gehoord werd in heel Egypte, zelfs de Par’o die op zijn troon zat, hoorde de schreeuw en viel er van schrik af. Ook de grote helden van Egypte hoorden het en schrokken zo, dat zij er onmiddellijk vandoor gingen en vluchtten uit angst voor Jehoedah. En zij struikelden over elkaar en in hun paniek doodden zij elkaar.

Toen Joseef zag wat het gevolg was van die grote schreeuw, vroeg hij: „Waarom ben jij kwader dan je broers?” Antwoordde Jehoedah: „Omdat ik mijn vader beloofd heb Benjamin gezond en wel weer thuis te brengen. Daarom ben ik kwader dan mijn broers. Wanneer het u nu behaagt, laat dan Benjamin gaan en neem mij als uw slaaf. Mijn kracht is veel groter dan die van Benjamin en ik kan in mijn eentje voor u oorlog voeren tegen uw vijanden. Wij beschikken name­lijk over een hele speciale kracht, die ons gege­ven is sedert onze grootvader Awraham met zijn die­naren oorlog voerde tegen de koningen van de wereld en hun dienaren en Awraham en zijn dienaar over­won­nen hen allen.”

„Ik weet dat jullie helden zijn,” zei Joseef, „en ik ben bereid Benjamin vrij te laten op voorwaarde dat jullie mij jullie broer Joseef hier bij mij brengen.”

Nu werd Jehoedah opnieuw kwaad, en van boosheid kwamen er tranen van bloed uit zijn ogen. Nu wendde Sjim’on zich tot Joseef en sprak: „Mijn heer de koning, wij hebben u al gezegd dat wij niet weten waar onze broer Joseef is.”

Joseef zag dat de woede van Jehoedah hem te machtig werd en hij besloot dat nu de tijd gekomen was om zich aan zijn broers bekend te maken en hij zei: „Jullie zeiden dat jullie niet weten waar Joseef, zich bevindt, maar ik weet wèl waar hij is. Wanneer ik hem voor jullie breng, willen jullie hem dan ruilen voor Benjamin?”

Nu begon Joseef te roepen: „Joseef! Joseef! Kom, toon je aan je broers!” Toen de broers hoorden hoe de koning om Joseef riep, keken zij om zich heen en zochten Joseef. Joseef wendde zich nu tot hen en sprak: „Ik ben Joseef, jullie broer!” Toen de broers dat hoorden, deinsden zij van schrik achteruit want zij vreesden dat Joseef nu op hen wraak zou nemen voor wat zij hem hadden aangedaan.

Toen Joseef zag dat zijn broers bang voor hem waren, stelde hij hen gerust en zei: „Mijn broeders, vrees niet, ik zal jullie niets kwaads doen. Weet dat de hand van Hasjem dit alles heeft veroorzaakt en dat ik  in Egypte ben gekomen om voedsel te verzamelen voor de jaren van hongersnood.”

Nu viel Benjamin Joseef om de hals en daarop vielen ook al de andere broers Joseef om de hals en weenden. Toen iedereen wat tot bedaren was geko­men, zei Joseef: „Gaat nu naar onze vader en vertel hem dat ik nog leef en breng hem vervolgens hier.”

Toen Par’o van Joseef hoorde dat zijn broers hun vader gingen halen, stuurde hij wagens vol met ge­schen­ken met hen mee en zo gingen de broers op weg om Ja’akov naar Egypte te brengen en om hem te vertellen dat Joseef nog in leven was.

Samenvatting: Joseef vergaf zijn broers de akelige dingen die zij met hem gedaan hadden, dat zij hem in een put geworpen hadden en hem verkocht hadden aan de Isma’elieten. En niet alleen dat hij hen dat vergaf, maar hij hielp hen ook nog en gaf hen voedsel  en onderdak.

Hieruit kan ieder kind leren dat als zijn vriendje hem eens niet aardig behandeld heeft, het verboden is om dat te gedenken, maar dat hij hem moet vergeven en zich aardig tegen hem moet blijven gedragen.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[1]. Het verhaal is een bewerking van Sefer HaJetsira.