Archief

WAJJECHIE

Ja’akovs zegen voor zijn zonen

[i]De volgende dag liet Ja’akov zijn twaalf zonen bij zich komen. Hij wilde hen onthullen wanneer het einde van de wereld zou zijn en Israël verlost zou worden. Echter de Heilige geest van Hasjem ging weg van hem en daarom kon hij hen alleen maar zegenen.

De eerste zegen gaf Ja’akov aan zijn oudste zoon, Reoeween, daarna Sjim’on en Levi en daarna Jehoedah en Jissachar en zo verder al zijn zonen.

[ii]Sommige van zijn zonen zwaaide Ja’akov lof toe toen hij hen zegende en dat deed hij ten aanhoren van iedereen. Maar sommige van zijn zonen vermaande hij toen hij hen zegende maar dat deed hij niet voor de ogen van de andere broers, opdat zij zich niet voor de andere broers zouden hoeven te schamen.

[iii]En dit zijn de berachot van Ja’akov voor de stammen van Israël:

De eerste die Ja’akov bij zich liet komen was Reoeween, zijn oudste zoon. [iv]Hij was één van de zonen die een vermaning kregen. Waarom wilde Ja’akov Reoeween vermanen? Omdat Reoeween het bed van Ja’akov overgebracht had van de tent van Racheel naar de tent van Lea, Reoeweens moeder, zonder daar eerst toestemming voor te vragen van Ja’akov. Dat had Ja’akov erg kwaad gemaakt en daarom zei hij nu: „Reoeween, mijn eerstgeborene … onstuimig als water ben je” – vanwege je overijlde voorbarigheid wordt je het eerstgeboorte recht en ook het recht op het koningschap afgeno­men.

Daarna liet Ja’akov Sjim’on en Levi samen bij hem komen en ook hen vermaande Ja’akov, omdat zij al  de  inwoners  van  Sjechem  hadden  gedood  toen Sjechem, de zoon van Chamor, hun zuster Dina gekwetst had. Maar niet alleen dat, zij hadden ook hun andere broers opgestookt om Joseef kwaad te doen. Daarom zei Ja’akov tegen hen: „Ik verspreid hen over Israël” – de stam Levi zou verspreid worden doordat zij naar de velden van de andere stammen zouden moeten gaan om daar hun troema – de heffingen voor de priesters – en de tienden voor de overige Levieten in ontvangst te nemen. De nakomelingen van Sjim’on zouden schrijvers en leraren worden van kinderen en moeten trekken van stad tot stad.

Daarna riep Ja’akov Jehoedah bij zich en zei: „De scepter zal niet wijken van Jehoedah.” Dat wil zeggen dat uit jou, Jehoedah, de koningen van Israël zullen voortkomen, en je erfdeel zal gezegend zijn met een overvloed van wijn en melk, met goede weidegronden en veel kleinvee.

Daarna riep Ja’akov Zewoeloen bij zich en zei: „Jij zult wonen aan de kust van de zee en je nakome­lingen zullen handelaren zijn en omdat zij zullen wo­nen langs de kust van de zee, zal het makkelijk voor hen zijn om handelswaar te verkrijgen die per schip over zee vervoerd wordt. En omdat zij geen tijd zullen hebben om Tora te studeren, zullen zij de nakomelin­gen van Jissachar ondersteunen bij hun Tora-studie en zo zullen zij hun aandeel verdienen in de Tora-studie. Over hen zal gezegd worden: „Zewoeloen zal zich verheugen als hij uittrekt (en Jissachar wanneer hij in zijn tent zit)”.

Nu was Jissachar aan de beurt en Ja’akov zei tegen hem: „Jissachar is een bonkige ezel.” Dat wil zeggen, dat zoals een ezel zware lasten draagt, zo zal jij het juk van Tora dragen; en zoals een ezel geen vaste slaapplaats heeft, maar hij slaapt dan eens hier en dan eens daar, op de plaats waar hij loopt, zo zal ook jij geen vaste slaaptijden hebben maar je zult af en toe wat indutten. Je erfdeel zal gezegend zijn en goede en zoete vruchten voortbrengen. En omdat je je hele leven lang Tora studeert, zullen er uit jou vele rechters en rabbijnen voortkomen.

Nu was het de beurt van Dan. „Dan zal recht­spreken over zijn volk.” Met deze woorden maakte Ja’akov een toespeling op de betekenis van de naam Dan, die ‘berechten, rechtspreken’ in het hebreeuws betekent en ook op de held Sjimsjon, die ooit later uit de stam van Dan zou voortkomen en over zijn volk zou rechtspreken en hen zou wreken bij de Filistijnen.

Hierna wendde Ja’akov zich tot Gad en zei tegen hem: „Gad, benden dringen tegen hem op.” Dat wil zeggen dat de nakomelingen van Gad als pioniers voor de Israëlieten zouden uitgaan wanneer zij het land Israël zouden gaan veroveren en niemand van hen zou gewond worden in de oorlog.

Daarna zegende Ja’akov Asjeer: „Asjeer, vet is zijn spijs.” Het erfdeel van Asjeer zou gezegend worden met een rijkdom aan olijfbomen en met zoveel olijfolie dat men zijn handen en voeten erin zou kunnen wassen.

De volgende zoon was Naftalie. Tegen hem zei Ja’akov: „Naftalie is een opgejaagde hinde.” Dat wil zeggen, jij Naftalie, je zult zo hard rennen als een hert, en dat is de snelste van alle dieren. Je erfdeel zal goed zijn en zijn vruchten zullen sneller rijp zijn dan alle andere vruchten in het land.

Daarna zegende Ja’akov Joseef en zei: „Een jonge vruchtenboom is Joseef.” Dat wil zeggen: Je zult veel Tora leren en wie veel Tora leert is als een boom die geplant is bij een waterstroom en die zijn vruchten op tijd geeft en zijn bladeren zullen nimmer verwelken.

Ten slotte, als laatste was Benjamin aan de beurt om de zegen van zijn vader Ja’akov in ontvangst te nemen: „Benjamin is als een verscheurende wolf.” Zoals een wolf zijn prooi verscheurt, zo zal Koning Sjaoel, die uit de stam van Benjamin zal voortkomen, vele oorlogen voeren en ze overwinnen en veel buit maken. En de nakomelingen van Sjaoel waren Mordechai en Esther, die de slechte Haman over­wonnen en al diens schatten buit maakten.

Nadat Ja’akov zijn zegeningen van de twaalf stammen uitgesproken had, wendde hij zich tot hen allen tesamen en zei: „Mijn zonen, ik ga nu sterven, daarom zweer mij dat jullie mij zult begraven in de spelonk Machpela, in Erets-Jisraël, daar waar ook mijn grootvader en grootmoeder begraven werden – Awraham en Sarah, en waar ook mijn vader en moeder – Jitschak en Rivka – begraven zijn en waar ik ook jullie moeder Leah begraven heb.”

Gedurende de gehele tijd dat Ja’akov tegen zijn zonen gesproken had, had hij rechtop op de rand van zijn bed gezeten. Nu hij uit gesproken was trok hij zijn benen op het bed, ging liggen en stierf.

Samenvatting: Die zonen van Ja’akov, die gezondigd hadden, werden door Ja’akov berispt en zij waren erg beschaamd over deze vermaning. Maar de zonen die niet gezondigd hadden werden gezegend door Ja’akov.

Hieruit kan ieder kind leren dat hij zich netjes moet gedragen want als hij zich niet goed gedraagt dan wordt hij berispt en krijgt hij straf. Maar wanneer hij zich wel goed gedraagt wordt hij geloofd en geprezen.

ó ó ó

Het einde van de aartsvaders

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[i]. Choepat Eliahoe Rabatai.

[ii]. Bereisjiet Rabbah.

[iii]. Jalkoet Neer Hasjechaliem

[iv]. Alle berachot zijn bewerkt naar Rasji.