Archief

BESJALACH

DE OORLOG MET AMALEK

[i]Vele wonderen verrichtte HaKadosj Baroech Hoe voor Israël nadat zij Egypte waren uitgetrokken: Daar waren de zeven erewolken die de Israëlieten begeleidden door de woestijn. Zij effenden voor hen de weg en verwijderden alle stenen, slangen en schorpioenen op hun pad. Dan was daar de wolkzuil en de vuurzuil die hen door de woestijn leidden en voor hen de weg verlichtte. En het grote wonder van de splitsing van de Rietzee, waar de Egyptenaren vervolgens in verdronken, en nog vele andere soortgelijke wonderen. En nu dat Israël in Refiedien aankwamen en geen water hadden hadden zij nog steeds geen vertrouwen in Hasjem en geloofden zij niet dat Hasjem voor hen water zou vinden maar vroegen zij: „Is Hasjem eigenlijk wel in ons midden of niet?”

Toen HaKadosj Baroech Hoe dat merkte besloot Hij dat voor straf Amalek met hen oorlog zou voeren. Wie was Amalek? Om dat te weten zullen we vele jaren terug moeten gaan in de geschiedenis, naar de dagen van Awraham Awienoe, vrede zij met hem.

Awraham Awienoe – onze aartsvader Awraham – en zijn vrouw, Sarah Iemanoe – onze aartsmoeder Sarah – kregen op hoge leeftijd nog een zoon, die zij Jitschak noemden. Toen Jitschak opgegroeid was trouwde hij met Rivka Iemanoe en zij kregen twee zonen: de één was Ja’akov Awienoe – uit hem is het volk Israël voortgekomen – en de ander was ’Esav de booswicht. Zijn zoon heette Eliefaz en zijn kleinzoon, dus de zoon van Eliefaz, was Amalek. En uit deze Amalek is het volk van de Amalekieten voortge­komen. En het was dit volk dat Hasjem uitkoos om met het volk Israël oorlog te voeren.

De Amalekieten hadden gezien hoe de Egyptenaren in de Rietzee waren verdronken vanwege Israël en zij dachten bij zichzelf: „Indien Israël de Egyptenaren, die zo goed voor hen waren en die hen alles gaven wat zij nodig hadden, zo behan­delen, wie weet wat zij dan met ons zullen doen, met de volken die zij onderweg tegen zullen komen?

[ii]De Amalekieten gingen te rade bij Bil’am en zeiden tegen hem: „U bent een heel wijs man, Bil’am, zeg ons toch wat wij moeten doen om Israël te treffen.”

En Bil’am de booswicht antwoordde hen: „Jullie zijn nakomelingen van Awraham de Tsaddiek en ook de Israëlieten stammen van hem af. Omdat jullie krachten aan elkaar gelijk zijn kunnen jullie tegen hen vechten en hen overwinnen.”

Toen het volk van Amalek dat hoorde riepen zij alle andere volken bijelkaar en riepen: „Komt allen, sluit jullie bij ons aan, dan zullen wij Israël overwinnen. Komt allen, dan zullen wij met hen oorlog voeren.” Maar de andere volken weigerden en zeiden: „Nee, wij gaan niet met jullie mee want wij zijn bang voor Israël. Want als zo’n groot en machtig volk als de Egyptenaren al door het joodse volk werd overwonnen, dan is het toch duidelijk dat wij geen schijn van kans hebben tegen hen!”

Maar Amalek zei: „Komt toch met ons mee. Wanneer wij hen overwinnen, dan is dat ook een overwinning voor jullie en als wij verliezen, wel dan vluchten jullie.”

De volken stemden er nu mee in om zich bij Amalek aan te sluiten. Zo trokken de heidenen op tegen Israël en Amalek trok op aan het hoofd.

Toen Mosjé dat zag, riep hij Jehosjoe’a, zijn bediende, bij zich en zei tegen hem: „Zoek mensen uit die voor ons tegen Amalek kunnen vechten, sterke en moedige mannen die Amalek kunnen overwinnen, maar ook mannen met ontzag voor Hasjem en die vrij van zonden zijn, opdat hun tefillah boven wordt verhoord en Israël zal overwinnen. Morgen moet jij en je manschappen tegen Amalek ten strijde te trekken en dan zal ik met Aharon en Choer op deze heuvel gaan staan met de staf van G-d in mijn hand en dan zal ik die in gebed naar Hasjem opheffen.” En zo gebeurde het, de volgende morgen trok Jehosjoe’a met zijn manschappen ten oorlog tegen Amalek, terwijl Mosjé, Aharon en Choer naar de top van de heuvel klommen en Israël stond gespannen toe te kijken, in afwachting van wat er zou gebeuren.

En daar brak reeds de oorlog uit. Jehosjoeá en zijn soldaten vochten tegen de Amalekieten met alle kracht en versloegen vele mannen.

Ondertussen stond Mosjé op de top van de heuvel met zijn handen opgeheven naar de hemel. Zolang nu Mosjé zijn handen naar omhoog hield, dan zegevierde Jehosjoe’a en zijn mannen over Amalek, maar wanneer Mosjé zijn handen liet zakken, dan kregen de Amalekieten de overhand over Israël. Hoe of dat kon? [iii]Wanneer de Israëlieten hun hart onderwierpen aan hun Vader in de hemel, dan had Mosjé kracht genoeg om zijn handen omhoog gericht te houden en dan overwon Israël (dankzij het geloof en vertrouwen van Israël). Maar wanneer Israël zich niet onderwierp aan hun Vader in de hemel en zij niet om erbarmen vroegen, dan verzwakte de kracht van Mosjé en dan zakten zijn handen naar beneden. En dan waren de Amalekieten sterker dan Jehosjoe’a.

[iv]Op de dag dat Israël met Amalek vocht, vastte Mosjé. Maar nadat hij een aantal uren met zijn armen omhoog gestaan had, had hij daar geen kracht genoeg meer voor. Toen Aharon en Choer dat zagen haalden zij een kussen voor Mosjé zodat hij daarop kon zitten. Maar Mosjé wilde het ongemak van Israël meevoelen en weigerde op het zachte kussen te zitten. Daarom ging hij op een harde steen zitten, terwijl Aharon en Choer zijn armen vasthielden en ondersteunden. Zo behaalde Israël de uiteindelijke overwinning.

[v]Toen gebeurde er nog een wonder: onder de Amalekieten waren ook enkele tovenaars, die wisten op welk tijdstip zij sterker waren dan Israël. Maar Mosjé gebood de zon om stil te blijven staan en toen de Amalekieten zagen dat het voor hun gunstige uur niet aanbrak, raakten zij helemaal in de war en verzwakte hun kracht, totdat Jehosjoe’a en zij mannen er in slaagden hen te overwinnen. [vi]Jehosjoe’a en zijn mannen doodden alle helden van de Amalekieten, alleen de zwakken onder hen lieten zij in leven.

Nu zei HaKadosj Baroech Hoe tegen Mosjé: „Schrijf al deze gebeurtenissen in een gedenkboek en laat het Jehosjoe’a horen, dat Ik het aandenken aan Amalek volkomen zal uitwissen onder de hemel.”

[vii]Toen hief Hasjem als het ware Zijn hand op en zwoor, dat zolang de herinnering aan Amalek op deze wereld nog niet zou zijn uitgewist, Zijn Naam en Zijn Troon niet volmaakt zou zijn.

Mosjé bouwde nu een altaar en noemde dat „Hasjem is mijn banier”. En daarmee beloofde Mosjé dat Israël tot in alle geslachten de strijd voor Hasjem tegen Amalek, tegen het kwaad, zou voortzetten, totdat het kwaad van Amnalek zou zijn uitgeroeid.

Samenvatting: Hieraan kunnen wij zijn hoe groot de kracht van de tefillah is, want als zij dawenden tot Hasjem, dan overwonnen zij Amalek. Daarom ,wanneer wij dawenen, laten wij dat dan doen met heel ons hart, want dan zal Hasjem ons verhoren.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[i]. Rasji 17:8

[ii]. Jalkoet Reoeweni en Eetz Hachaïem

[iii]. R.H. 29:71

[iv]. Mechilta en Jalkoet

[v]. Rasji 17:11

[vi]. Tanchoema 28

[vii]. Rasji 17:16