Archief

JITRO

Jitro bij de Israëlieten

Herinneren jullie je nog de familie van Mosjé Rabbeinoe? Laten wij nog eens even onze herinnering ophalen: de vrouw van Mosjé heette Tsippora en zijn beide zoontjes heetten Gersjom en Eli’ezer. De naam Gersjom komt van geer sjam, dat betekent ‘een vreemdeling daar’, want Mosjé was daar een vreemdeling in dat land van Jitro, in het land Midjan. En de naam Eli’ezer komt van E-lí ’azrani – dat betekent ‘Mijn G-d heeft mij geholpen’. Met deze naam bedankte Mosjé HaKadosj Baroech Hoe dat Hij hem had geholpen en zijn hals veranderd had in graniet, toen Par’o hem wilde laten doden door middel van het zwaard, uit straf dat Mosjé een Egyptenaar gedood had, die op zijn beurt een Jood invalide geslagen had.

Ook herinneren wij ons hoe Mosjé op zijn ezeltje reed met zijn vrouw en kinderen van Midjan naar Egypte, met de bedoeling om de Israëlieten uit Egypte weg te voeren en hoe hij tenslotte zijn vrouw en twee zoontjes terug stuurde naar het huis van haar vader, Mosjé’s schoonvader Jitro en hoe zij Mosjé hadden achtergelaten in Egypte.

De midrasj1 vertelt ons dat Jitro in het verleden een afgodendienaar geweest was, zoals wij reeds verteld hebben (in het verhaal over Mosjé en de brandende doornstruik). Hij was een belangrijk man in de ogen van de heidenen, iemand die veel zonden had begaan en ook andere mensen tot zonden had aangezet.

Maar toen Jitro zag hoe HaKadosj Baroech Hoe het joodse volk in Egypte in bescherming nam en hoe zwaar Hij de Egyptenaren strafte 2en toen hij ook nog hoorde van de vele wonderen die Hasjem voor Israël deed in de woestijn, zoals de splijting van de Rietzee en het neerdalen van het man en de kwartels, de oorlog tegen ’Amalek en nog vele andere wonderen, besloot Jitro zich te bekeren en voortaan als een kosjere Jood te leven in ieder opzicht.

Jitro probeerde om tot het Jodendom toe te treden maar hij vond niemand in zijn land en ook niet in andere landen daar in de buurt die hem daarbij kon helpen. Toen kwam een geweldig idee bij hem op: hij besloot de woestijn in te gaan, op zoek naar zijn schoonzoon Mosjé en het volk Israël om daar tot het Jodendom toe te treden. Rasji3 vertelt dat dit besluit van Jitro erg moeilijk voor hem was, want om de woes­tijn in te trekken moest hij zijn schitterend paleis verlaten en rond­zwerven over moeilijk begaanbare wegen, vol vele ver­bor­gen gevaren. Daar waren gif­tige slangen en schorpioenen, een verzengende hitte, dorst en nog veel meer gevaren. Maar het verlangen van Jitro om Jood te worden was zo sterk, dat hij be­reid was alles te doen, als hij maar bij zijn schoonzoon Mosjé kon komen en bij het volk Israël.

De Midrasj4 vertelt dat voordat Jitro op weg ging, hij een bode naar Mosjé zond die de komst van Jitro, Tsippora en Mosjé’s zonen aan zouden kondigen. Daarna pakten Jitro, Tsippora en haar beide zonen al hun bezittingen in en gingen op reis. Toen de bode van Jitro was aangekomen in het kampement van de Israëlieten vertelde hij aan Mosjé: „Luister, Mosjé Rabbeinoe, uw schoonvader Jitro heeft mij naar u toe gezonden om u te doen weten dat hij hierheen komt, begeleid door uw vrouw en uw zonen, om een tijdje bij u in de woestijn te komen wonen. En ook omdat hij over wil gaan tot het Jodendom en de rest van zijn leven als een kosjere Jood wil leven.”

De bode vervolgde en zei: „Jitro heeft mij ook opgedragen om u te zeggen, dat hij u verzoekt om hem tegemoet te komen en als u hem niet tegemoet wilt komen, of u dan uw vrouw de eer wilt aandoen om haar tegemoet te komen. En als u ook haar niet die eer wil bewijzen, of u dan uw beide zonen, Gersjom en Eli’ezer de eer wil bewijzen om hen tegemoet te komen.” 

Toen Mosjé hoorde dat Jitro Jood wilde worden, dacht hij bij zichzelf: ‘Misschien zijn de bedoelingen van mijn schoonvader niet zo zuiver en wil hij niet echt uitko­men. Misschien doet hij maar net alsof hij Jood wil worden, uit angst dat de Israëlieten hem anders zouden  vermoorden omdat hij een heiden is.’

Toen verscheen HaKadosj Baroech Hoe aan Mosjé en zei tegen hem: „Het is niet juist van jou om te denken dat de bedoelingen van je schoonvader niet zuiver zijn. In tegendeel, Jitro verlangt er met heel zijn hart naar om tot het Jodendom toe te treden en om een goede Jood te worden en om de wil van Hasjem uit te voeren. Daarom Mosjé, ga onmiddellijk je schoonvader, je vrouw en je beide zonen tegemoet met heel veel eerbetoon.”4 Toen Mosjé de woorden van Hasjem hoorde, ging onmiddellijk het kamp uit om Jitro te ontvangen.

De midrasj5 vertelt dat toen Aharon, de broer van Mosjé, dat zag, ging hij direct mee. De vier zonen van Aharon, Nadav, Awiehoe, El’azar en Itamar zagen dat hun vader met hun oom, Mosjé, de woestijn in ging en ook zij voegden zich bij hen. Toen de zeventig Oudsten dat zagen sloten ook zij zich bij hen aan. Toen heel Israël zag hoe al hun leiders er opuit trokken, de woestijn in om gasten te ontvangen, gingen ook zij mee. Zo gebeurde het, dat toen Jitro en Tsippora en en de zonen van Mosjé aankwamen bij de plaats in de woestijn waar Israël gelegerd was, hen daar een grote en indrukwekkende ontvangst wachtte.

Toen Jitro naderbij kwam en Mosjé hem kon zien, boog hij diep uit eerbied, kuste hem en daarna begroetten zij elkaar. Daarna ging iedereen terug naar het kamp van Israël en Mosjé begeleidde Jitro naar zijn eigen tent. Daar aangekomen vertelde Mosjé aan zijn schoonvader, aan zijn vrouw en aan zijn zonen over al de wonderen die Hasjem voor Israël gedaan had in Egypte en in de woestijn. Want Mosjé wilde graag dat Jitro al deze dingen uit zijn mond zou horen, van een betrouwbare getuige die alles zelf had waargenomen6.

De midrasj vertelt7 dat toen Jitro al deze wonderen en mirakels hoorde, die Hasjem voor Israël gedaan had zei hij: „Ik ben heel verheugd en gelukkig dat Hasjem al deze wonderen en goede dingen gedaan heeft voor jouw volk toen jullie Egypte uittrokken. Ik loof Hasjem, de G-d van Israël, dat Hij jullie uit Egypte en uit de handen van de slechte Par’o gered heeft. Nu ben ik er helemaal zeker van dat Hasjem jullie G-d Heer over alles is en dat Hij de wereld geschapen heeft en ik weet nu ook dat Hasjem, de G-d van Israël, de enige G-d is en dat al de afgoden, die ik heel mijn leven gediend heb, vals zijn.” 8

Nadat Mosjé en Jitro uitgepraat waren, bracht Jitro een brandoffer en andere offers ter ere van G-d en alle Oudsten van Israël en Aharon kwamen om met Mosjé en zijn familie deel te nemen in de feestvreugde.

Jitro en het rechtsadvies

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

Jitro bij de Israëlieten

1.   Sjemot Rabbah 1:32.

2.   Zewachiem 116a.

3.   Rasji 18:5.

4.   Sjemot Rabbah 27:2 en ’Olat Jitschak.

5.   Mechilta.

6.   Jalkoet Me’am Lo’eez.

7.   Mechilta.

8.   Mechilta en Marcevet Hamisjna.