Archief

SJEMOT

MOSJÉ EN DE BRANDENDE DOORNSTRUIK

Nadat Mosjé Rabbeinoe uit Egypte gevlucht was, kwam hij na lange omzwervingen aan in het land Midjan. 1Daar woonde een man - Jitro was zijn naam - die door alle volken zeer vereerd en bewonderd werd. Op een dag besloot Jitro, die een heel wijs man was, dat al de afgoden maar flauwekul waren. Ze waren niets waard. Slechts HaKadosj Baroech Hoe, de G-d van Israël, die de wereld geschapen had, dat was de enige echte G-d die over alles regeerde.

Maar Jitro was bang om dat te vertellen aan zijn vrienden en aan de mensen van zijn stad, om te vertellen dat hij alleen in Hasjem, de G-d van Israël, geloofde, want hij vreesde dat de Midjanieten hem dan zouden vermoorden. Daarom verzamelde Jitro de mensen van zijn stad en zei tegen hen: „Hoort, vrienden! Jullie hebben zeker gemerkt dat ik oud ben geworden; ik heb geen kracht meer om nog langer in jullie tempel dienst te doen als jullie priester. Daarom verzoek ik jullie om iemand anders te zoeken in mijn plaats, die mijn taak voortaan beter kan vervullen.”

De mensen in zijn stad stemden met het voorstel van Jitro in en besloten een andere priester te zoeken.

Na enige tijd ontdekten de vrienden van Jitro dat hij niet meer bidde voor hun afgoden maar dat hij alleen nog bad tot de G-d van Israël. Zij werden nu vreselijk boos op Jitro en niemand wilde nu nog wat met hem te maken hebben.

Jitro had zeven dochters. Iedere ochtend gingen zij alle zeven er gezamelijk op uit om drinkwater te halen uit de put, voor henzelf, voor hun vader en voor het kleinvee van hun vader. En waarom zij altijd allen gezamelijk gingen en nooit ieder apart? 2De reden hiervoor is dat de dochters van Jitro wel wisten dat de herders hen zouden lastigvallen omdat hun vader niet meer in de afgoden geloofde. Daarom stonden de zeven dochters van Jitro iedere ochtend vroeg op, nog voordat de slechte herders kwamen, zodat zij hun werk snel konden afmaken en zij gespaard bleven van het gesar van de herders. Maar niet altijd konden zij de herders ontwijken.

En zo gebeurde het dat op de dag dat Mosjé Rabbeinoe aankwam in Midjan, de herders de zeven dochters van Jitro bij de put aantroffen en hen onmiddellijk begonnen te plagen en lastig te vallen. Juist op dat moment kwam Mosjé de poorten van de stad binnen. Snel redde hij de meisjes van de herders en ook hielp hij hen met het drenken van hun kleinvee. Toen de dochters van Jitro hun werk beëindigd hadden, bedankten zij Mosjé dat hij hen uit de handen van de herders gered had en hun nog geholpen had ook. En daarna gingen zij terug naar huis.

Thuis aangekomen vroeg Jitro hun: „Hoe komt het, mijn dochters, dat jullie vandaag reeds zo vroeg bent teruggekeerd?”

De meisjes vertelden aan Jitro wat hun was overkomen en over de vreemdeling die naar Midjan was gekomen en hen had gered uit de handen van de herders en hun ook had geholpen met het drenken van hun kleinvee.

„Maar waarom hebben jullie hem dan zo achter gelaten?” vroeg nu Jitro. „Ga terug en nodig hem uit om hierheen te komen voor een gezamelijk de maaltijd.”

De dochters gingen terug naar de put en troffen Mosjé daar nog aan. Zij zeiden tegen hem: „Onze vader heeft ons gestuurd, hij nodigt u uit om met ons mee naar huis te komen en met ons de maaltijd te gebruiken.” Zo kwam Mosjé bij Jitro thuis, waar hij met veel eer ontvangen werd. Tijdens de maaltijd vertelde Mosjé aan Jitro en aan zijn dochters wat hem in het paleis van Par’o overkomen was en hoe hij gevlucht was uit Egypte. Maar dat hij een egyptische man gedood had, dat vertelde Mosjé niet.

Toen Jitro het verhaal van Mosjé gehoord had, dacht hij bij zichzelf: ‘Wanneer Mosjé uit Egypte moest vluchten, dan moet daar vast een reden voor zijn.’ 3Daarop sprak hij tegen Mosjé en zei: „Luister eens, Mosjé, in mijn tuin ligt een staf begraven, heel diep onder de grond en niemand heeft hem tot nu toe nog daaruit kunnen krijgen. Ik heb beloofd, dat wie de staf vindt, die mag mijn dochter Tsipora tot vrouw hebben.”

Mosjé ging naar buiten, haalde de staf uit de grond en gaf hem aan Jitro. Het was een heel speciale en heel mooie staf, met de naam van Hasjem erin gegraveerd. 4Deze staf was ooit van Adam, de eerste mens, geweest. Hij had hem aan zijn zoon Sjeem gegeven en Sjeem had hem doorgegeven aan Awraham Avienoe. Dat had hem op zijn beurt doorgegeven aan Jitschak en Jitschak had hem aan Ja’akov gegeven. Die had hem doorgegeven aan Joseef en Joseef had hem verborgen tussen de schatten van Par’o. Jitro, die één van de raadslieden van Par’o was geweest, had de staf gevonden in de schatkamer van Par’o. Hij vond hem heel mooi en had hem meegenomen en hem in de grond van zijn tuin verstopt. En sedertdien was het hem, noch iemand anders gelukt de staf terug te vinden, totdat Mosjé Rabbeinoe hem met gemak terug opgroef uit de aarde.

 Jitro zag nu wel in wat een groot man Mosjé moest zijn, en hij gaf hem zijn dochter Tsipora tot vrouw. Nadat zij getrouwd waren werd Mosjé de herder van Jitro’s kleinvee. Iedere ochtend trok Mosjé erop uit om het kleinvee te laten weiden. Zo kon HaKadosj Baroech Hoe Mosjé testen op zijn eigenschappen, op zijn barmhartigheid en zijn toegewijdheid.

5Op een dag, toen Mosjé er weer opuit trok om het kleinvee van Jitro naar de weidegrond te brengen, vluchtte er een klein lammetje van de kudde. Mosjé rende er achteraan maar slaagde er niet in het te pakken te krijgen. Mosjé rende nog harder, maar tevergeefs. Het lammetje was sneller dan hij en Mosjé slaagde er niet in het in te halen. Maar plotseling hield het lammetje stil bij een waterbron en dronk dorstig van het lekkere water. Mosjé begreep dat het lammetje was gevlucht omdat het dorst had, en hij dacht bij zichzelf: „Arm klein lammetje, het zal nu wel erg moe zijn van al zijn geren, ik zal hem op mijn schouder terug dragen.”

Zo gezegd, zo gedaan, Mosjé nam het kleine lammetje op en legde het voorzichtig over zijn schouder en zo keerde hij terug naar zijn kudde.

Niet alleen had Mosjé een meelevend hart voor alles en iedereen, ook was hij eerlijk en liet nooit zijn kudde grazen op de grond van anderen.

Toen HaKadosj Baroech Hoe zag welk een groot mens Mosjé was, besloot Hij dat Mosjé de leider van het volk Israël zou worden.

En zo gebeurde het dat op een dag, toen Mosjé weer het kleinvee van Jitro liet weiden, dat hij plotseling een vuur zag branden in één van de struiken. Mosjé dacht dat het een gewoon brandje was, maar toen zag hij dat het vuur de struik helemaal niet verbrandde, de takken en de bladeren bleven even fris als zij waren.

Dat verbaasde Mosjé zeer en hij dacht bij zichzelf: ‘Laat ik eens dichterbij komen om beter te zien wat daar gebeurt en hoe het kan dat die struik in brand staat en toch niet verbrandt.’

Mosjé kwam dichter bij de brandende doornstruik maar plotseling hoorde hij een stem die hem vanuit de doornstruik riep: „Mosjé! Mosjé!”

„Hier ben ik,” antwoordde Mosjé.

„Doe je schoenen uit,” sprak nu de stem, „want je staat op heilige grond! Want weet, Mosjé, dat jouw G-d, de G-d van je voorvaderen thans tegen jou praat.”

Toen verborg Mosjé zijn gezicht want hij was bang om G-d te zien.

HaKadosj Baroech Hoe vervolgde: „Mosjé, je moet weten dat Ik het zware werk van Israël en hun nood gezien heb. Ik heb ook hun geroep en gesmeek tot Mij gehoord en Ik heb besloten hen te redden van deze egyptische slavenarbeid en van die wrede slavendrij­vers die hen voortdurend slaan. 6En je moet ook weten, Mosjé, dat Ik pas nu besloten heb hen te redden en niet eerder, omdat voorheen Israël steeds aan die wrede slavendrijvers om medelijden vroegen. Maar nu hebben zij dat aan Mij gevraagd en daarom wil Ik hen nu helpen. Ik zal ze uit Egypte voeren naar een land overvloeiend van melk en honing, naar een uitverkoren land, het land Kena’an. Dat is het beste land van alle landen op de wereld en jou, Mosjé, jou stel Ik aan om naar Par’o te gaan en om hem te vragen dat hij Mijn volk uit Egypte laat wegtrekken.”

Mosjé zei daarop tegen Hasjem: „Heer der wereld, wie ben ik dat ik naar Par’o zou kunnen gaan om met hem te praten? 7Ik ben maar een eenvoudige herder en ik ben bang dat Par’o mij zal doden. En bovendien, hoe zal ik mij tot het volk Israël wenden en wat moet ik hen zeggen als zij mij vragen wie mij gezonden heeft en hoe Zijn naam is?”

„Vrees niet,” antwoordde Hasjem, „Ik zal altijd met jou zijn en je altijd van alle kwaad beschermen.”

En Hasjem vervolgde: „8De doornstruik die in brand stond maar toch niet verbrandde, zal een teken zijn dat Ik je altijd zal beschermen. En wanneer de Israëlieten je zullen vragen wie jou gestuurd heeft, antwoordt hen dan dat Hasjem, de G-d van Awraham, Jitschak  en Ja’akov jou gestuurd heeft en zeg dan tegen het volk Israël: ‘Ik heb voortdurend aan jullie gedacht’.”

Nu vroeg Mosjé aan HaKadosj Baroech Hoe: „Wat is de verdienste van Israël dat U hen uit Egypte wilt voeren?”

HaKadosj Baroech Hoe antwoordde: „Israël heeft een grote verdienste, namelijk de Tora, want omdat Israël in de toekomst die zal accepteren en op zich zal nemen, daarom worden zij uit Egypte gevoerd.”

En Hasjem vervolgde: „Wanneer je in Egypte terug bent, verzamel dan al de oudsten  van het volk, want zij zijn ook de wijsten onder het volk en geef hen dit teken dat jij nu van Mij zult krijgen: ‘Ik heb voortdurend aan jullie gedacht’, en dan zullen Sèrach, de dochter van Asjèr en al de oudsten van het volk onmiddellijk geloven dat jij de ware afgezant bent van de Schepper van de wereld en dat jij hun in de toekomst zal verlossen. 9Want dat teken heeft Ja’akov destijds aan Joseef meegegeven en van Joseef ging dat teken over op de overige broers en zij gaven het door aan Sèrach, de dochter van Asjèr. En wanneer zij dit teken hoort, zal ze geloven dat jij de verlosser bent en dan zal ook heel het volk Israël je geloven. En jij, Mosjé, vertel aan de Israëlieten over dat fantastische land waarheen Ik hen wil brengen, het land Kena’an, het beste land van alle landen, waar altijd overvloed is. En wanneer je bent uitgesproken tegen het volk, ga dan naar de koning van Egypte en zeg tegen hem dat Ik aan jou ben verschenen en dat Ik jou heb opgedragen om met de Israëlieten weg te trekken om Mij te dienen en om voor Mij offers te brengen in de woestijn.”

„Ik weet,” zo ging Hasjem verder, „dat Par’o een slecht mens is en dat hij jouw verzoek zal weigeren. Maar nadat Ik hem met vele, hele zware plagen gestraft heb, zal hij gedwongen worden om mijn volk weg te sturen en dan zullen zij weggaan met heel veel bezittingen.”

„Maar, Heer der wereld,” sprak nu Mosjé, „wat moet ik doen als alleen de oudsten van het volk mij willen geloven en wanneer de rest van het volk mij niet wil geloven en zullen zeggen: „Hasjem, onze G-d, is helemaal niet aan jou verschenen!”?

„Zeg mij eens,” reageerde HaKadosj Baroech Hoe hierop, „wat heb jij daar in je hand?” - „Een staf,” antwoordde Mosjé. - „Gooi die eens op de grond,” gebood Hasjem nu.

Mosjé gooide de staf op de grond en plotseling veranderde de staf in een griezelige slang. Mosjé schrok en rende weg. Maar HaKadosj Baroech Hoe riep hem terug en zei: „Grijp die slang bij zijn staart!”. - Dat deed Mosjé en kijk, toen werd de slang weer een onschuldige staf.

„Zie je,” sprak Hasjem, „dit zal je een teken zijn voor het volk Israël, dat Ik je gestuurd heb. En wanneer dit nog niet genoeg voor hen is, laat hen dan nog een tweede teken zien. Daarom, Mosjé steek je hand eens in je boezem en trek hem er daarna weer uit.” Mosjé deed zoals Hasjem hem geboden had en toen hij zijn hand weer te voorschijn haalde was zijn hand metsora’at, en zo wit als sneeuw.

„Steek je hand nog eens in je boezem,” beval Hasjem hem. Dat deed Mosjé en nu was zijn hand weer gewoon. „Dit zal jouw tweede teken zijn voor Israël,” sprak nu Hasjem en hier is nog een derde en laatste teken: wanneer je wat van het water uit de rivier neemt en dat op de aarde uitgiet, dan zal het water, dat eerst goed drinkwater was, veranderen in bloed. En met dit derde teken zullen de Israëlieten je zeker geloven.”

Maar Mosjé was nog niet overtuigd en weigerde naar Par’o te gaan om van hem toestemming te vragen om met Israël weg te trekken uit Egypte. Daarom zei hij tegen HaKadosj Baroech Hoe: „Heer der wereld! Het is U toch voldoende bekend dat ik moeilijk kan spreken en slecht van de tongriem ben gesneden. Hoe kan ik dan voor Par’o verschijnen en tegen hem praten!”

10Wie jou destijds de kracht gegeven heeft om voor Par’o te spreken toen je pleitte voor de Israëlieten en Hij die alle mensen een mond gegeven heeft om mee te praten, Hij zal ook jou nu de kracht geven om tegen Par’o te praten.”

Maar nog was Mosjé niet overtuigd: „11Maar Hasjem, mijn G-d, waarom neemt U niet mijn broer Aharon als Uw afgezant, hij is de oudste en was ook voorheen Uw afgezant, waarom niet ook nu?”

„Neen, zeker niet!” antwoordde HaKadosj Baroech Hoe, „12deze keer ben jij Mijn afgezant maar Aharon zal steeds met je meegaan naar Par’o en hij zal de woorden uitspreken die jij hem voor zal zeggen, want hoewel Aharon ouder is in jaren dan jij, zal hij jou eerbiedigen en naar jou luisteren want jij bent Mijn afgezant en jij zult in de toekomst het volk Israël uit Egypte voeren. En wanneer jij, Mosjé, bang bent dat Aharon jaloers op je zal zijn omdat Ik hem niet heb uitgekozen om Israël te leiden, weet dan dat je vrees ongegrond is, want Aharon zal juist heel erg blij zijn dat Ik jou heb gekozen en hij zal je zelfs tegemoet komen wanneer je terug gaat naar Egypte.”

En Hasjem ging nog verder en sprak: „En die staf, die je daar in je hand hebt, en die je uit de tuin van Jitro hebt opgegraven, en waar, behalve Mijn naam, ook de namen van de tien plagen zijn ingegrift, neem die mee naar Egypte, want met behulp daarvan kun je de wonderen verrichten en ook de plagen veroorzaken die in de toekomst over Egypte zullen komen.”

Daarmee eindigde Hasjem het gesprek met Mosjé. Mosjé verzamelde zijn kleinvee en keerde terug naar het huis van zijn schoonvader, Jitro en zei tegen hem: „Schoonvader, ik zou graag mijn broeders in Egypte willen opzoeken en zien hoe het met hen gaat. Vindt u het goed dat ik ga?”

„Ga naar vrede, mijn zoon,” antwoordde Jitro hem, „en Hasjem zal je te hulp zijn.”

Mosjé nam de staf mee en proviand voor onderweg en toen ging hij met zijn vrouw Tsipora en hun twee zoontjes op de rug van een ezel, op weg naar Egypte.

Intussen had Hasjem Aharon gewaarschuwd dat Mosjé in aantocht was. Onmiddellijk ging Aharon hem tegemoet de woestijn in en daar ontmoetten beide broers elkaar en Aharon viel Mosjé om de hals en kuste hem hartelijk welkom. Mosjé vertelde Aharon alles wat Hasjem hem gezegd had en 13Aharon was in het geheel niet jaloers op Mosjé, integendeel: hij was enorm blij dat Hasjem Mosjé had uitgekozen om het volk Israël te verlossen van de slavernij en hen naar het land Israël te brengen. Maar ook Mosjé was niet jaloers op Aharon dat Hasjem van hem het priesterschap had afgenomen en dat aan Aharon had gegeven.

Terwijl de twee broers samen zaten te praten, 14vroeg Aharon plotseling aan Mosjé: „Waarom heb jij eigenlijk je vrouw en beide zonen meegenomen naar Egypte. Heb je niet genoeg aan al die mensen die reeds in Egypte zijn en die wij uit Egypte moeten voeren? En nu breng je daar ook nog je familie bij?”

Mosjé besloot dat Aharon gelijk had en stuurde zijn vrouw en beide zonen terug naar het huis van zijn schoonvader Jitro.

Nadat zij zich voorbereid hadden keerden Mosjé en Aharon terug naar Egypte om hun opdracht uit te voeren. Onmiddellijk na hun aankomst daar, verzamelden Mosjé en Aharon de oudsten van het volk en vertelden hen uitvoerig en nauwkeurig alles wat Hasjem tegen Mosjé gezegd had. Ook toonde Mosjé aan de oudsten de drie tekenen die Hasjem Mosjé had opgedragen te tonen, opdat zij zouden geloven dat hij inderdaad de afgezant van Hasjem was. Toen de oudsten de woorden van Mosjé hoorden en zijn wondertekens zagen, zonden zij afgezanten naar Sèrach, de dochter van Asjér om haar alles te vertellen. „Wat zei die man dan allemaal?” vroeg zij hen. De afgezanten antwoordden haar: „Die man zij dat Hasjem had gezegd: „Ik heb voortdurend aan jullie gedacht.”

„Dat klopt,” juichte Sèrach, precies diezelfde woorden zijn mij door de stammen overgeleverd. Die man moet de redder van Israël zijn. Hasjem heeft naar onze gebeden geluisterd en Zijn afgezant gestuurd om ons uit Egypte te redden, uit deze afschuwelijk slavernij.”

Toen de oudsten het antwoord van Sèrach hoorden uit de mond van hun afgezanten, toen die terug keerden, geloofden zij onmiddellijk in Mosjé. 15Zij gingen er ook mee akkoord om met de beide broers mee te gaan naar het paleis van Par’o. Maar onderweg daarheen werden zij overvallen door angst voor Par’o en de één na de ander bleven de oudsten van Israël achter en tenslotte bleven alleen Mosjé en Aharon over.

16Toen zij tenslotte voor het reusachtige paleis van de Par’o stonden, sloeg ook hen de angst om het hart. Maar op dat moment kwam de engel Gabriël uit de Hemel, gezonden door Hasjem en hij bracht Mosjé en Aharon  naar binnen in het paleis, zonder dat zij eerst door de wachters hoefden te worden ontvangen.

Na enige tijd kwam Par’o eens kijken wat die twee vreemdelingen daar, zonder zijn toestemming of uitnodiging, in zijn paleis uitvoerden. Toen hij de beide broers zag gaf hij onmiddellijk opdracht op de wachters bij de poort te laten doden omdat zij niet goed de poorten hadden bewaakt en de twee broers hadden doorgelaten. Vervolgens joeg hij hen allebei het paleis uit. Maar opnieuw stonden Mosjé en Aharon even later weer voor hem en nu begreep Par’o dat dit geen twee gewone mensen waren. Daarom besloot hij eerst maar eens naar hun woorden te luisteren.

17Toen Mosjé en Aharon dichterbij de troon wilden komen, schrokken zij terug, want die werd bewaakt door reusachtige leeuwen. Toen hief Mosjé zijn staf omhoog en raakte daarmee de leeuwen aan en die gehoorzaamden hem onmiddellijk alsof het tamme schoothondjes waren. Par’o begreep nu dat Mosjé een heel bijzondere man moest zijn en dat het de moeite waard was om hem met eerbied te behandelen. Daarom vroeg hij aan Mosjé en Aharon: „Wat willen jullie van mij en wat bracht jullie hierheen?”

De broers antwoordden hem: „Aldus heeft Hasjem, onze G-d en de G-d van onze voorouders gesproken: ‘Laat Mijn volk gaan opdat zij Mij zullen dienen in de woestijn.’ Dat betekent, Mijnheer de Koning, dat U heel het volk Israël gedurende een aantal dagen naar de woestijn moet laten vertrekken, opdat zij daar offers kunnen brengen voor HaKadosj Baroech Hoe.”

„Beslist niet!” antwoordde Par’o hen, „ik ken jullie G-d niet en daarom zal ik Israël ook niet uit Egypte laten gaan.”

18En bovendien, indien ik jullie verzoek zou inwilligen, dan zou dat een enorm verlies voor Egypte zijn, want er zijn heel veel Israëlieten en ieder uur dat zij niet zouden werken zou een groot verlies betekenen voor Egypte.”

19Onmiddellijk daarop beval Par’o zijn dienaren en zei: „Ga direct het werk van Israël verzwaren. Tot nu toe hoefden zij niet op Sjabbat te werken, maar vanaf vandaag zullen zij ook op Sjabbat werken en tot vandaag brachten de egyptische slaven­drijvers hen de tichelstenen, maar vanaf vandaag moeten zij daar zelf voor zorgen.”

Vanaf die dag moesten de Israëlieten nog harder werken dan voordat Mosjé en Aharon naar Par’o gekomen waren. De egyptische slavendrijvers  sloegen de joodse opzichters nu nog harder wanneer het volk niet voldoende arbeid verrichtte, 20maar de joodse opzichters sloegen hun joodse broeders niet.

21En een nieuwe, nog wredere verordening vaardigde Par’o uit: wanneer de Joden er niet in slaagden om voldoende tichelstenen te bereiden om de bouw te kunnen voortzetten zoals Par’o dat wilde, dan moesten de wrede slavendrijvers joodse kinderen gebruiken om in plaats van de stenen te worden ingemetseld.

De joodse opzichters zagen hoe zwaar hun broeders moesten lijden en daarom gingen zij naar Par’o en zeiden: „Koning van Egypte, zie toch hoe zwaar het werk is dat u uw slaven, de Israëlieten, heeft opgelegd. Daarom vragen wij u of u alstublieft hun werk een beetje wilt verlichten.” Maar Par’o werd geweldig kwaad en schreeuwde tegen hen: „Jullie hebt niet genoeg werk, daarom vervelen jullie je en komen jullie mij lastig vallen. Maar ik zal jullie werk wat verzwaren, zodat jullie geen tijd meer hebben om hier te komen klagen. Ik zal jullie die onzin snel doen laten vergeten.”

22Toen de joodse opzichters de woorden van Par’o hoorden, zeiden zij tegen Mosjé en Aharon, die zij tegen kwamen toen zij het paleis van Par’o verlieten: „Indien jullie werkelijk als afgezanten van Hasjem zijn gekomen, dan accepteren wij jullie woorden en het zware werk dat ons wordt opgelegd vanwege wat jullie tegen Par’o gezegd hebben. Maar als jullie niet als afgezanten van Hasjem zijn gekomen, dan zal hij over ons en over jullie rechtspreken.”

Samenvatting: Hasjem koos speciaal Mosjé uit om het volk Israël te leiden omdat hij blijk had gegeven van een groot gevoel van barmhartigheid toen hij medelijden had met het lammetje en ook omdat Mosjé er zo nauwgezet op toe zag, dat de schaapjes niet van de velden van andere mensen aten. Hieraan zien wij hoe belangrijk het is om erbarmen te hebben en om eerlijk te zijn.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

1.  Sjemot Rabbah 1:38

2.  B.N.

3.  Targoem Jonathan Sefer Hajasjar

4.  Jalkoet Reoeweni

5.  Sjemot Rabbah 2:2

6.  Akeda en Abarbanel

7.  Ramban 3:11

8.  Rasji 3:12

9.  Ramban 3:18 en Jafé Toar

10. Rasji 4:11

11. Rasji 4:13

12. Sjemot Rabbah 3:21,22

13. Sjemot Rabbah 5:11

14. Rasji 18:2

15. Rasji 5:1

16. Jalkoet en Sjach

17. Sefer Hajasjar

18. Sjach

19. Sjemot Rabbah 5:22

20. Rasji 5:14

21. Sjemot Rabbah 5:25

22. Sjemot Rabbah 5:25