Archief

WAËRA

DE OPDRACHT VAN MOSJÉ EN AHARON

Mosjé en Aharon hoorden van de joodse opzichters hoe zwaar de Israëlieten moesten lijden ten gevolge van het verzoek van Mosjé en Aharon aan Par’o om het volk te laten gaan. Daar hadden zij erg veel verdriet van en het speet hen dat zij zoveel leed hadden veroorzaakt. Vanwege dat verdriet lette Mosjé niet speciaal op zijn woorden toen hij tot Hasjem sprak: „Heer der wereld! Waarom heeft U mij gestuurd om Israël uit Egypte te voeren? Kijk nu toch eens, wat er gebeurd is nadat ik gedaan heb wat U mij gezegd hebt. Ik heb Par’o gevraagd om het volk Israël uit Egypte te laten weg trekken en nu is hun toestand nog erger geworden in plaats van verbeterd.”

[i]De engelen werden nu heel kwaad op Mosjé omdat hij zo lelijk tegen Hasjem gesproken had. Maar Hasjem kalmeerde hen en zei tegen hen: „Wees maar niet boos op Mosjé, want hij bedoelt het niet slecht, chalilah, integendeel, hij heeft gelijk, Mosjé heeft erg veel verdriet over het lot van zijn broeders en daardoor kwam het dat hij niet zo goed op zijn woorden lette.”

HaKadosj Baroech Hoe wendde zich nu toe Mosjé en sprak: „Ik ben Hasjem, jouw G-d en de G-d van Israël, die verschenen is aan jouw voorvaderen Awraham, Jitschak en Ja’akov. Ik heb beloofd om aan hun nakomelingen, aan het volk Israël, het land Israël te geven. Sedertdien zijn echter vele jaren verlopen, gedurende welke Ik Mijn belofte niet gestand gedaan heb. Maar Ik beloof jou, Mosjé dat het nu niet meer lang zal duren voordat ik mijn belofte zal doen uitkomen.”

„Je moet weten, Mosjé,” zo vervolgde Hasjem, „dat Ik de rugbrekende arbeid van Mijn kinderen gezien heb en ook heb Ik hun geroep en geschrei tot Mij gehoord. Daarom herhaal Ik hier en beloof Ik nogmaals, dat Ik Israël uit Egypte zal voeren met sterke hand en met uitgestrekte arm en met behulp van vele grote wonderen en Ik zal hen brengen naar het land Kena’an, precies zoals Ik hun voorvaderen Awraham, Jitschak en Ja’akov beloofd heb.”

Toen Mosjé de woorden van Hasjem gehoord had, ging hij heen om ze te ver­kon­digen aan de Israëlieten. Echter niemand wilde naar zijn woorden luisteren omdat zij allen te druk bezig waren met hun vele werk, dat zij moesten afmaken.

Toen verscheen Hasjem opnieuw aan Mosjé en zei tegen hem: „Ga nog eens naar Par’o, Mosjé, en vraag hem nog eens of hij Mijn volk uit Egypte wil laten weggaan.”

Mosjé wist niet dat het volk niet naar hem wilde luisteren omdat zij zoveel werk te doen hadden. Hij dacht dat zij niet naar hem wilden luisteren omdat hij stotterde. Daarom zei hij tegen Hasjem: „Maar Heer der wereld, wanneer Israël niet naar mij wil luisteren omdat ik stotter, dan zal Par’o zeker niet naar mij willen luisteren.”

Hasjem antwoordde helemaal niet op het bezwaar van Mosjé, want Hij wist dat de reden dat Israël niet naar Mosjé luisterde, omdat zij daar geen tijd voor hadden vanwege hun vele zware werk. Daarom zei Hij tegen Mosjé: „[ii]Het zal zijn zoals je zegt, Mosjé, wanneer jij je beklaagd dat niemand jouw woorden begrijpt, dan zal je broer Aharon je helpen. Hij zal al jouw woorden voor jou uitspreken, zowel tegen Par’o als tegen het volk Israël.”

[iii]HaKadosj Baroech Hoe wendde zich nu tot zowel Mosjé als Aharon en zei: „Wisten jullie dat de Israëlieten koppig zijn? Zij gedragen zich niet altijd zoals het hoort. En daarom, Mosjé en Aharon, moeten jullie hen met veel geduld en vriendelijkheid behandelen. En ook wanneer jullie voor Par’o staan, erger hem dan niet, maar toon hem eerbied, want ondanks dat hij een slecht mens is, hij is toch koning en jullie zijn ook verplicht om het koningschap eer te bewijzen. Dit geldt zelfs wanneer Par’o zich slecht gedraagt en het volk Israël ruw behandelt, dan nog moeten jullie hem alle eer tonen die hem toekomt. Ik zal hem wel straffen voor zijn gedrag.”

HaKadosj Baroech Hoe richtte zich nu tot Mosjé alleen en zei: „Mosjé, [iv]Ik stel jou aan tot rechter over de koning van Egypte, over Par’o, en jij en Aharon zullen over Par’o en over heel het egyptische volk tien verschrikkelijke plagen brengen, en Ik zal je laten zien hoe je dat moet doen. Maar gedurende al die tijd zal Ik het hart van Par’o verharden, zodat hij zal blijven weigeren om Israël te laten gaan. Totdat de tiende en laatste plaag komt, dat zal de zwaarste plaag worden van alle andere plagen en pas dan zal Par’o Israël uit Egypte laten vertrekken, met veel eer en met veel bezittin­gen.”

Mosjé was tachtig jaar en Aharon was drie en tachtig toen zij opnieuw voor Par’o stonden. Mosjé zei tegen Aharon wat Hasjem tegen hem gezegd had en Aharon ging voor de koning staan en zei met heldere en duidelijke stem: „Koning van Egypte, Hasjem, de G-d van Israël heeft ons geboden om u mede te delen, dat wanneer u Zijn volk niet uit Egypte laat weggaan, dan zullen u verschrikkelijke rampen treffen.”

„Dat is goed,” antwoordde Par’o hem, „ik wil wel eens weten of je de waarheid spreekt. Laat mij daarom maar eens een wondertje zien, zodat ik zal weten dat jullie geen leugenaars zijn.” Mosjé vertelde Aharon wat hij moest doen en Aharon pakte daarop de staf van Mosjé en gooide die op de grond. Onmiddellijk veranderde de staf in een slang. [v]Toen Par’o dit wonder zag, barstte hij in lachen uit. „Ha - ha - ha”, scha­terde hij, „in een land vol grote tovernaars en magiërs komen jullie met zo’n simpel toverkunstje en daarmee willen jullie mij bewijzen dat jullie geen leugenaars zijn? Kijk maar eens wie er in ons land zulke simpele toverkunstjes kan doen als dit.”

Vervolgens liet Par’o kleine kinderen van vier en vijf jaar bij zich komen en gaf hen een staf in de hand en zei tegen hen: „Laten jullie een zien, lieve kindertjes, wat jullie met zo’n stokje kunnen doen.”

De kinderen gooiden de stok die zij in hun hand hadden op de grond en … wat was dat … alle stokken waren veranderd in slangen.

[vi]Maar waarom deed Hasjem dat? Waarom waren Zijn wonderen in het begin zó eenvoudig, dat zelfs kleine kinderen ze na konden doen? Hasjem wist, dat wanneer Hij meteen van het begin af aan grote en moeilijke wonderen zou doen, dan zouden de bewoners van Egypte gezegd hebben, dat dat was omdat kleine wondertjes niet tot hun eer zouden strekken. Maar omdat de Egyptenaren nu zelf die kleine wondertjes deden, die Mosjé en Aharon in het begin deden, konden zij dat niet zeggen bij de latere grote wonderen die voor hen gedaan werden.

[vii]Nu gebeurde er opnieuw een wonder en de slang die uit de staf van Aharon ontstaan was, veranderde weer terug in een staf en toen at hij de slangen van de egyptische kinderen op, zonder dat er ook maar iets bijzonders aan de staf te zien was.

Toen Par’o zag dat de staf de slangen opat, dacht hij bij zichzelf: ‘Wat moet ik doen als hij nu zijn staf opdracht geeft om mij op te eten?”

Maar desondanks verzachtte Par’o zijn hart niet maar bleef hij weigeren om Israël uit Egypte weg te sturen.

Samenvatting: Ondanks dat Israël niet naar Mosjé luisterde, wilde Hasjem hen toch verlossen, omdat hun gedrag tegenover Mosjé voortkwam uit hun ellende en HaKadosj Baroech Hoe begreep dat heel goed. Zo moeten wij ook een vriendje begrijpen die zich niet gedraagt zoals het hoort ten gevolge van zijn verdriet.

De tien plagen

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

De opdracht van Mosjé en Aharon

[i]. Sjemot Rabbah 5:27

[ii]. Rasji 6:13

[iii]. Sjemot Rabbah 7:2

[iv]. Rasji 7:1

[v]. Sjemot Rabbah 9:4

[vi]. Oude verhalen

[vii]. Sjemot Rabbah 9:5

De Tien Plagen