Archief

PEKOEDEI

De bouw van het Misjkan

Laten wij nu eens een kijkje nemen op de plaats waar Betsalel en Oholiav en de overige mensen die hen helpen, bezig zijn met de bouw van het Misjkan, terwijl heel het volk hen steunt.

Dan kunnen wij zien hoe een groepje mensen zich inspant om de planken voor het Misjkan op maat te maken en hoe zij die dan aan de mannen van Betsalel geven. En in een ander hoekje zitten de vrouwen van Israël. Zij spannen zich in om de kleren van de Cohaniem en de gordijnen van het Misjkan te weven.

Zo droeg iedereen van Israël bij, zowel met zijn geld als met zijn lichaam aan de bouw van het Misjkan.

Wij zullen nu proberen te beschrijven hoe het Misjkan eruit zag. Het Misjkan had drie muren. Zijn lengte was 30 ama, zijn breedte 10 ama en zijn hoogte eveneens 10 ama. De muren waren niet gemaakt van steen, maar van acaciahouten planken, overtrokken met goud. Iedere plank was 10 ama hoog en zijn breedte anderhalve ama en zijn dikte één ama [een ama is ongeveer 54 cm.].

De noordelijke muur bestond uit twintig van die planken, en ook de zuidelijke muur bestond uit twintig planken, terwijl de westelijke muur uit slechts acht planken bestond. Aan de oostkant was helemaal geen muur, alleen een gordijn, dat de ingang van het Misjkan afsloot. Daarover kunnen jullie verderop nog lezen.

Fig. 1a. De planken van het Misjkan waren aldus: twintig planken aan de zuidzijde . . . ook aan de noordzijde . .

Dus die drie muren bij elkaar bestonden uit 48 planken. Onderaan ieder plank zaten twee uitsteeksel die gestoken werden in de zilveren voetstukken. Aan de bovenkant van iedere plank zaten twee gleuven, ieder een vinger breed. Daarin gleed een gouden vierkante ring. Iedere ring gleed in twee gleuven, in één gleuf van de ene plank en in de andere gleuf van de plank ernaast. Zo werden de planken door die ringen bijeen gehouden.

Fig. 1b. En ze werden twee aan twee samen gebon­den aan de bovenkant door één ring (36:29)

Fig. 1c. Het werden dus acht planken met hun zilveren sokkels, dus zestien sokkels, telkens twee sokkels onder één plank (Sjemot 36:30)

Behalve de ringen, die de planken bijelkaar hielden, zaten er ook vijf stangen in de noordelijk muur, vijf in de zuidelijke muur en vijf stangen in de westelijke muur. Zij dienden er ook voor, om de planken bij­elkaar te houden, net als de ringen.

Vier van de stangen in de noordelijke en in de zuide­lijke muur en twee in de weste­lijke muur waren van buiten zichtbaar. Eén stang, de middelste, zat binnen in de muur. 2De stangen die iedereen kon zien, waren gemaakt van acaciahout en zij waren gestoken in gouden buizen die door gouden ringen op hun plaats gehouden werden.

De lengte van iedere stang was de helft van de lengte van de muur. Aan de bovenkant van ieder muur zaten twee stangen, en aan de onderkant zaten ook twee stangen.

In het midden van iedere plank zat een gat, waardoor de middelste stang was gesto­ken, waarvan de lengte gelijk was aan de totale lengte van de drie muren.

3Deze middelste stang was één lange stang, die, zoals we ons herinneren, gemaakt was van acaciahout, en die zich rond de hoeken van het Misjkan boog. En wanneer men het Misjkan uit elkaar haalde, werd deze stang weer vanzelf recht.

4Zo waren alle planken heel stevig aan elkaar bevestigd. Er bleef echter één probleem over: de muren zaten nog niet aan elkaar vast. Hoewel de middelste stang de muren wel met elkaar verbond, werden er gouden ringen gebruikt om de verbinding steviger te maken. Dat waren soortgelijke ringen als die welke aan de bovenkant de planken bijelkaar hielden. Alleen de ringen die de muren bijelkaar moesten houden, waren veel groter. Iedere ring gleed in de gleuven van twee planken, die aan de hoeken van de muren stonden. Zo verbonden zij de muren met elkaar.

Het Miskan was van binnen in twee ruimten verdeeld. Het ene deel had een lengte van tien ama en dat werd Kodesj Hakodasjiem - het Allerheiligste - genoemd. De tweede had een lengte van twintig ama en dat werd „De Tent der Samenkomst” ge­noemd.

Tussen de Tent der Samenkomst en het Allerheiligste was een afscheiding, die be­stond uit vier pilaren, ieder gemaakt van acaciahout, overtrokken met goud. Elk van de pilaren stond op een zilveren voetstuk, en op iedere pilaar zat een gouden haak.

Fig. 2. Hij maakte de tafel van acaciahout … en ook maakte hij het gerei dat voor de tafel bestemd was, de erbij behorende schotels … (37:10-16)
De kandelaar vervaardigde hij van zuiver goud … zes armen kwamen uit de zijkanten (37:17-18)
Men vervaardigde het reukwerkaltaar van acaciahout (37:25)

Aan die vier haken hing het Parochet - het voor­hang­sel - een kunstweverswerk. Dat wil zeggen: tijdens het weven moesten de wevers allerlei afbeeldingen maken aan beide kanten van het weefsel. Zoals bijvoorbeeld aan de ene kant een leeuw en aan de andere kant een adelaar.

Aan de oostzijde van het Misjkan was een opening, waar vijf pilaren stonden, gemaakt van acaciahout, over­trokken met goud. Deze pilaren stonden op kope­ren voetstukken en bovenaan zaten gouden haken, waaraan een afscheidingsgordijn hing, gemaakt van hemelsblauwe, purperrode en karmozijnkleurige wol en getweerd fijn linnen, een echt kunstweverswerk!

Nu blijft ons alleen nog over om het dak te bedekken.

De eerste laag van de dakbedekking van het Misjkan bestond uit kleden, gemaakt van getweernd fijn linnen met hemelsblauwe, purperode en karmozijnkleurige wol. Dat kleed bestond niet uit één stuk maar uit tien stroken. De lengte van elk stuk was achtentwintig ama en de breedte vier ama.Vijf van deze stroken werden aan elkaar bevestigd, zodat men twee kleden verkreeg.

Aan de zijkant van ieder kleed zaten vijftig lussen, en met behulp van vijftig gouden haken, die door die lussen gestoken werden, werden de kleden aan elkaar vastge­maakt. Zo ontstond één groot kleed, met een lengte van veertig ama en een breedte van achttien ama.

Nu vraag je natuurlijk hoe die kleden op het Misjkan lagen?

Fig. 3a. (Links) En kleden van geitenhaar moet je tot een tent maken over het Misjkan, elf kleden (26:7)

Fig. 3b (Rechts) Het Misjkan moet je maken uit tien kleden van ge­tweernd fijn linnen met hemelsblauw …(26:1)

Welnu, dertig ama lag in de lengterichting op het dak van het Misjkan. Van de westelijk muur hingen negen ama af, terwijl één ama van de voetstukken onbedekt bleef. De planken waren één ama dik, bijelkaar dus veertig ama. In de breedte van het Misjkan lagen de kleden als volgt: de breedte van het Misjkan was tien ama. Nog twee ama om de dikte van de planken van de twee zijmuren te bedekken en acht ama hing af van zowel de noordelijke als de zuidelijke muur. Alles bijelkaar dus achtentwintig ama. Dus één ama van de voetstukken en één ama van de zijplanken bleef onbedekt.

Op deze kleden van het Misjkan lag nog een bedekking, de geitenharen kleden, die als een tent over het Misjkan lagen. Elf van die kleden maakte men. De lengte van ieder kleed was dertig ama en de breedte van ieder kleed vier ama. Vijf van die kleden werden aan elkaar gehecht tot één groot kleed en de zes andere stukken werden ook aan elkaar gehecht tot één, iets groter kleed. Aan het uiteinde van elk van deze grote kleden zaten vijftig lussen die precies tegenover elkaar zaten, en met behulp van vijftig haken werden die kleden bijeen gehouden.  

Als men ze over het kleed van het Misjkan legde, dan bedekte dit geitenharen kleed negen ama aan de noordkant en negen ama aan de zuidkant. Zo bleef dus één ama van de voetstukken onbedekt. Aan de weste­lijke kant kwam het kleed tot op de grond en aan de noordkant daalde het nog twee ama verder af.

Fig. 4a. … en een dekkleed van tachasjvellen (36:19)

Fig. 4b.  Men maakte een dekkleed voor de tent van roodgeverfde ramsvellen (36:19)

Bovenop het geitenharen kleed lag nog een kleed, gemaakt van rood geverfde ramsvellen en van tachasj-vellen.

6De tachasj was een dier dat door HaKadosj Baroech Hoe speciaal geschapen was uitsluitend voor de bouw van het Misjkan. Het had vele kleuren en was heel mooi.

7Sommigen zeggen dat deze bovenste dakbedek­king gemaakt was uit twee kleden, die over elkaar heen­lagen. Het ene gemaakt van tachasj-vellen, het andere van rood geverfde ramsvellen. Anderen zeggen dat het één kleed was, de ene helft gemaakt van roodge­verfde ramsvellen en de andere helft gemaakt van tachasj-vellen.

De lengte en breedte was gelijk aan de lengte en breedte van de dakbedekking van het Misjkan, dat wil dus zeggen: de lengte: dertig ama en de breedte twintig ama.

Rondom het Misjkan was een hele grote binnenplaats, de voorhof, met een lengte van honderd ama en een breedte van vijftig ama. Deze binnenplaats was omge­ven door pilaren, die stonden op koperen sokkels, terwijl de pilaren spiraalsgewijs waren omwikkeld met een zilveren koord. Ieder pilaar had ook een zilveren haak, en aan die haken hingen de gordijnen. Alle gordijnen rondom de voorhof waren gemaakt van getweernd fijn-linnen. De pilaren stonden op een onder-linge afstand van vijf ama, en zo stonden dus langs de noord- en zuid zijden twintig pilaren, en aan de oost- en westzijde stonden tien pilaren.

De ingang tot de binnenhof van het Misjkan was gelegen aan de oostzijde. Deze

Fig. 5. Nu maakte men de voorhof. Aan de zuidzijde: honderd ama gordijnen van getweernd fijn-linnen met twintig palen. Ook aan de noordzijde honderd ama …en een afscheidend gordijn aan de poort van de voorhof, een kunstborduurwerk (38:9-18)

ingang was een ope­ning van vijf ama breed in de oostelijke omheining van de voorhof. Voor de ingang stonden de vier middelste pilaren van de tien pilaren van de oostelijke omhei­ning. Deze vier pilaren stonden op koperen sokkels en aan de bovenkant van ieder pilaar zat een zilveren haak. Aan die haken was een gordijn gehangen, ter afsluiting van de opening. Dit gordijn was heel spe­ciaal kunstweverswerk, gemaakt van hemelsblauwe, purperrode en karmozijnkleurige wol en getweernd fijn linnen.

Zo, nu weten jullie ongeveer hoe het Misjkan eruit zag. Laten wij allen hopen dat de Mesjiach spoedig zal komen, zodat ook jullie, kinderen, kunnen meehel­pen aan de wederopbouw van ons Heiligdom, net zo­als de Israëlieten hielpen aan de bouw van het Misj­kan in de woestijn, vele duizende jaren geleden.

Laten wij daarom eindigen in de hoop dat Jeruzalem en de Tempel spoedig herbouwd mogen worden, en dat dit mag gebeuren in onze tijd, zodat wij dat nog mogen meemaken, en wij vanuit de duisternis in het licht komen.

STERKTE!

Samenvatting: Uit het verzoek van Hasjem om voor Hem een woning in ons midden te bouwen, waarin de Sjechina kan blijven wonen, kunnen wij begrijpen hoe zeer Hij het volk Israël liefheeft en hoe dierbaar Hem dat volk Israël is!

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

1. Baraita deMichilta HaMisjkan 81

2. Rasji 26:29

3. Targoem Jonatan 26:28

4. Rasji 26:24

5. Baraita deMachilta HaMisjkan 83

6. Sjabbat 28a

7. Baraita deMachilta HaMisjkan 83