Archief

KIE TISSA

De val van Israël

Nu dat de Satan gehoord had, wat dat gemengde volk gezegd had, besloot hij het volk Israël te laten zondigen.

8Onmiddellijk zorgde de Satan ervoor dat de hemel verduisterd werd. Het werd nu donker op de wereld en plotseling zag heel Israël hoe de baar van Mosjé Rabbeinoe in de hemel zweefde. Natuurlijk was dit het werk van de Satan.

Toen heel Israël dat zag was er geen twijfel meer bij hen over, dat Mosjé dood was. 9Het gemengde volk en heel Israël met hen kwamen nu naar de Oudsten van het volk en zeiden: „Onze grote leraar Mosjé had ons beloofd om na veertig dagen en nachten naar ons terug te keren. Maar zie wat er gebeurd is, Mosjé is niet teruggekomen en nu hebben wij geen leider. Daarom moeten jullie voor ons nieuwe goden maken die ons de weg zullen wijzen die wij gaan moeten.”

Toen de Oudsten dit verzoek hoorden waren zij zeer geschokt: „Hoe durven jullie de Schepper van de wereld te verloochenen? Schamen jullie je niet voor jullie schandelijk gedrag? Na al de wonderen die Hasjem voor jullie gedaan heeft willen jullie je alsnog overgeven  aan ’avoda zara – afgoderij – en afgoden maken? Schande!”

Toen de Israëlieten zagen dat de Oudsten niet bereid waren om aan hun wensen tegemoet te komen, maar hen integendeel terechtwezen, kwamen zij tegen hen in opstand en vermoordden hen.

Toen Choer, de zoon van Miriam, de neef van Mosjé en Aharon, zag dat de mensen niet wilden luisteren naar de woorden van de Oudsten en hen zelfs vermoordden, probeerde ook hij hen te vermanen. Hij zei tegen hen: „Israëlieten, jullie zijn een heilig en rein volk. Jullie hebben reeds vele wonderen zien gebeuren die HaKadosj Baroech Hoe voor jullie gedaan heeft, zowel in Egypte als in de woestijn. Hoe kan het dan dat jullie niet willen geloven dat Mosjé, de afgezant van Hasjem, nog leeft en niet dood is. Wanhoop niet, hij komt zeker terug, ondanks dat hij wat verlaat is. En zelfs als Mosjé Rabbeinoe, G-d beware, dood zou zijn, dan mogen jullie toch niet HaKadosj Baroech Hoe ver­raden, die jullie bewezen heeft dat Hij alles kan. Jullie moeten je op Hem verlaten en op Hem vertrouwen, want HaKadosj Baroech Hoe zal ons zeker helpen en ons een nieuwe en goede leider sturen.”

Maar Israël was kwaad dat ook Choer hen terecht wees en hen niet wilde helpen en daarom vermoordden zij ook hem. Toen stonden zij allen op en gingen naar Aharon, de priester en zeiden tegen hem: „Aharon, als je ons ook niet wil helpen om afgodsbeelden te maken dan zullen wij jou ook vermoorden, net als de Oudsten en Choer, de zoon van Miriam!”

10Toen Aharon zag hoe graag Israël afgoderij wilde, dat zij zelfs bereid waren daarvoor iedereen te ver­moor­den die hen in de weg stond, dacht hij bij zichzelf: „Wan­neer ik hen verwijten zou maken en hen tegen­werk, vermoorden zij mij ook en daarna gaan zij toch afgoden dienen. Daarom is het beter dat ik net doe alsof ik het met hen eens ben en dat ik met hen zogenaamd samenwerk. Maar ik doe de dingen zo langzaam als ik kan, zodat de ’avoda zara zolang mogelijk wordt uit­gesteld, totdat Mosjé terugkomt en Israël van deze zware zonde gespaard wordt.”

En verder dacht hij bij zichzelf: „Wanneer ik tegen het volk zeg, dat zij mij de gouden sieraden van hun vrouwen moeten brengen, dan zullen zij dat verzoek vast heel langzaam uitvoeren, omdat die vrouwen erg aan die dure sieraden gehecht zijn. Zo gaat er veel tijd verloren totdat zij daarin toestemmen om die aan hun mannen te geven om daarvan afgodsbeelden te maken. En intussen is Mosjé al terug.”

Zo sprak Aharon tot heel het volk: „Breng mij al de gouden sieraden van jullie vrouwen.”

Heel Israël was verheugd dat Aharon bereid was hen te helpen bij het vervaardigen van een afgods­beeld. Zij haastten zich naar hun vrouwen en zeiden tegen hen: „Geef ons snel al jullie gouden sieraden.”

Maar de vrouwen antwoordden hen: „De Hemel beware ons, dat wij zoiets zouden doen. Wij geven jullie niet onze sieraden om daarmee afgoderij te bedrijven. Wij verloochenen Hasjem, onze G-d niet, die zoveel wonderen voor ons gedaan heeft.”

Toen de mannen die woorden van hun vrouwen hoorden, namen zij snel zelf de sieraden en brachten die onmiddellijk naar Aharon.

Toen Aharon zag dat zijn list mislukt was en dat alles razend snel gegaan was, dacht hij bij zichzelf: „Ik gooi al het goud in het vuur, en het vuur zal het goud doen smelten, zodat het niet meer geschikt is om er nog enig kunstwerk van te maken.”

Zo gezegd zo gedaan: 11Aharon deed alle gouden sieraden in een doek en gooide dat vol vertrouwen in het vuur. Maar plotseling ontdekte Aharon dat het goud de vorm van een kalf aannam.

Aharon was stom verbaasd en begreep helemaal niet hoe zo iets vreselijks kon gebeuren. Pas nader­hand werd het hem duidelijk, dat er tussen het ge­meng­de volk twee tovernaars waren, die met hun toverkunsten dat kalf gevormd hadden.

De Toverkunsten van Micha

Sommigen zeggen dat niet die tovernaars dit ge­daan hadden, maar een joodse man, die Micha heette. „Wie was Micha?” vragen jullie nu natuurlijk. Jullie herin­neren je vast nog wel dat één van de afschuwe­lijke verordeningen van Par’o was, om kleine kinde­ren en baby's tussen de stenen van de bouwwerken van Pietom en Ra’amses in te metselen, wanneer er niet genoeg stenen waren.

Mosjé Rabbeinoe vond dit heel erg. Daarom vroeg hij aan HaKadosj Baroech Hoe: „Barmhartige en genadige G-d! Waarom straft u die kleine kinderen op deze manier?” HaKadosj Baroech Hoe antwoordde hem: „Mosjé, laat dit niet slecht zijn in jouw ogen, Ik verwijder slechts distels uit de boomgaard.”

Met andere woorden, HaKadosj Baroech Hoe wist dat deze kinderen in de toekomst tot slechte mensen zouden opgroeien, die dan het volk Israël slechts zouden storen en dwarszitten. Om er voor te zorgen dat het volk Israël een zuiver volk zou blijven, vernie­tigde Hasjem die slechte mensen reeds van te voren, toen zij nog klein waren.

Maar Hasjem ging verder en zei tegen Mosjé: „Wanneer je soms wilt zien of het waar is wat Ik zeg, Mosjé, dan mag je één van die baby’s tussen die stenen vandaan halen. Kijk dan maar hoe hij opgroeit.”

Mosjé deed wat Hasjem hem gezegd had en haalde één van de baby’s die nog leefde, tussen de stenen vandaan. Hij gaf het kind te eten en te drinken en alles wat het kind nodig had. Die baby heette Micha. Hij groeide op en werd groot en sterk, totdat hij een man was geworden.

Voordat Israël uit Egypte trok, had Mosjé de kist met de stoffelijke resten van Joseef uit de rivier de Nijl omhoog gehaald, met behulp van een potscherf, waarop de Naam van Hasjem geschreven stond en de woorden: ‘Kom omhoog, stier” (want Joseef werd ook wel ‘stier’ genoemd12).

Die scherf had Micha stiekem gepakt en stilletjes bewaard. En nu, nadat Aharon al die sieraden in het vuur had geworpen, gooide Micha die potscherf eveneens in het vuur. Het was daardoor dat het kalf (een jonge stier) was ontstaan.

Volgende Verhaal

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

8.   Rasji 32:1.

9.   Bamidbar Rabbah 15:17.

10. Tanchoema 19 en Eetz Joseef.

11. Zohar en Rasji 32:4.

12  Dewariem 33:17