Archief

WAËRA

de EERSTE DRIE plagen

Jullie zult je vast nog wel herinneren hoe Par’o weigerde om de Israëlieten uit Egypte te laten weggaan, ondanks al het aandringen en al de waarschuwingen  van Mosjé Rabbeinoe. En ook toen Mosjé hem liet weten dat HaKadosj Baroech Hoe allerlei akelige plagen en rampen over hem en over Egypte zou brengen als hij bleef weigeren, bleef Par’o Mosjé uitlachten.

Voordat wij nu verder gaan met ons verhaal, moeten wij jullie vertellen [i]dat Par’o dacht dat hijzelf een god was. Maar goden hoeven hun behoeften niet te doen, dat moeten alleen stervelingen en dus ook Par’o. Opdat nu niemand zou zien dat hij eigenlijk helemaal geen god was, ging Par’o iedere ochtend vroeg naar de rivier om daar zijn behoeften te doen, in plaats van zoals ieder ander mens dat doet. Maar [ii]Par’o was bang dat de mensen hem daar zouden zien en dan zouden zij weten dat hij helemaal geen god was. Daarom had Par''o in heel Egypte verboden dat niemand ’s morgens vroeg de straat op mocht gaan of uit zijn raam naar buiten mocht kijken.

Nu wij dit weten kunnen wij verder gaan met ons verhaal. HaKadosj Baroech Hoe had dit alles aan Mosjé Rabbeinoe onthuld en zei tegen hem: „Mosjé, opdat Par’o zal weten dat het ons bekend is dat hij helemaal geen god is, ga daarom vroeg in de ochtend naar de rivier, wanneer Par’o daar ook is, om er zijn behoeften te doen en neem je staf mee. Wanneer je nu Par’o daar ontmoet, waarschuw hem dan nog eens, dat als hij Israël niet uit Egypte laat weggaan zodat zij Mij kunnen dienen, dan zullen hem verschrikkelijke rampen overkomen. Want, [iii]hoewel het niet de gewoonte van de mensen is om iemand die zij willen straffen, van te voren te waarschuwen, maar hen onmiddellijk te straffen, zal Ik niet zo met Par’o handelen. Ik zal hem echter goed­gunstig en met erbarmen behandelen en hem van te voren waarschuwen, vóór iedere plaag die Ik over hem zal brengen, zodat hij nog kan terugkomen op zijn besluit en het volk Israël alsnog uit Egypte kan wegsturen.”

„En daarom, Mosjé,” zo vervolgde Hasjem, „wanneer Par’o blijft weigeren om naar jou te luisteren en om het volk Israël te laten gaan, zeg hem dan dat Ik een zware ramp over hem zal brengen: al het water van de rivier zal dan veranderen in bloed en alle vissen in de rivier zullen doodgaan en de Egyptenaren zullen geen drinkwater hebben. [iv]Die plaag van het bloed zal een hele nare plaag zijn voor de Egyptenaren, omdat de rivier de enige waterbron van Egypte is. Want in dat land regent het zelden of nooit, zodat de mensen en dieren al hun drinkwater uit de rivier de Nijl moeten halen en ook de velden worden geïrrigeerd met het Nijlwater.”

Maar niet alleen om die reden zou de plaag van het bloed een zware straf zijn, maar ook omdat dat iedereen nu zou kunnen zien dat de Nijl geen goddelijke rivier is met goddelijke kracht, zoals de Egyptenaren tot dan toe dachten, maar dat het slechts een dommekracht is, dat precies doet wat het krijgt opgedragen van Hasjem.

Mosjé ging nu opnieuw naar Par’o en bracht hem de woorden van Hasjem over. Maar opnieuw weigerde Par’o Israël te laten gaan en toen verscheen Hasjem nogmaals aan Mosjé en zei tegen hem: „Ga, Mosjé, en zeg tegen je broer Aharon dat hij met jouw staf de rivier slaat, dan zal die veranderen in bloed. Maar jij mag dat niet doen, [v]omdat de rivier jou, toen je een baby was, van de dood heeft gered, toen je moeder jou in een rieten mandje in de rivier had gelegd. Daarom moet jij de rivier op jou beurt goed behandelen en mag je haar niet slaan om haar daardoor in bloed te laten veranderen.”

Mosjé vertelde aan Aharon wat Hasjem hem gezegd had en Aharon nam onmiddellijk de staf van Mosjé en sloeg daarmee op het water van de rivier en plotseling veranderde het water van de rivier in bloed. [vi]Maar wat was dat! Niet alleen het water van de rivier veranderde in bloed, maar iedere druppel water die er in heel Egypte te vinden was, of dat zich nu bevond in een kan of in een kop, in een drinkbak voor het vee of in een kookpan, het veranderde allemaal in bloed. En de vissen in de rivier stierven één voor één, want die kunnen niet leven in bloed.

Alleen de joden hadden drinkwater in overvloed!

De Egyptenaren dachten bij zichzelf: ‘Waarom vragen wij niet wat drinkwater van de Joden, dan kunnen wij ook drinken.” [vii]Zo gezegd, zo gedaan, maar zodra het water van de Joden aan de lippen van de Egyptenaren kwam, veranderde ook dat in bloed. Zelfs al hield de Jood het glas vast, waaruit de Egyptenaar wilde drin­ken, dan nog veranderde het water in bloed op het mo­ment dat het de lippen van de Egyptenaar aanraakte.

Toen de Egyptische schriftgeleerden zagen hoe Aharon met de staf van Mosjé de rivier in bloed ver­anderde, bedachten zij dat zij dat ook konden, en zo veranderden ook de Egyptische geleerden de rivier in bloed. Toen Par’o dat zag, besteedde hij geen verdere aandacht meer aan de plaag van het bloed.

Zo verliep er een week en toen stopte de eerste plaag, de plaag van het bloed.

Spoedig daarna riep HaKadosj Baroech Hoe Mosjé opnieuw bij zich en zei tegen hem: „Ga naar Par’o en zeg tegen hem dat hij Mijn volk moet wegsturen zodat zij Mij kunnen dienen en Mij offers kunnen brengen en waarschuw hem, dat als hij dat niet doet, dan zal Ik een andere zware ramp over hem brengen: de plaag van de kikvorsen. Zij zullen heel het land vullen en ieder egyptisch huis binnendringen en zij zullen zelfs in het egyptische voedsel zitten en zo in hun lichaam komen.”

[viii]HaKadosj Baroech Hoe wilde de Egyptenaren speciaal met kikvorsen straffen omdat de Egyptenaren gewend waren om de Israëlieten er opuit te sturen om voor hen allerlei afschuwelijk ongedierte te verza­melen, iets wat zij heel erg vonden. En daarom wilde Hasjem met de Egyptenaren doen, zoals zij met de Joden gedaan hadden en stuurde hij de kikkers op hen af want dat is ook ongedierte.

Mosjé ging naar Par’o  en deelde hem de woorden van Hasjem mee, maar ook nu wilde Par’o niet luisteren maar lachte Mosjé uit en gooide hem zijn paleis uit.

Opnieuw verscheen Hasjem aan Mosjé en zei tegen hem: „Ga naar je broer Aharon en zeg tegen hem dat hij nogmaals de rivier moet slaan, zoals de eerste keer.” Mosjé ging direct naar Aharon en vertelde hem wat Hasjem gezegd had. Aharon nam de staf van Mosjé en sloeg er de rivier mee, [ix]en een gigantische en dikke kikvors sprong uit de rivier omhoog. Toen de Egyptenaren probeerden het beest te doden en hem met hun stokken sloegen, ging het niet dood, maar iedere keer dat het een klap kreeg, kwamen er tien­tallen kikvorsen uit zijn lijf te voorschijn, die over het hele land Egypte rondsprongen, de huizen en kamers binnendrongen, zelfs tot in het paleis van de koning.

[x]De beestjes sprongen in de mensen hun bed, kropen in hun kleren, in hun beker met melk, in de oven (zonder te verbranden), kortom, ze maakten de mensen stapelgek. [xi]De mensen vluchtten de stad uit maar de kikvorsen renden achter hen aan en bleven hen lastigvallen. [xii]Iedere kikker die een Egyptenaar tegenkwam, besprong hem onmiddelijk en bleef hem lastigvallen, maar wanneer zo’n kikvors een Jood tegen­kwam, liet hij hem met rust en keek hem zelfs niet aan.

Toen de egyptische schriftgeleerden dat zagen, besloten ze dat zij ook zouden laten zien wat zij konden. Ook zij veranderden het water van de de rivier in een kikvors, precies zoals Aharon gedaan had. Maar nu besloot Par’o dat hij genoeg had van al die kikkers en dus riep hij Mosjé en Aharon bij zich en vroeg hen: „Alsjeblieft, vraag aan Hasjem, jullie G-d, dat Hij die afschuwlijke beesten van ons wegneemt en dat hij al die kikvorsen doodt. Dan zal ik het volk Israël laten gaan, alle mannen, vrouwen en kinderen om voor Hasjem, jullie G-d, te offeren in de woestijn en ook jullie kleinvee en rundvee zal ik met jullie meesturen.”

[xiii]Zegt u maar wanneer wilt u dat Hasjem deze kik­ker­plaag van u verwijdert?” zei Mosjé tegen Par’o, „dan zult u zien hoe groot onze G-d is, Hij kan de plaag verwijderen op ieder moment dat u het wilt.”

„Ik wil dat morgen de kikvorsen verdwenen zijn,” antwoordde hem Par’o.

Mosjé ging heen, dawende tot Hasjem en vroeg Hem om de kikkers de volgende dag te laten verdwijnen. Toen Hasjem de tefillah van Mosjé hoorde, liet Hij de volgende dag onmiddellijk alle kikvorsen doden. De dode kikkers lagen op grote hopen bijelkaar en het hele land stonk ernaar.

Dat was het einde van de tweede plaag de plaag van de kikvorsen.

ó  ó  ó

[xiv]Ook met de volgende plaag wilde HaKadosj Baroech Hoe de Egyptenaren straffen voor de manier waarop zij de Joden behandeld hadden. Omdat zij hen niet toestonden zich behoorlijk te wassen na nu vuile werk bracht Hasjem de derde plaag over hen.

Hasjem riep Mosjé opnieuw bij zich en zei: „[xv]Met de volgende plaag zal Aharon allemaal vlooien en luizen in Egypte brengen, door met jouw staf op de aarde te slaan, dan zullen de vlooien en luizen uit de aarde te voorschijn komen. Maar jij mag de aarde niet slaan.” De reden hiervoor was dat Hasjem niet wilde dat Mosjé lelijk tegen de aarde zou doen, want de aarde had eens die Egyptenaar voor Mosjé verborgen, die hij gedood had, nadat die man eerst een Jood ongenadig had geslagen.

Dus nam Aharon de staf en sloeg er mee op de aarde en daar kwamen reeds honderdduizenden vlooien en luizen uit omhoog en die besprongen onmiddellijk de Egyptenaren en al hun vee. Zij bedekten heel hun lichaam en dat jeukte vreselijk. [xvi]Maar de Joden liet het ongedierte met rust, zelfs het kleinste luisje wist dat hij de Joden niet mocht lastig vallen! De egyptische schriftgeleerden probeerden nu hetzelfde te doen als wat Aharon gedaan had, maar dat lukte hen niet, zij hadden geen macht over de aarde en zij konden er geen luis uitkrijgen. Toen zij zagen dat ze daar niet in konden slagen riepen zij: „Dit moet een vingerwijzing van G-d zijn!” en daarmee erkenden zij eindelijk de grootheid van Hasjem!

[xvii]Maar ook bij de eerst twee plagen hadden de schriftgeleerden gezegd: „Dit moet een vingerwijzing van G-d zijn!”

Na een week eindigde deze derde plaag, de luizenplaag.

Nog vier plagen

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

[i]. Sjemot Rabbah 13:6

[ii]. Ramban 10:23

[iii]. Sjemot Rabbah14:3

[iv]. Tanchoema 3

[v]. B.K. 9

[vi]. Sjemot Rabbah 16:3,4

[vii]. Sjemot Rabbah 18:3 en Jafeh Toar

[viii]. Tanchoema Waera 14

[ix]. t.p.

[x]. Zohar

[xi]. Ba’al Hatoeriem 8:5

[xii]. Bamidbar Rabbah 9:12

[xiii]. Rasji 5:5

[xiv]. Ba’al Hatoeriem 8:12

[xv]. Sjemot Rabbah 10:7

[xvi]. id.

[xvii]. id.