Archief

KIE TISSA

De Dertien Eigenschappen

30Nadat Israël gestraft was riep HaKadosj Baroech Hoe Mosjé weer bij zich en zei tegen hem: „Vertel het volk, dat de engel die hen voortaan zal voorgaan en leiden, hen naar het land Israël zal brengen, een land overvloeiend van melk en honing. Maar Ikzelf zal hen niet meer voorgaan want het is een hardnekkig volk en anders zou ik het de volgende keer, dat zij weer zondigen misschien wel allemaal doden.”

Toen het volk dit hoorde begonnen zij opnieuw te morren. Toen besloot Mosjé de tent, waarin hij steeds met Hasjem samenkwam, op te breken. Hij zette hem weer op buiten het legerkamp. Hij noemde die tent de Tent-der-Samenkomst. Wanneer nu Mosjé het leger­kamp uitging, om naar de tent te gaan, dan stond heel Israël op totdat hij de tent binnenging. Dan daalde er een wolk over de ingang van de tent en heel het volk boog dan voor de Sjechiena. Dan sprak HaKadosj Baroech Hoe met Mosjé, zoals een mens met zijn vriend spreekt. Wanneer Hasjem dan geëindigd was met te spreken met Mosjé, dan keerde Mosjé terug naar het legerkamp, begeleid door zijn trouwe dienaar Jehosjoe’a, die al die tijd niet van de zijde van de tent geweken was.

Bij één van die keren dat Hasjem met Mosjé sprak, vroeg Mosjé aan Hasjem: „Ik zou U willen vragen of U zich misschien een keer aan mij wilt vertonen.”

„Nee Mosjé,” antwoordde Hasjem, „geen mens kan Mij zien en dan in leven blijven. Daarom Mosjé, verstop je in een uitholling in een rots en dan zal Ik aan jou voorbijgaan en dan zal Ik jou met Mijn han­den bedekken. En wanneer Ik dan voorbij ben en Mijn handen wegneem, dan zul jij alleen Mijn achterkant zien. Neem nu stenen van safier en hak die in de vorm van de Tabletten van het Verbond. Morgenochtend moet je dan op de top van de berg Sinaï staan, met de tabletten in je hand. Maar pas goed op, Mosjé, dat nie­mand met je mee naar boven komt. En dat ook nie­mand dicht bij de voet van de berg komt. Let ook goed op dat geen klein- of rund­vee vlak bij de berg zal grazen.”

Mosjé deed precies zoals Hasjem hem geboden had en HaKadosj Baroech Hoe daalde neer op de berg Sinaï en passeerde voor Mosjé langs en daarbij leerde Hij Mosjé een tefillah, die Israël van nut zou zijn in tijd van nood: „Ad-onai Ad-onai E-l rachoem wechanoen èrèch appaïm werav chèsèd wèëmet. Notseer chèsèd láälafiem, nosé ’awon wafèsja’ wechattah wenakkèh – Hasjem is en blijft de Eeuwige, Almachtige G-d, barmhartig, genadig, lankmoedig, vol liefde en waarheid. Hij toont liefde tot aan twee­duizend geslachten, Hij vergeeft misdaad  en trouwe­loosheid en zonden maar die Hij zeker niet ongestraft laat, Hij gedenkt de misdaad van de ouders  bij de kin­deren en bij hun kinds kinderen tot in het derde en vier­de geslacht.”

Dit gebed wordt de „Sjelosj ’esré midot – de dertien eigenschappen”  (van HaKadosj Baroech Hoe) genoemd.

Snel wierp Mosjé zich voorover op de aarde en riep: „Wanneer ik gunst heb gevonden in Uw ogen, Hasjem, vergeef dan alstublieft het volk Israël.”

HaKadosj Baroech Hoe beloofde daarop aan Mosjé dat Hij aan het volk Israël het land Israël zou geven als erfenis en voorts gaf hij nog enkele mitswot, zoals het voorschrift voor Pèsach en van de eerstge­borenen. Na veertig dagen en veertig nachten opnieuw in de Hemel te zijn geweest, precies als de eerste keer, daalde Mosjé weer af, met de twee Stenen Tabletten van het Verbond in zijn handen. Het gezicht van Mosjé straalde, omdat Hasjem, toen Hij Mosjé was voorbij gegaan, hem met Zijn hand bedekt had, maar dat wist Mosjé niet. Toen Aharon en het volk die speciale straling zag, werden zij bang en durfden zij Mosjé niet te naderen.

Maar Mosjé riep Aharon en diens zonen bij zich, om hen en heel het volk de Tora te leren. Hij gebood hen alles te doen wat Hasjem hem op de berg Sinaï gezegd had. Wanneer Mosjé met hen sprak deed hij een masker voor, zodat niemand de straling zou zien en bang zou zijn. Maar wanneer hij met Hasjem praatte, legde hij het masker af en als hij klaar was met Hasjem te praten, dan deed hij het masker weer voor zijn gezicht.

Samenvatting: Het volk Israël beging een geweldig grote zonde en Hasjem strafte hen daarvoor zwaar. Laten wij daarom proberen nooit een overtredingen te begaan, dan zullen wij ook niet gestraft worden.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

30.  Rasji 33:1.